Was Bilderdijk een romanticus?

De aandacht voor Bilderdijk ging vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw niet zozeer uit naar zijn werk, als wel naar zijn persoon. Zijn hoogdravende verzen werden niet alom gewaardeerd, maar zijn veelbewogen leven, zijn verschillende talenten en schandaleuze relatie wekten des te meer interesse. De laatste decennia is er ook weer meer belangstelling voor zijn werk en de discussie gaat voornamelijk over de vraag: kan Bilderdijk als Romanticus aangeduid worden of niet? Knuvelder rekende hem zonder meer tot de romantici: 'Hij is, naar aanleg en uiting, onze enige grote romanticus die "op tijd" kwam' (Knuvelder, 1973, dl. III, p. 208). Schenkeveld-van der Dussen zou hem eerder onder de classicisten plaatsen. Martien de Jong noemt hem een pre-romanticus (Jong, 1978, p. 129); andere commentatoren zoals Gert-Jan Johannes nemen een tussenpositie in.

In elk geval was Bilderdijk hevig geïnteresseerd in de buitenlandse romantische schrijvers en vertaalde hij werk van verscheidene van hen. Hij had daarbij het volgende doel:

Doch, zoo ik ooit een' toon deed hooren,

Aan Frank of Brit ontleend; Bataaf, verwijt ge 't my?

en:

[...] 'k trachtte uw Zangers op te leiden,

Om kunst- en wankunst te onderscheiden

(XII, p. 109)

Ook zijn volgelingen vertaalden buitenlandse romantici. Zo vertaalde Katharina Wilhelmina Schweickhardt werk van Southy en zette Da Costa Byron over in het Nederlands.

Ook het Réveil, de godsdienstige stroming waar Bilderdijk de aanzet toe gaf, zorgde voor verspreiding van romantische denkbeelden in Nederland. Deze beweging stelde de persoonlijke beleving van het geloof centraal, waarbij het gevoel de nadruk kreeg. De richting is ook wel omschreven als 'de romantische school van Duitschland in het Nederlandsch Protestantsch overgezet' (Pierson, 1904, p. 189). Bilderdijks prioriteit voor het gevoel hangt samen met de opvatting dat het gevoel 'het enige vermogen is om gewaarwordingen te ontvangen van God, wiens wil het enige zelfstandig bestaande is' (Vis, 2000, p. 60). Bilderdijk ging ervan uit dat de empirische wereld een schijnwereld is en dat de echte werkelijkheid bovenzinnelijk is, slechts te bereiken door het gevoel. Ook in de dichtkunst zou het gevoel het belangrijkst moeten zijn. Over het 'metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken' verscheen in 1966 een proefschrift door Cornelis de Deugd. Het beeld dat hij schetste van Bilderdijks opvatting van de verbeelding is in het proefschrift van Johannes in 1992 echter weer ontkracht (Johannes, 1992).

'De kunst der poëzy'

Spilfunctie in de discussie of Bilderdijk als romanticus geclassificeerd moet worden speelt het poëticale dichtstuk 'De kunst der poëzy', in 1995 opnieuw uitgegeven door W. van den Berg en J.J. Kloek. In de winter van 1809-1810 droeg Bilderdijk dit leerdicht voor in het genootschap Felix Meritis te Amsterdam. In 1811 verscheen het in druk, als openingsgedicht van de bundel Winterbloemen. In 'De kunst der poëzy' beschrijft Bilderdijk de geschiedenis van zijn dichtersschap. Toen hij begon als dichter liet hij zich kneden door de dichtgenootschappen, maar nu zette hij zich daar fel tegen af. Hij had genoeg van hun taalkundige regels, hun voorgeschreven thema's en hun niet aflatende (be-)schavingsdrang. In 'De kunst der poëzy' stelde hij de werkwijze van de dichtgenootschappen als volgt voor (waarbij met Megera de Griekse wraakgodin wordt bedoeld en waarbij de Styx als symbool dient voor de duisterheid van de dichtgenootschappen en de onverbiddelijkheid van hun oordelen):

Hier voert gerechtigheid het onmeêdoogend zwaard,

Den looden evenaar, den blinddoek voor hare oogen,

En grabbelt, of de schaal moet dalen of verhoogen.

Megera staat er by, en zwaait, voor de ongeltoorts,

Het schrapmes in de vuist, en gloeit van wrevelkoorts.

Geen deernis, geen genâ, voor 't minste rijmverbreken!

Het vonnis van die Styx zal ieder vrijheid wreken.

