Hagar Peeters en de kritiek

Hagar Peeters publiceerde diverse dichtbundels. In 1999 debuteerde ze met Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Van deze bundel zijn meerdere drukken verschenen. Ook Koffers zeelucht, verschenen in 2003, werd al een aantal keer herdrukt. Haar derde bundel Loper van licht stamt uit 2008 en de dikke bundel Wasdom uit 2011. Door haar ruime en overtuigende aanwezigheid in de media en geregeld optreden bij poëziemanifestaties weet Peeters een behoorlijk alomtegenwoordige indruk te wekken.

In 2004 werd het gedicht 'Droombeeld' uit de bundel Koffers zeelucht bekroond met één van de 'Gedichtendagprijzen' en in 2005 mocht ze de J.C. Bloem-Poëzieprijs in ontvangst nemen voor diezelfde bundel. In 2009 was Peeters een van de genomineerden voor de titel Dichter des Vaderlands.

Genoeg gedicht over de liefde vandaag

In de recensie in het Noord-Brabants dagblad van Genoeg gedicht over de liefde vandaag werd Peeters genoemd als een origineel talent, iemand met een eigen geluid, waar Gerrit Komrij juist de nieuwe dichters van dat moment gebrek aan originaliteit en authenticiteit verweet. Natuurlijk wordt in een bespreking van werk van zo'n podium-personality ingegaan op het verschil tussen performance en papieren presentatie: 'Vóór Peeters haar eerste gedicht publiceerde, was ze al de "ontdekking" op poëziefestivals als Crossing Border Festival, de Nacht van de Poëzie en het Double Talk Festival. Ze is een frêle verschijning op het eerste gezicht (en gehoor) zelfs een onbevangen lachebekje die de indruk wekt zich op het podium nog meer op haar gemak te voelen dan aan de schrijftafel' en: 'Natuurlijk, er zijn gedichten die je beter kunt horen, die thuishoren op een podium, die in zetsel hun betovering verliezen, een fletse of gemakkelijke indruk maken. Soms wil ze teveel, vooral in de breed uitwaaierende gedichten die het op het podium vast goed doen, maar in druk snel aan spanning verliezen. Maar er zijn ook gedichten die je haar hóórt voorlezen, die ook op papier stáán'. Peter de Boer is in zijn recensie in Trouw van dezelfde bundel gematigd positief: 'Het lichte genre wordt bij Peeters nergens vederlicht. Het is speels, soms hilarisch en uitdagend, maar niet onbenullig. Al heeft deze dichteres misschien nog niet zóveel te zeggen, het nietszeggende weet ze toch meestal met aangename flair te vermijden'.

Koffers zeelucht

Dezelfde Peter de Boer was in dezelfde krant iets kritischer over de bundel Koffers zeelucht, waarin hij beslist een aantal goede gedichten signaleert, maar waarin hij tevens Hagar Peeters zag hinken op de twee gedachten van de twee kunstenaressen die in haar ziel huizen: de dichteres die je moet lezen of de performer die je moet zien en horen: 'Hier wreekt zich haar ambitie om in de eerste plaats podiumdichteres te zijn. Als performing poet heeft ze met haar voordrachten al veel lof geoogst. Dit past ook bij haar credo en dat van haar bent- en generatiegenoten Ingmar Heytze, Ruben van Gogh e.a. dat de poëzie na jaren van geheimzinnigdoenerij vooral verstaanbaar en niet te hoogdravend moet zijn. Enige herhaling en overdrijving, op papier onnodig en irritant, is op de Bühne onmisbaar om aan het verstaanbaarheidscriterium te voldoen. Maar wat wil ze nou?' Arie van den Berg (recensie in NRC Handelsblad) plaatste de dichteres 'in de top van de vaderlandse dichters bent' naast 'even jonge collega's als Alfred Schaffer en Mustafa Stitou'. De bundel werd nog dezelfde maand herdrukt.

Loper van licht

Najaar 2008 verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij de derde 'reguliere' bundel poëzie van Hagar Peeters met als titel Loper van licht. Op 8 oktober 2008 werd de bundel overwegend positief-citerend besproken door Victor Schiferli in Het parool. Hij schreef: 'Loper van licht bestaat uit een reeks gedichten die samenhangen rond het thema van [de Bijbelse figuur] Hagar als de moeder van alle verdrevenen en vluchtelingen, en Abraham als patriarchale machtsfiguur (en oude geilaard). Peeters herdicht de geschiedenis vanuit de figuur van Hagar, maar vertelt ook vanuit ander perspectief. […] Aanvankelijk volgen de gedichten de gebeurtenissen uit de Bijbel, al maakt Peeters aan het begin al een vergelijking met Ayaan Hirsi Ali. De bekende verklaring over haar afkomst toen zij ervan was beticht niet de waarheid te hebben gesproken bij haar asielaanvraag ('Ik ben de dochter van Hirsi die te boek staat als de zoon van Magan,' et cetera) keert letterlijk terug in het gedicht 'In de naam', waarna de constatering volgt: Tot de oorsprong van de allereerste eisprong / tot stammen en vlakten / kampen en geslachten, vorsten en clans / ten verste voeren wij terug. […] Loper van licht is een poging stem te geven aan degenen die in de verdrukking zijn gekomen - en daar kun je zowel uitgeprocedeerde asielzoekers als in de steek gelaten moeders en bevolkingsgroepen die onder onrecht lijden, onder rangschikken.'

