Gerrit Achterberg: invloed en verwantschap


Wortels: in het protestantisme

Achterberg is opgegroeid in een streng calvinistisch milieu. Dat komt op verschillende manieren terug in zijn gedichten. Het is moeilijk te bepalen wat de bron is van bepaald taalgebruik, maar het is duidelijk dat in Achterbergs poëzie regelmatig woorden en zinsneden voorkomen die terug te voeren zijn tot de 'tale kanaäns'. Er komen bijbelse termen, namen en gebeurtenissen in voor. En een enkele keer engelen of gebeden, of de identificatie van de dichter met een bijbelse figuur. Daarnaast gaat het in zijn gedichten vaak over eeuwigheid en God, hoewel dat natuurlijk niet specifiek orthodox-protestants hoeft te zijn. Achterberg gebruikt deze christelijke motieven niet doelbewust; ze komen 'als vanzelf' in zijn gedichten terecht, want 'als authentiek dichter zegt hij, wat hij op een bepaald moment ondergaat, voelt, denkt, beseft, ziet, weet. Zo dringt zich nu en dan het woord 'God' aan hem op' (Nieuw kommentaar, 1966, p. 133).

De calvinistische invloed is ook terug te vinden in de centrale thematiek van Achterberg: het door de dood heen bereiken van de overleden geliefde. In het latere werk van de dichter is er een zekere veralgemenisering opgetreden in de thematiek, en gaat het vooral om het algemeen menselijk tekort. In het orthodox-protestantisme is dat tekort de zonde en de schuld. Door die zonde en schuld heeft de zondeval plaatsgevonden, en dus de dood. Achterberg probeert in zijn gedichten het verschil tussen leven en dood op te heffen, en vanuit christelijk oogpunt kan dat gezien worden als het verlangen naar verlossing. 

Achterbergs poëzie heeft soms ook mystieke trekken, maar niet in die zin van de mystiek waarbij de mens centraal staat. In het orthodox-protestantisme is er een grote afstand tussen mens en God, maar de mens ontvangt wel het heil van God. Daardoor blijft God centraal.  Maar door de innerlijke beleving van het heil en doordat 'alle relaties, bij Achterberg in het bijzonder de relatie tussen de ik en de u, de geliefde in het vers, vervuld [kunnen] worden van de relatie van de mens, de ziel, met God' (Middeldorp, 1985, p. 111) kunnen zich verschijnselen voordoen die verwant zijn aan mystieke ervaringen. Voorbeelden daarvan zijn de beleving van het 'nu' als iets eeuwigs en de synthese van het religieuze en het profane.

Voorlopers: romantiek en symbolisme

Er zijn in Achterbergs werk romantische kenmerken aan te wijzen. Volgens de romantische poëtica is de dichter iemand die niet nabootst, maar puur expressief werkt, en daarbij poogt het metafysische te bereiken. Hij accepteert de grenzen van het aardse bestaan niet, en reikt naar het ongrijpbare. Dat is bij Achterberg duidelijk het geval; hij probeert steeds door de dichtkunst de dood te overtreffen. Ook komt in de romantiek het denkbeeld op van de dichter als individualist, en als iemand die het moeilijk heeft met de wereld om zich heen, en daarmee in conflict komt. In zijn persoonlijk leven voldoet Achterberg dus aan het romantische beeld van de dichter. Thematisch gezien is er in de romantiek een vergrote belangstelling voor de natuur, de geschiedenis en exotische oorden. Op dit punt houdt de verwantschap van Achterberg met de romantiek op, hoewel zijn interesse voor de natuurwetenschappen hier natuurlijk wel verwant aan is.

Ook zijn er in het werk van Achterberg overeenkomsten met de symbolistische dichtkunst. De symbolisten gaan er van uit dat er achter de stoffelijke werkelijkheid een andere wereld schuil gaat; de wereld van de Idee. De materiële wereld is een onvolmaakte afspiegeling van deze ideeënwereld. De Idee kan niet rechtstreeks benoemd worden, maar alleen opgeroepen door middel van symbolen, door parallellen in de stoffelijke wereld. De symbolistische dichter probeert via de taal over de grenzen van de materiële wereld heen te gaan. De functie van de taal is erg belangrijk, en de macht en onmacht van de taal is ook een veel voorkomend thema. Dit is bij Achterberg ook het geval; een aantal van zijn gedichten hebben de (on)macht van de taal als thema, en de taal is voor hem een instrument om over de grenzen van de stoffelijke wereld te reiken om zo zijn overleden geliefde te bereiken.  

