De gedichten van Hannah van Binsbergen, 2014-heden

Vooromslag van Hannah van Binsbergen, Bedoeld voor Van Oorschot (2014)

Bedoeld voor Van Oorschot (2014)

Hannah van Binsbergen debuteerde in september 2012 met haar gedicht ‘Arbeidstrilogie’ in het online literaire tijdschrift Samplekanon. Daar kreeg ze enthousiaste reacties op. Ook werd ze benaderd door de redactie van het literaire tijdschrift Tirade. In mei 2013 publiceerde Tirade zeven gedichten van Van Binsbergen. Het tijdschrift is een uitgave van Van Oorschot en Van Binsbergen kwam vervolgens in contact met de uitgever. Zij sloten een contract voor de uitgave van een bundel. Na een jaar werd dit contract echter weer ontbonden, vanwege een meningsverschil over de definitieve inhoud van de bundel.

Min of meer als grap gaf zij, met haar vader, dichter en antropoloog Wim van Binsbergen, in 2014 een bundel in eigen beheer uit met als titel: Bedoeld voor Van Oorschot. Het is een verzameling van eerder gepubliceerde of voorgedragen gedichten. De uitgave bevat zeventien gedichten, opgedeeld in vier afdelingen, en een prozafragment.

Op het achteromslag staat een enigszins bombastische tekst over haar:

Zij heeft in Nederland en Vlaanderen erkenning gevonden als vooraanstaand woordvoerster van haar generatie. Om die reden werd zij al vroeg gecontracteerd door Uitgeverij van Oorschot te Amsterdam. Tot deze besefte (toen redactionele aanwijzingen en oordelen weerstand ontmoetten) dat het voordeliger en veiliger blijft uitsluitend gesubsidieerde of dode auteurs uit te geven – overeenkomstig de klassieke kenschetsing van deze uitgeverij door ex-Van Oorschot auteur Willem Frederik Hermans, een halve eeuw geleden. Vanzelfsprekend was Uitgeverij Van Uitschot, gevestigd in de uitgeversstad Haarlem, dadelijk bereid om te publikatie over te nemen. Deze bundel toont immers een groot eigentijds talent met een krachtig en onmiskenbaar eigen geluid.

W. F. Hermans schreef in 1962 na zijn breuk met uitgever Van Oorschot de satirische eenakter ‘Uitgever Oorwurm’, een woordspeling op de naam Van Oorschot. En in zijn roman Uit talloos veel miljoenen uit 1981 liet Hermans de uitgever optreden onder de naam ‘Dick Hosselaar’. Van Binsbergen verwijst met een knipoog naar Hermans’ ruzies met Van Oorschot, door het ‘imprint’ waaronder ze haar bundel uitgaf ‘Uitgeverij van Uitschot’ te noemen. Ook het uitgeversmerk en het omslagontwerp zijn variaties op de vroege uitgaven van uitgeverij Van Oorschot die werden ontworpen door Helmut Salden.

Van Binsbergen maakt ook binnen haar poëzie veel gebruik van humor. Hoewel ze zware, serieuze onderwerpen behandelt, gaan die vaak gepaard met verrassende beelden of wendingen, zoals in ‘De grote liefde’, waar de uitvaart van een dichter wordt beschreven:

Iemand zei ooit boven het lijk van een dichter   
dat hij een betere wereld waardig was   
jij spuugde hem in zijn gezicht omdat   
dat domme gelul precies is wat er mis is met de wereld   
en het stemde de dichter somber dat hij zo’n mooi moment   
niet meer mee mocht maken. (p. 50)

Van Binsbergen schetst hier een tegenstrijdige situatie. ‘Iemand’ praat ‘boven het lijk van een dichter’ en ‘jij’ spreekt diegene tegen: het is een meningsverschil dat door die dode dichter juist een ‘mooi moment’ wordt genoemd. Hoewel de dichter overleden is, en dus niet emotioneel, maar alleen met zijn lichaam aanwezig kan zijn, is hij toch in staat te betreuren dat hij precies dat mooie moment niet mee kan maken.

