Gedichten van Armando, 1951-1964

Vooromslag van Armando, Verzamelde gedichten (1964)

'Verzamelde gedichten' als debuut

In de Boekenweek van 1964 verscheen op 5 maart de eerste poëziebundel van Armando, met de merkwaardige titel Verzamelde gedichten 1951-1963. De titel lijkt overmoedig: wie begint zijn carrière nou met een verzameld werk? Meestal eindigt een dichtersloopbaan daarmee. Ook omdat deze bundel lang niet alle gedichten van Armando uit 1951-1963 bevat, is ‘verzameld’ hier niet gelijk aan ‘volledig’.

Maar deze dichtbundel sluit ook wel degelijk een periode af, want Armando heeft er gedichten in opgenomen die hij publiceerde van 1954 tot en met 1963. Vanaf het begin zet de dichter Armando vaststaande beelden op z’n kop. Het eerste gedicht uit de bundel verscheen in 1954 voor het eerst in het tijdschrift Podium, maar werd al in 1951 geschreven. Dit gedicht, de ‘Oosterse Dancing’, introduceert gelijk de thematiek die later zo belangrijk voor Armando wordt, die van de dader, het slachtoffer en de schuldvraag.

ik kom naar de oosterse dancing

4 uur later zal men haar vinden

een dolk van hollandse makelij

en een wit wolkje

toen

is het water over mijn handen gestroomd

als een gladde steen op mijn buik

en de moordenaar a. zal nooit bekennen

en dat weten ze


(p. 7)

Deze regels gaan over een geweldsmisdrijf. Geweld staat centraal in dit gedicht en daarmee ook de verhouding tussen dader en slachtoffer. Er wordt iemand om het leven gebracht, maar de dader lijkt zijn handen in onschuld te wassen. ‘Het water over mijn handen gestroomd’ verwijst naar de uitspraak van Pilatus (in Mattheüs 27: 24), die de onschuldige Jezus op last van het volk schuldig verklaart. Deze verschuiving van schuld en de relatie tussen dader en slachtoffer van het geweld is een cruciaal thema in het gehele werk van Armando.

De essentiële thematiek rond het geweld is zo al in zijn allereerste gedichten aanwezig. De op dit debuutgedicht volgende gedichten behoren tot een serie, waarin het thema doodslag centraal staat.

De poëzie van de jonge Armando lijkt hier soms nog op die van de Vijftigers. Zijn sierlijke stijl herinnert aan Lucebert, de koelere blik aan Gerrit Kouwenaar.

je zult met mij een reis een onvoltooide reis maken

je zult met mij een dier een onvoltooide rat zijn

armando je zult met mij een dierlijke maand bloeien

ik liet haar mijn onvoltooid verleden zien

ik liet haar mijn angsten zien

we liepen samen op mijn bodemloze fiets door de stad


(p. 8)

De herhalingen geven de tocht een bezwerend karakter. De bezwering wordt geuit in een heftige liefdesrelatie, waarbij de ik-figuur Armando zich overgeeft en zijn angsten aan de vrouw laat zien. De bloeddorstige toon wordt voortgezet en de ik-figuur haalt het dierenrijk en de zweep aan om gezag en angst in te boezemen:

vijf zwepen in de koffer en vlug dan als een vleugel

klappend met de tong over de dikke poten der leeuwen

het leeuwenhok! We rennen in gedachten,

volgorde: leeuwen, ik en bloedend vlees.


(p. 16)

Het bloedende vlees is een voorafschaduwing van wat komen gaat, een crime passionnel. Er vindt een moord plaats en de rest van de reeks staat in het teken van de afwikkeling van die moord. De meedogenloosheid wordt versterkt door de gedachten van de ik-figuur:

, de scherf boven het lijk gewoon opengevreten

met land en tand

, begon als een wilde roepend jij hier als menner! jij

als een scherf in mijn marmer!


(p. 47)

De regel begint met een komma, iets wat tegen de regels van het Nederlands indruist, maar hier duidt op een eerdere gebeurtenis. De lezer valt in het midden van de actie: de dader is woedend op zijn slachtoffer, de reden blijft achterwege. De woede die hier wordt opgeroepen staat in direct verband met geweld en schuld. De geliefde van de ik-figuur is vermoord en verworden tot een scherf.