Tijdgenoten: Criterium-dichters

Het is niet eenvoudig Gerrit Achterberg in de literair-historische context te plaatsen. Er wordt vaak zonder meer van uitgegaan dat hij tot de Criterium-dichters gerekend kan worden. Het tijdschrift Criterium verscheen van 1940 tot 1942 en van 1945 tot 1948. Dichters die erin publiceerden waren onder andere Bertus Aafjes en Gerard den Brabander. Als grote voorloper gold M. Nijhoff. De redactie bestond uit Cola Debrot, Ed. Hoornik en Han G. Hoekstra. De poëtica van Criterium is ambivalent. Men streefde naar romantisch-realisme (of -rationalisme). Aan de ene kant moest de dichtkunst geïnspireerd worden door de werkelijkheid, want door de realiteit van de crisis en de wereldoorlog was het onmogelijk geworden te 'ontsnappen' in de romantiek. Aan de andere kant zocht de dichter naar het 'hogere', maar zijn zoektocht liep op niets uit. De gedichten die in het tijdschrift verschenen voldeden vaak niet aan dit criterium, ze waren veelal romantisch of rationalistisch, maar bijna nooit romantisch-rationalistisch. Volgens Middeldorp publiceerde Achterberg vooral in Criterium omdat hij bevriend was met redacteur Ed. Hoornik en het tijdschrift zijn gedichten in moeilijke tijden toch nog vaak wilde plaatsen. Criterium-poëzie was vaak anekdotisch, er sprak eerbied uit voor de gewone dingen. De bundel Hoonte voldeed wel aan dat kenmerk, maar de essentie van de gedichten was toch steeds iets groters en oversteeg het alledaagse. Ook liet Achterberg zich, net als de Criterium-dichters, inspireren door krantenberichten. Maar hier ging het ook steeds om meer dan alleen het nieuwsfeit en in tegenstelling tot de Criterium-gedichten is voor Achterbergs gedichten geen kennis van het nieuwsbericht noodzakelijk om ze te begrijpen. Middeldorp concludeerde 'dat Achterberg, hoewel hij oog had voor de gewone dingen, geen Criterium-dichter was, [want] daarvoor worden bij hem gewone dingen te ongewoon' (Middeldorp, 1985, p.65). Zijn zoektocht naar het 'hogere' ging duidelijk verder dan die van de Criterium-dichters. Volgens Anbeek bestaat Criterium-poëzie eenvoudigweg niet en past Achterberg 'binnen geen van de bestaande programma's' en 'zeker niet binnen het clichébeeld dat van de zogenaamde Criterium-poëzie is ontstaan' (Anbeek, 1999, p.174).

Invloed van Achterberg op andere auteurs

Achterberg heeft veel uiteenlopende schrijvers en dichters beïnvloed, zoals Lucebert, Jan Cremer, Simon Vinkenoog, Rutger Kopland en Harry Mulisch. Jan Cremer schreef in zijn boek Ik Jan Cremer dat Achterberg 'in die tijd ook de enig verstaanbare dichter' voor hem was (Cremer, 1964, p. 222). De dichter Rutger Kopland noemt Achterberg 'een van de groten van de vorige eeuw, degene die mij mijn eerste poëtische ontroeringen bezorgde' (Dijkgraaf, 2002, p. 109). Hij schreef zelfs een imitatie van Achterbergs Ballade van de gasfitter onder de titel Portier.

Gerrit Achterberg en Simon Vinkenoog in Parijs in 1950

Simon Vinkenoog schreef in De gids van maart 1962 dat hij zich pas voor poëzie begon te interesseren toen hij Gerard den Brabander en Gerrit Achterberg ontdekte. Hij beschreef hoe hij volledig opging in de poëzie van Achterberg, een ervaring die hij in totaal maar drie keer had meegemaakt, en die 'niet onder woorden [is] te brengen, de ander wordt een tweede stel zintuigen, een dubbele onderhuid. En het lezen houdt in, de angst jezelf te verliezen; een schizofrene toestand [...] In 1947 wàs ik Achterberg' (Vinkenoog, 1962, p. 214-215). Hij schreef gedurende die tijd gedichten waarin hij, net als Achterberg, een 'u' aansprak. Hij is hem altijd blijven bewonderen. Boudewijn Büch noemt Achterberg 'onze grootste dichter' (Büch, 1983, p. 11) en zijn cyclus 'Zingbaar water' is diepgaand beïnvloed door de taal van Achterberg.

Ook na zijn dood verschenen nog geïllustreerde uitgaven van de poëzie van Achterberg, zoals de drietalige editie Anti-materie = Antimaterie = Anti-matter uit 2013. Voor deze uitgave van de Sattenhofpers en Bureau Claxon maakte Marcel van Eeden vijf tekeningen die biografische elementen combineren met thema's uit het werk, zoals de illustratie van een interieur met een telefonerende man op wiens rug de projectie van een atoom te zien is.

Verband tussen leven en werk

Er is vaak gespeculeerd over de relatie van het werk van Achterberg met zijn leven. Zoals bekend heeft hij in 1937 zijn hospita om het leven gebracht. Het centrale motief in zijn werk is het bereiken van de gestorven geliefde. Men zou kunnen concluderen dat die twee zaken in direct verband met elkaar staan: de gestorven geliefde in de poëzie van Achterberg is de vrouw die hij heeft doodgeschoten, Roel van Es. Toch zou een dergelijke conclusie overhaast zijn. Het thema van de gestorven geliefde kwam namelijk al vóór 1937 in zijn werk voor. De bewuste daad is niet de aanleiding geweest om gedichten te gaan schrijven met dit centrale thema. Dat wil echter niet zeggen dat de poëzie van ná 1937 niet over van Es zou kunnen gaan. Bovendien is het ook mogelijk dat het thema - bewust of onbewust - voortkomt uit de psychische gesteldheid van de dichter. Hij was namelijk voor de moord al twee keer opgenomen geweest in psychiatrische inrichtingen. Daarnaast bestaat er natuurlijk altijd een bepaalde afstand tussen de realiteit van het leven van de dichter en de werkelijkheid die hij in zijn gedichten schept. Lange tijd heeft de kritiek deze afstand wel erg ruim genomen en bestond er een taboe op het betrekken van de doodslag op de interpretatie van de poëzie van Achterberg. Latere critici hebben geconcludeerd dat het verband tussen leven en werk eigenlijk niet valt te ontkennen.