Haar humor is niet cynisch bedoeld, aldus Van Binsbergen. In een interview met Leonie Breebaart in De Volkskrant (6 augustus 2016) zei ze: ‘Humor laat juist zien dat iets je aan het hart gaat. Dingen die echt waar zijn, die kan je niet zomaar even zeggen, daar moet je omheen, met een grap. Juist zo’n omtrekkende beweging laat zien dat daar kennelijk iets heel zwaars zit waar je niet direct op af kunt.’

Van Binsbergen speelt ook met de vormgeving van haar gedichten. De titels staan halverwege de pagina, de gedichten beginnen daaronder en zijn daardoor altijd over meerdere bladzijden verspreid. Daarnaast worden regels die te lang zijn rechts uitgelijnd. Voor het gedicht ‘Aan de rand van stadsvernieuwingen’ versterkt deze opmaak de mogelijke betekenis. In het gedicht blikt de ik-persoon terug op het einde van een relatie. De afwezigheid van haar partner laat een leegte in haar achter:

Maar hier, in een kantine
onder de rook van het nieuwe, nee, dat niet
maar laat me nog wat beter naar je kijken voordat ik me over het
              gat buig dat ik heb veroorzaakt.
(p. 47)

Doordat de laatste regel rechts is uitgelijnd, wordt de leegte voor de lezer visueel gemaakt. Je moet je ogen over een gat in het gedicht buigen, voor je bij het woord ‘gat’ zelf aankomt. In haar officiële debuutbundel Kwaad gesternte is deze opmaak echter losgelaten, en gaat dit effect dus verloren.

Vooromslag van Hannah van Binsbergen, Kwaad gesternte (2016)

Kwaad gesternte (2016)

In 2016 verscheen Van Binsbergens debuutbundel Kwaad gesternte bij uitgeverij Atlas Contact. Deze uitgave bevat twaalf van de zeventien gedichten uit Bedoeld voor Van Oorschot en daarnaast negentien nieuwe. De laatste vijf gedichten behoren tot een aparte afdeling, ‘Correspondenties’, en zijn in de vorm van brieven aan verschillende geadresseerden. De 31 gedichten verschillen veel van elkaar in (regel)lengte en opzet, maar vrijwel allemaal zijn ze vanuit een ik-persoon geschreven, die vaak een u of jij aanspreekt.

Het omslag ziet er heel anders uit dan Bedoeld voor Van Oorschot, dat geïnspireerd was op de klassieke omslagen van Van Oorschot. Bij Kwaad gesternte neemt ‘KWAAD’ in dikke, zwarte kapitalen diagonaal het omslag in beslag. De letters van ‘gesternte’ zijn losjes over de pagina verspreid, als de stand van sterren die samen een sterrenbeeld vormen. Ook de zetwijze verschilt. Waar sommige gedichten in Bedoeld voor Van Oorschot rechts uitlijnen – dus tegen de rechtermarge – zijn ze in Kwaad gesternte op de traditionele wijze links uitgelijnd.

Kwaad gesternte opent met een titelloos gedicht. In de eerste zin wordt meteen een belangrijk thema geïntroduceerd, namelijk dat van de kritiek op het marktdenken:

Nu iedereen met me meekijkt kan ik eindelijk beginnen   
te groeien naar de markt.
(p. 7)

De lezer kijkt met de dichter mee door het lezen van deze dichtbundel, hoe klein de markt voor poëzie ook is. Maar niet alleen de lezer, ‘iedereen’ kijkt met haar mee. Daarmee worstelt de ik in het vervolg van het gedicht:

Ik hoef mijzelf niet meer te dwingen een gezicht op te   
zetten om naar buiten te gaan. Al mijn gezichten zijn bekend,   
gezien in medische catalogi, besproken in ondergrondse   
correspondenties, beproefd in het gebruik. Ik wil eruit   
maar nergens ben ik veilig, mijn geweten is iets lichts   
geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door   
iedereen gezien word.   
(p. 7)

In de huidige samenleving, vol sociale media en veiligheidscamera’s, word je altijd door anderen bekeken. In Bedoeld voor Van Oorschot had dit gedicht nog de veelzeggende titel ‘IJdele wens om ondergronds te gaan’. De ik-persoon ‘wil eruit’ stappen en niet meer deelnemen aan deze maatschappij, maar de vraag is hoe: ondergronds gaan blijkt geen optie.