Ruim een week daarna, op 17 oktober 2008, verscheen een positief-kritische recensie van Piet Gerbrandy in de Volkskrant, met als kop 'Ik wil de sleutel van de verboden kamer'. Ook Gerbrandy kon natuurlijk niet om de verwijzing naar de oudtestamentische Hagar heen: 'In Loper van licht heeft Hagar Peeters (1972) de lotgevallen van haar naamgenote als leidraad genomen voor een reeks gedichten over uitsluiting en ballingschap. Betekent dit dat de populaire dichteres zichzelf ook als vernederde beschouwt? Dat lijkt niet waarschijnlijk. Toch eindigt de bundel met een oproep aan alle mannen die de vrouw slechts als lustobject zien, haar toe te laten tot hun avontuurlijke clubs: 'Ik wil de sleutel van de verboden kamer/ de code van de computer de toegang tot systemen/ het wachtwoord tot de winstgevende gebieden.' Aangezien de spreker een vrouw is en de eersten die worden aangesproken Baudelaire, Whitman en Campos zijn, ligt het voor de hand het gedicht ook als literaire polemiek te lezen. […] Hoewel ook in dit boek onhandige formuleringen en clichés niet ontbreken, slaagt Peeters er op enkele momenten in de stem van de uitgestotene overtuigend vorm te geven. […] De uitzichtloosheid van een asielzoekerscentrum komt tot uitdrukking in het beeld van een zitbank die geen functie heeft dan "het ijsberen te onderbreken". Eindelijk poëzie.'

Weer een week daarna, op 24 oktober 2008, besprak Yra van Dijk in NRC Handelsblad Peeters' nieuwe bundel onder de kop 'Aankomst en vertrek in één beweging'. Waar Gerbrandy in de bundel Loper van licht 'eindelijk poëzie' aantreft was Van Dijk juist kritischer over de ontwikkeling die Peeters heeft doorgemaakt: 'Dichters slaan nieuwe wegen in, dat is onvermijdelijk. Je moet als dichter tenslotte ook verder in het leven. Maar soms verlangt de lezer heimelijk naar stilstand in een oeuvre. Bij Hagar Peeters bijvoorbeeld. Had ze niet altijd die onbevangen, lustig rijmende en scherp ziende dichter van een paar jaar geleden kunnen blijven? […] Hagar Peeters kon over de liefde schrijven alsof ze de eerste was die het onderwerp aansneed. Die frisheid is er een beetje af. In Peeters' nieuwste bundel, Loper van licht, hebben de verzen meer gewicht gekregen. Liefde heeft plaatsgemaakt voor overspel en uitsluiting, en lichte ironie voor prekerigheid […]'

Eveneens op 24 oktober 2008 besprak een tweede vrouwelijke recensent Peeters' nieuwste bundel, in De groene Amsterdammer. Ditmaal was het Janita Monna die Loper van licht te lijf ging. Haar bespreking had de veelzeggende titel 'Geen spoortje van een geheim'. De critica sprak een vergelijkbaar oordeel als Yra van Dijk uit. Janita Monna schreef: 'Een kleine tien jaar geleden verraste Hagar Peeters met […] een speelse, soms bijna kinderlijke benadering van volwassen thema's in beheerste en van klank soms huppelende gedichten […] Vijf jaar later is er Loper van licht. Daarin is die wat tobberige, maar nooit humorloze en daardoor lichte toon ver te zoeken. Wat is er gebeurd? [Hagar Peeters'] laat betrokkenheid zien bij hetgeen om haar heen gebeurt, poogt zich in te leven in de wereld van de asielzoekers, de uitgewezenen […] Het onderwerp dat Peeters aanroert, snijdt tot in de ziel, maar haar taal doet dat niet. Alles lijkt moeizaam op papier gekomen. […] Toegegeven, hier en daar vlamt gelukkig ook de oude Peeters even op en wordt te midden van de zwaarte even lucht gegund. […] Hagar Peeters is niet de enige onder de jongere dichters die zoekt naar een actuele betekenis van bijbelse verhalen. Haar zoektocht lijkt vooralsnog niet religieus getint, wel dient deze een hoger ideaal, waarvan misschien al een voorbode te lezen was in [haar vorige bundel] Koffers zeelucht. […] In Loper van licht heeft Hagar Peeters dat onrecht aan de kaak gesteld. Maar ze is er niet in geslaagd dat ook in woorden voelbaar te maken en ons zo een nieuwe blik te gunnen op wat we al uit kranten of documentaires wisten of in sommige romans lazen.'