(VII, p. 72)

Bilderdijks nieuwe visie op de dichtkunst presenteerde hij in 'De kunst der poëzy'. Hierin maakte hij duidelijk dat niet het verstand, maar het gevoel het belangrijkst is voor poëzie. De kunsttheoriën van de Verlichting en het classicisme hadden hiermee voor Bilderdijk dan ook voorgoed afgedaan. Het lijkt erop dat Bilderdijk tijdens zijn ballingschap in het buitenland in aanraking kwam met de ideeën van de Romantiek waarin gevoel en verbeelding de nadruk kregen. Daarbij sloot hij zich aan. Maar hoewel Bilderdijk zich inderdaad kon thuisvoelen bij de romantici met zijn opvatting dat ware dichtkunst een uitbarsting van gevoel is, waren zijn ideeën over de rol van de verbeelding afwijkend. Want Bilderdijk wees de verbeelding, net als het verstand, categorisch af:

Van toen was Dichtkunst my geen spel meer van verbeelding.

Mijn hart ontschoot den slaap der zwijmzucht, der vereelding;

Het was zich-zelv' gevoel [...]

(VII, p. 75)

Verbeelding zou volgens Bilderdijk het dichterlijk gevoel alleen maar afstompen. Bilderdijks opvatting van het begrip verbeelding was traditioneel. Hij zag het als een menselijk vermogen om beelden uit de werkelijkheid te onthouden en samenstellingen te maken van die beelden. Maar Bilderdijk wilde niets te maken hebben met de empirische werkelijkheid. Voor hem was alleen de bovenzintuiglijke, goddelijke werkelijkheid van belang. Contact met die werkelijkheid kwam tot stand als de Goddelijke inspiratie tot het hart van de dichter sprak. Daar kwam geen verbeelding aan te pas. Sterker nog, verbeelding zou mensen maar op het verkeerde been zetten, men zou de werkelijkheid die men met de verbeelding kon creëren mogelijk verwarren met de 'hogere wereld'. In zulke gevallen stond de verbeelding in de weg van het gevoel. Vandaar dat Bilderdijk deze afwees en in het hierboven geciteerde gedicht de term 'verbeelding' associeert met en laat rijmen op 'vereelding', oftewel: afstomping. Dezelfde visie spreekt ook uit een gedicht uit 1807:

Neen, 't is verbeelding niet (hy dwaalt, die 't zich verbeeldt)

Waar Dichtkunst in bestaat, die zoo veel wondren teelt.

(VII, p. 4)

Ondanks Bilderdijks pleidooi voor het gevoel hebben lezers hem juist aangehaald om de Romantiek aan te vallen, zoals in 1824 J.A. Bakker:

'Allen moeten [...] met den eenigen Bilderdijk bekennen, dat de dichtkunst de uiting is van een waarachtig en verheven gevoel, dat zich geene hersenschimmen eener verhitte verbeelding als Ideälen voorgoochelt' (geciteerd naar: Johannes, 1993, p. 417).

Maar niet alleen met zijn traditionele opvatting van de verbeelding week Bilderdijk af van buitenlandse romantici. Ook de vorm van zijn gedichten was allesbehalve vernieuwend. Deze discrepantie tussen theorie en praktijk signaleerde Bilderdijk zelf ook. Het lukte hem niet om in zijn gedichten te realiseren wat hem voor ogen stond, maar hij hoopte dat zijn leerling Da Costa daarin beter zou slagen. Johannes veronderstelt, dat Bilderdijks onvermogen om los te komen van de classicistische versvorm voortvloeide uit zijn ideeën over de verbeelding: 'Hoe kon de dichter- wilde hij zich niet beperken tot uitroeptekens en veelzeggende puntjes- zijn gevoelens uiten, anders dan door ze op de traditionele wijze te 'beschrijven' en ze te 'illustreren' met beelden uit de werkelijkheid?' (Johannes, 1993, p. 418). Zonder beelden uit de werkelijkheid te gebruiken om gevoelens uit te drukken kreeg de dichter geen woord op papier. Dus greep Bilderdijk toch terug op de hem bekende vorm. Maar, zoals Van den Berg en Kloek stelden: 'Bilderdijks eigen oeuvre en daarbinnen ook de KdP [De kunst der poëzy] laat zien dat hooggestemde gevoelens niet altijd garant staan voor poëzie die blijvend overtuigt' (Berg, 1995, p. 32).

Maar, Dichtkunst, edelste aller gaven!

Helaas! hoe wordt uw aart miskend!

Neen: geen aan 't stof gebonden slaven,

Waar in we uw' stempel zien geprent!

Neen, 't is geen ijdel hersenspelen,

Geen toongegalm, geen oorenstreelen,

Geen dartlen van verbeeldingskracht,

Geen zinnenkittlend driftkrioelen;

Neen, Dichtkunst is, voor 't SCHOON gevoelen:

En 't hart is zetel van haar macht!

(VIII, p. 127-128)