Daarnaast worden er in de bundel enkele jeugdherinneringen onder de loep genomen. Zo denkt een ik-persoon in ‘Vroeger had ik iets’ terug aan het ‘iets’ dat ze verloren is:

het was niet groot maar groot genoeg om niet verwacht te worden   
het was taai en zorgde dat ik met een schoon geweten   
die rooie op zijn bek kon slaan   
niemand die het zag   
(p. 8)

In het heden heeft ze dat ‘iets’ niet meer en worstelt ze met een gebrek aan houvast. De ik-persoon ziet dat de jongen die ze zes jaar geleden een klap gaf het nu nog meer verdient, maar ze is niet meer in staat hem te slaan:

ik kijk hem aan – het is nu zes jaar later –   
en zie dat hij het meer verdient dan ooit maar vroeger had ik iets   
wat net buiten mijn handen lag en dingen voor me deed die niemand zag   
(p. 8)

Terugkijkend op vroeger ziet de ik in dat ze als volwassene bepaalde beslissingen niet meer geheel in eigen hand heeft. Dit wordt benadrukt door de verwijzingen naar handen en handelingen, zoals het slaan. Een kantoorbaan van 9 tot 5 bepaalt bijvoorbeeld voor je hoe laat je op kunt staan om op tijd aan te komen:

ik kies ervoor om op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat niet   
enkel in mijn handen ligt   
(p. 8)

De worsteling tussen iemands wensen als individu en de eisen van de maatschappij komt ook naar voren in ‘Nu is ook nu’. De ik-persoon vraagt zich af wanneer een mens nu echt vrij is. Ze verkent een aantal mogelijkheden om die vrijheid uit te testen, door het dagelijks leven abrupt stop te zetten of te vluchten:

je zou bijvoorbeeld nu je vingers kunnen steken   
tussen de ventilator van je leven   
in de supermarkt gaan werken en dan jong en mooi je graf in rollen   
je kan voorgoed het bos in rennen   
een leven onder de waterval   
als Caspar David Friedrich   
(p. 10)

Caspar David Friedrich (1774-1840) was een Duitse schilder uit de periode van de romantiek. Tot die tijd dienden landschappen gewoonlijk enkel als decor van menselijke handelingen. Friedrich stelde de natuur juist centraal. Het gaat in zijn schilderijen om de zoektocht naar het Sublieme, een overweldigende, haast goddelijke ervaring die met name in de ongerepte natuur gevonden kan worden. De ik-persoon verlangt hier ook naar: ze wil in de natuur haar dagelijks leven ontvluchten om te ervaren wat echte vrijheid is.

Er lijkt een speciale rol voor dichters te zijn weggelegd in de zoektocht naar wat vrijheid is. De ik-persoon verlangt ernaar

Een samenhang te zoeken in de gewonde literatuur   
van het dagelijks leven. Iemand een verbanddoos aan te reiken en samen   
op de vlucht te gaan als iedereen ons waarneemt   
vanaf iedere denkbare plaats.   
(p. 26)

Een schrijver kan de samenhang zien tussen verschillende dingen in het dagelijks leven die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. Hierin echoot het gedachtegoed van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867). De bundel bevat veel verwijzingen naar hem en zijn werk. De afdeling ‘Correspondenties’ in Kwaad gesternte verwijst waarschijnlijk naar Baudelaires sonnet ‘Correspondances’. Zijn gedicht drukt het idee uit dat de wereld een systeem vol samenhang is, maar alleen de dichter in staat is deze samenhang te ervaren en te verwoorden. Zo kan zij verschillende elementen als een ‘verbanddoos’ aan elkaar verbinden.