Wasdom

Peeters' vierde bundel Wasdom kreeg net als de voorgaande bundels veel lof. Volgens Arie van den Berg (NRC Handelsblad, 28 januari 2011) was de bundel 'een allegaartje', maar ook 'een doos van Pandora waarin het goed grabbelen is, maar die zich ook heel wel van de eerste naar de laatste greep laat doornemen'. De kracht van Peeters was volgens hem 'dat ze alle mogelijke stijlregisters beproeft en daarbij de paradox niet uit de weg gaat'. Ook loofde hij haar taalgebruik, woordkeus, haar beheerste stijl en poëtische kunstgrepen.

In het Brabants dagblad van 16 maart 2011 noemde Mario Molegraaf Peeters’ werk ‘soms overdadig’, maar hij relativeerde dat door te zeggen dat Peeters 'in alles fel en hevig is' en dat die 'uitbundigheid' bij haar hoort. Over de gedichten noteerde hij: 'In vrijwel allemaal schuilt een lied, vanwege de frisse taal, de subtiele rijmen.'

Eric Kok schreef in het Haarlems dagblad van 6 april 2011: 'Hagar Peeters bevestigt haar naam als dichter met haar vijfde bundel Wasdom.' Het feit dat Peeters weer over de liefde schreef, vond hij geen probleem: 'Er zijn geen andere moderne dichters die zo over de liefde kunnen schrijven als Peeters: nieuw, speels en geloofwaardig.'

De schrijver is een alleenstaande moeder

De 'gulle' bundel De schrijver is een alleenstaande moeder werd door critici verschillend ontvangen. Het idee van de (mannelijke) schrijver als moeder vond Dieuwertje Mertens (in Het Parool, 4 oktober 2019) 'een origineel uitgangspunt: als de creatie geboren is, draagt alléén de schepper verantwoordelijkheid'. Ook de gedichten over poëzie 'zijn interessant omdat ze eigenlijk haaks op de poëtica van "de alleenstaande moeder" staan.' Het onderzoek is tegelijk wetenschappelijk en persoonlijk. Minder geslaagd vond Mertens de langere gedichten en vooral 'In de kelder', omdat de stem van Elizabeth Fritzl, door haar vader opgesloten in een kelder en zeven maal door hem bezwangerd, 'de nieuwsfeiten nauwelijks ontstijgt.' Mertens vond het eigenlijk geen gedicht: 'Het in strofes gehakte proza bevat geen verrassing, twist of talige afwijkingen waardoor gelaagdheid ontstaat.'

Alfred Schaffer werd ook geïntrigeerd door het thema en geërgerd door de vorm, zoals hij uitlegde in De Groene Amsterdammer (9 oktober 2019): het is 'een boordevolle bundel, maar ook een die me teleurstelde. Een paar gedichten vind ik eruit springen, zoals "Tweede schooldag, bus", "De proeftuin des levens", het slotgedicht en de reeks voor Lucebert. Maar in veel gedichten is de taal vaak moeizaam, omslachtig en onnodig plechtig.' Het gedicht 'In de kelder' gooide geen hoge ogen bij hem: 'wat ik lees kan ik ook nalezen in artikelen'. Het thema sprak hem echter aan: 'Volgens Gerrit Achterberg was de dichter een koe. Peeters heeft met de alleenstaande moeder een nieuwe en interessante metafoor te pakken, die licht kan werpen op man-vrouwverhoudingen, verwachtingspatronen, kunstenaarschap. De poëzie had echter sterker kunnen uitpakken.'

Op de poëziesite 'Meander' (2 december 2019) schreef Eric van Loo ook met gemengde gevoelens over deze bundel, eigenlijk op dezelfde gronden: te weinig poëzie, te veel proza. Ook hem trof het gedicht 'De proeftuin des levens' vanwege het 'mannelijke' perspectief: 'Met de combinatie moeder - hij - weeën - hem krijgt het begrip genderneutraal taalgebruik een volledig nieuwe dimensie.' De lange gedichten zijn hem te overdadig, 'teveel woorden', maar het met gesloten ogen aanhoren van het eerste gedicht 'Zomernachtzang' (online beschikbaar) vond hij bedwelmend. Hij was een van de weinige critici die aandacht besteedde aan de sectie 'Gesproken chansons'', al kon hij er niet veel mee: 'Deze afdeling valt behoorlijk uit de toon bij de rest van de bundel'. Het was, al met al, een 'forse, afwisselende bundel', waarin de liefhebber zich kan laven aan 'grillige, associatieve, vermeend biografische en incidenteel lyrische gedichten'.