Naast de neiging om de maatschappij te ontvluchten, vraagt de ik-persoon zich vaak af hoe ze haar (werkende) leven in zou moeten richten bínnen de maatschappij. Van de gebaande paden moet ze weinig hebben:

hoe kun je jezelf een weg voorleggen   
die nog waarschijnlijker is dan deze   
(p. 27)

Ook het kleinburgerlijke huisje-boompje-beestje wordt gehekeld:

ik vraag me af of ik te lui ben om normaal te doen   
elke dag hetzelfde gebouw binnengaan    
te streven naar iets anders dan twee kippen en een oude Opel   
maar anderszins is het volmaakt gematigd   
want je hoeft niet in een huis te wonen, Tanya,   
je wilt graag in een huis wonen   
(p. 32)

Daarnaast worden verschillende relaties verkend. De ik-persoon is hierin nog zoekende, terwijl de mensen om haar heen wel lijken te weten wat ze doen. Daarom hoopt ze op een teken van herkenning in haar partner, zodat die haar wat houvast kan geven:

Maar ongetwijfeld   
begrijpen jullie alles en ben ik eens te meer gewoon een idioot   
in een nieuw en spannend tijdperk van slapeloosheid.   
Het plan is: iets te herkennen wat in ons   
eindeloos herhaald moet worden   
omdat het anders uitgevaagd is   
voor het in kan dalen.   
(p. 45)

Maar ook de keerzijde van de liefde komt aan bod. Van Binsbergen verwoordt de voortdurende dreiging van (seksueel) geweld die vrouwen in heteroseksuele relaties kunnen ervaren. In de eerste strofe van het titelgedicht trekt de ik-persoon een harnas aan – juist een traditioneel mannelijke manier van verdediging – om zichzelf te beschermen tegen dat mogelijke geweld:

Het is woensdag en ik mag een harnas kiezen dat geweld   
op afstand houdt, in alliantie met de Vijanden van Vernedering.   
Als ik mijn benen weer bij elkaar doe, word ik moeier en moeier;   
ik kan wachten in mijn wapenrusting of het rokje dat hij mooi vond, hij   
zal niet komen. Ik bijt hem, hij moet het afleren.   
(p. 19)

In veel gedichten uit deze bundel gaat het om de angst die het vrouwzijn met zich meebrengt. Van Binsbergen vertelde in het interview met Leonie Breebaart dat ze een zin op het internet las die die angst goed samenvat: ‘Mannen zijn bang voor vrouwen, omdat ze bang zijn door hen uitgelachen te worden; vrouwen zijn bang voor mannen, omdat ze bang zijn door hen vermoord te worden.’ Het is een uitspraak van de Canadese schrijver Margaret Atwood. Deze angst komt ook terug in haar gedichten. Er is altijd de mogelijkheid dat mannen verkeerde bedoelingen hebben, met zelfs de dood tot gevolg:

ik wil van mannen houden maar ik ben bang   
dat ze me zullen vermoorden.   

En:

Julia in een ommuurde boomgaard   
werpt je een schalks kushandje toe   
de ladder valt om, help haar omhoog   
ze heeft iemand nodig zoals jij.   
Neem haar mee uit eten, voer haar dronken   
en leer haar dat wrok en gekwetste trots   
een sieraad voor de vrouw zijn.   
Herhaal dit proces een keer of vijftig   
garneer haar met wortel en peterselie   
en je zult zien dat er niets van haar overblijft.   
De enige goede meisjes zijn dode meisjes.   
De mooiste meisjes zijn bleek als een lijkwade   
en zwijgen als het graf.   
(p. 49-50)

Het gedicht gaat niet alleen in op de mogelijkheid gedood te worden, maar ook op de manier waarop vrouwen monddood worden gemaakt. Ze krijgen als slachtoffer vaak zelf de schuld van het geweld, bijvoorbeeld omdat ze dronken waren of het zelf uitlokten door hun manier van kleden. Daarom zwijgen ze er vaak over.

Sinds #MeToo is er verandering gekomen in deze mentaliteit en spreken vrouwen zich meer uit. In de Verenigde Staten ging Patricia Lockwood viral met haar gedicht ‘Rape Joke’ (25 juli 2013). Hierin praat ze over haar verkrachting, die ze tien jaar verzweeg, en uit ze kritiek op seksueel geweld als onderwerp waar vaak grappen over worden gemaakt. In Nederland onderzocht Maartje Smits het onderwerp in haar dichtbundel Als je een meisje bent (2015). Ze kaart onder meer het feit aan dat de politie aangiftes over seksueel geweld vaak niet serieus neemt, en ook dat is een reden dat vrouwen (en mannen) blijven zwijgen. Van Binsbergen sluit met Kwaad gesternte dus aan bij de MeToo-beweging, die de manier waarop de samenleving met seksueel geweld omgaat niet meer pikt.

Vooromslag van Nika Toerbina & Hannah van Binsbergen, Mijn leven is een schetsblad (2017)

Mijn leven is een schetsblad (2017)

In 2017 publiceerde Hannah van Binsbergen een viertal gedichten in Mijn leven is een schetsblad. De gedichten begeleiden de twaalf vertaalde gedichten in deze bundel van het Russische wonderkind Nika Toerbina(link is external) (1974-2002). Zij begon op haar achtste met dichten en debuteerde op haar tiende. In haar gedichten verwoordt ze in een geheel eigen denkwereld een haast angstaanjagende fascinatie voor de dood, schrijft Van Binsbergen in de inleiding van de bundel. Toen ze volwassen werd verloor Toerbina haar talent, ze was zelfs niet meer in staat haar vroegere poëzie voor te dragen. Ze raakte verslaafd aan de drank en pleegde op 27-jarige leeftijd zelfmoord.

Van Binsbergen schreef voor de VPRO het poëtische hoorspel Nika(link is external) over Toerbina’s tragische levensloop (uitgezonden op 23 december 2017). Hierin heeft ze gedichten uit Mijn leven is een schetsblad, van zowel Toerbina als zichzelf, tot een geheel gesmeed. Het hoorspel wordt niet chronologisch verteld, maar bevat veel tijdssprongen. Zo komen afwisselend de moeder, de jonge Nika en de volwassen Nika aan het woord.

In het hoorspel heeft Nika veel aandacht voor de wereld om haar heen, en ook de natuur krijgt een stem. Zo zingt de rivier een gedicht van Van Binsbergen, dat ook is opgenomen in Mijn leven is een schetsblad. Het gaat over de verdrietige geluiden, van dood en verlies, die er in het bos waar de rivier doorheen stroomt te horen zijn:

huil maar dieren huil maar   
huil maar jager die het hert doodschiet   
huil maar jong hert dat zijn moeder verliest   
huil wind die het blad van de takken blaast   
huil maar snijbloem halfdood in je vaas   
je broeders in ’t veld blijven argeloos knikken   
en blijven doof voor je bittere snikken   
terwijl het water stijgt en op zijn tijd   
alle bloemen van hun stelen snijdt.   
(p. 24)

Het hoorspel eindigt als Nika van haar balkon springt. Vlak voor dat moment draagt ze een fragment voor uit ‘De zin van het leven’, een van Toerbina’s vertaalde gedichten in Mijn leven is een schetsblad:

Geen overbodige woorden   
Geloof gewoon   
Dat er morgen weer een dag komt   
En tel opnieuw de treden als je gaat –   
Trappetje op   
Trappetje af.   
(p. 16)

De laatste regels krijgen nu een dubbele lading. In Mijn leven is een schetsblad is het fragment een aanmoediging om, als je de zin van het leven even niet meer inziet, van dag tot dag, stapje voor stapje te leven. Maar in het hoorspel hoor je dat Nika de trap op gaat naar het balkon en er dan vanaf stapt, wat juist haar einde betekent.

In een interview met Tom Rooduijn voor Radio Doc (26 november 2017) verbond Van Binsbergen haar onderwerpkeuze van dit hoorspel aan Kwaad gesternte. Op de achterkant van haar debuut staat de zin: ‘Deze gedichten gaan over wat zwarte magie en politiek radicalisme gemeen hebben.’ Volgens Van Binsbergen is wat ze gemeen hebben: zelfmoord. Ze ziet zelfmoord als de ultieme weigering: dan stap je pas echt uit de maatschappij. Maar dan is er ook niet zo veel meer om op voort te bouwen.

In haar werk zoekt Van Binsbergen daarom naar andere manieren om tegen het systeem in te gaan. Of het nu over de maatschappelijke omgang met seksueel geweld, arbeid of privacy gaat, ze laat voortdurend mensen aan de ketenen rammelen.

Voorzijde omslag van Hannah van Binsbergen, Kokanje (2022)

Kokanje (2022)

Het Land van Kokanje, waarnaar deze bundel is genoemd, is een alternatieve term voor Luilekkerland of Het Land van Melk en Honing. Het is een sprookjesland waar niemand hoeft te werken en eten en drank in overvloed beschikbaar zijn voor iedereen. Kortom, Kokanje is een fantasie en een utopie. 

Het verblijf in zo’n land is echter eentonig, omdat er nergens meer voor gestreden hoeft te worden. Leven wij in zo’n land, lijkt Hannah van Binsbergen in haar gedichten te onderzoeken, of zijn we het stadium van de verzorgingsstaat uit de jaren zestig en zeventig alweer voorbijgestreefd?

Aan het begin van de bundel staat het gedicht ‘Feiten over het paradijs’, nog zo’n utopische plaats, maar de feiten liegen er niet om:

het is omheind.

de weg erheen bespookt door taken.

[…]

vroeg of laat vindt de douane je.

alleen de leegste zielen waaien op naar de onsterfelijkheid

jij en ik, Vicinus, en de rest van de heffe

komen er niet in.   
(p. 15)

Alle regels zijn door een witregel van elkaar gescheiden, alsof in het paradijs niets naast elkaar kan bestaan. Intussen gaat dit gedicht, zo lijkt het, over buitenstaanders. Vicinus is Latijn voor ‘naburig’.

In de eerste sectie ‘De waarheid in Luilekkerland’ – niet de waarheid over Luilekkerland – wordt op weg gegaan, gedreven en gewandeld en dat is werk:

[…] elke dag te werken aan het grote gedicht van wandelen heet.   
(p. 17)

Er zijn verwijzingen naar iemand die 270 jaar is geworden (wie is dat?) en naar een ‘volgend hoofdstuk’, waardoor we niet fysiek lijken te reizen, maar in de fantasie, met gebruikmaking van:

Ons alfabet, ons plaagtuig. Een borgpen voor    
een schommelend visioen zolang de pot nog papt   
(p. 18)

En zo groeit een bundel met raadsels en archaïsmen, ongrammaticale en onaffe zinnen, maar steeds met beelden die beklijven en standpunten die axioma’s zouden kunnen zijn. De reis is soms duidelijker dan het doel, het doel ongrijpbaar, maar denkbaar. Het alfabet en de fantasie werken op volle toeren:

Geef ons één dichter die de zee begrijpt   
Of een handvol inktvissen die trachten   
hem inzichtelijk te maken.   
(p. 21)

Het primaat lijkt bij de dichter te liggen en die staat voor alle buitenmaatschappelijke mensen die alleen in de fantasie lijken te mogen bestaan:

een visioen dat ondermaans wil worden   
een verbond met een donker uitspansel     
(p. 23)

De gedichten zijn soms zo kort als spreuken, dan weer lang en rijmend, of opgeschreven als proza. Er zijn in deze bundel geen vaste vormen, er lijkt geen vaste grond onder de voeten van de lezer te komen:

En het bestaat   
maar moet het niet worden vergeten?   
(p. 26)

Een tocht zonder zekerheden met ‘een narrenschip’ (p. 18) naar ‘een vreemde stad’ (p. 28), een ‘brug over, beginnen een de gevaarlijke zeereis’ (p. 35): een leven zonder ‘werk’:

Sommige mensen zeggen tegen me: ‘Wat weet jij van het leven, jij werkt niet eens.’   
Maar ik ga iedere dag door met leven, denken jullie soms dat dat makkelijk is?   
Denken jullie dat dat geen werk is?   
(p. 33)

De laatste strofe van ‘Goed begin’ illustreert dit gevoel:

Op zoek naar bondgenootschap viel ik in vreemde armen   
ik had een kleine rol in een musical   
ik kreeg verschillende verzoeken binnen   
de kostuumwissels werden me fataal.   
Ik had een pony en een jachtgeweer   
ik dronk sterke thee in de avondschemer   
in de verte hoor je een jakhals janken   
een vreemd voorgevoel nam van me bezit.   
Ik had zes dochters die ik nooit vergat te voeren   
ik had een plan; er kwam niets van terecht.    
Mijn fiets werd gestolen op weg naar de winkel   
ik keerde onverrichter zake terug.   
(p. 36)

Het reizen gaat gepaard met rampspoed die snelle lopers achtervolgt (p. 37) en aan het einde van de ‘reisnacht’ ben je niet een ander geworden, want:

je verdwijning in het lopen is mislukt   
(p. 39)

De reis naar Utopia, Kokanje, of waarheen dan ook lijkt te mislukken, maar ondanks dat wordt gedacht aan ‘usufruct geluk’ (p, 45), er wordt aangedrongen: ‘geniet in wrede’ (p. 46), de dood wordt ‘een krachtig motief om te vrijen’ (p. 49), er wordt getreuzeld:

Ik denk dat ik het kan maar kan het?   
(p. 52)

In ‘Een ronde wind belaagt de huizen’ wordt een storm beschreven en in het midden van het gedicht is een witte plek gelaten, een ruimte omgeven door tekst: dat is het hart van de windhoos waar het rustig is, stil, het is een soort Kokanje. De tekst zelf is dan tegelijk niet Kokanje natuurlijk, want dat gaat kennelijk niet samen. De fantasie kan wel dromen van Kokanje, maar kan er niet mee samenvallen, net als woorden de werkelijkheid niet zijn:

De echte mythe is de valsheid zelf.

O en ach ik ben een stegenjong:   
van een leeg boek kun je ook veel leren, spiegel van de   
vreemdste talen je verbeelden dat je het nog kunt volgen,   
waar de karakters zich herhalen het patroon huist in het   
oog of is het de natuur die psst pssst pssst zegt?   
(p. 58)

In ‘Het portret’ formuleert Van Binsbergen gedachten over leven en dichten: waarom en hoe moet je dat doen?

Iedereen verkeert een beetje met eenieder   
zwerft en wankelt in een droom die plotsklap   
eindigt. Leert daarmee te leven.   
(p. 61)

Het schrijven, zegt ze, heeft zich ingevochten; ze schrijft zodat zij zich kan bedenken.

Aan het slot van de bundel is er een tweede afdeling ‘De waarheid in Luilekkerland’ waarin wordt gezegd dat we ‘de omgekeerde wereld’ hebben gevierd, een literair motief dat net zo populair was als Kokanje. Van Binsbergen zegt dat zij lachen en wenen door elkaar haalt, net als fout en ongeluk, ‘zoals ik niets weet’ (p. 68). Dat is in de omgekeerde wereld niet anders dan in de echte wereld.

De dichter blijft een soort zwerver, op weg naar Kokanje of niet:

Tussen afzetmarkt en afvalbelt   
ziet haar kans de schooier schoon.   
Tafelschuimers worden   
niet geboren maar gemaakt.   
(p. 70)