Dit idee van afscheid nemen van een geliefde wordt benadrukt door het ‘lege zelfportret’ aan het einde van de reeks. Deze regels hebben iets weg van een overwinning, want ‘leegte’ is in deze moderne tijd moeilijk te bereiken:

zo voor de stemmen, mijn sterke lichaam

in de longen van een steen,

armando

niemand (wie geraden werd te bukken

hand te wegen en beramen) overleeft.

lenig als de bodem, het bloed zucht in zijn handen

, het lieve sluipen went al, zijn geheim

ergens aan de aarde

, te veel te noemen


(p. 53)

Het zelfportret is een korte excursie langs rustiger vaarwater, want Armando knalt deze eerste reeks uit met een daverend salvo:

, zo niet te kreupel dan haat voor

zwakken

mijn tong: snijden en verbranden

adem (als eva) inhouden en de jonge vrouwen

in hun stralend bloed te branden


(p. 58)

Deze regels doen vermoeden dat het misdrijf niet over één vermoorde vrouw gaat, maar om meerdere. Armando draait de scheppingsmythe om en laat de vernietigende kracht van de mens zien, in bijzonder de dader, in dit geval een man. In Genesis is Eva de dader.

Cycli ‘Boksers’ en ‘September in de trein’ (1962-1963)

Na de eerste reeks titelloze gedichten, volgen een drietal cycli. Deze cycli, ‘Boksers’, het Engelstalige ‘Fighters’ en ‘September in de trein’ stammen uit de jaren zestig. Deze gedichten vormen een stijlbreuk met de jaren vijftig, al blijft de thematiek hetzelfde.

‘Boksers’ kwam voort uit zijn voorliefde voor deze sport en verscheen in 1962 voor het eerst in Gard Sivik, de spreekbuis van een nieuwe generatie. Armando was één van de redacteuren, evenals Hans Verhagen, Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager. Armando verklaarde in Kunst van nu (april 1965) dat zijn ‘boksgedichten een ommekeer in de Nederlandse literatuur’ betekenden: ‘ik heb geen woord zelf geschreven’. In Gard Sivik (1964, nummer 33) verklaarde hij de ‘Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit. Niet van de maker, maar van de informatie. De kunstenaar, die geen kunstenaar meer is: een koel zakelijk oog’. Deze werkmethode is ontleend aan de Duitse Zero-beweging: het overnemen van bestaand materiaal om dit tot kunst te verheffen, zonder er een oordeel over te vellen.

De cyclus boksers is opvallend afgedrukt in Gard Sivik (1964, nummer 33), de volgende regels staan vrijwel links bovenaan de pagina:

priem hem precies op z’n strot

godverdomme geen asem meer


(p. 61)

In deze twee regels zijn de boksers aan het woord, die elkaar uitfoeteren. Het publiek wordt echter ook betrokken bij het schouwspel, waarin afwisselend de ik-verteller (de bokser) spreekt en de trainer zich uit:

zeg: maak m’n handschoenen los. water.

zegt: toon zelfbeheersing.

zeg: maak m’n handschoenen los. water.

zegt: toon zelfbeheersing.

zeg: krijg de kelere-kanker met je zelfbeheersing. water.


(p. 63)

‘Boksers’ wordt gevolgd door een Engelstalige reeks, ’Fighters’, waarin het ook om boksen gaat, maar de toon is duidelijk niet spreektaal. Armando geeft de exacte bron niet prijs, al lijkt het te gaan om kranten of bokstijdschriften. Het macabere dringt ook door in de derde cyclus ‘September in de trein’, waarin een ogenschijnlijk alledaagse treinconversatie wordt gevoerd:

–wat is het stil, hè.

–nou.

–je kan merken dat de vakanties afgelopen zijn.

–ja, dat is geweest. niemand is meer met vakantie.

–een paar nog hier en daar.

–d’r zijn er nog een paar met vakantie, maar de meesten niet.

–nee, voor de meesten is het afgelopen.


(p. 75)

In genoteerde gesprekken als deze speelt bij Armando altijd iets onder de oppervlakte. De sprekers lijken over de vakantie te praten, maar gaat het niet eerder over het verliezen van vrijheid? Keer op keer gaat het in het gedicht over iets dat afloopt of afbreekt.

Het slot van de cyclus benoemt het aflopen expliciet:

–wat slingert dit rijtuig, hè.

–nou.

–je kan merken dat het het laatste is.

–ja.

–ja, d’r zit niks meer achter, hè.


(p. 77)

Dit vormt vrijwel een anticlimax vergeleken met het begin van de bundel. Een ogenschijnlijk onschuldige conversatie staat lijnrecht tegenover de ‘moord’, die eerder werd beschreven. Thematisch is er echter toch verwantschap; ook in de cycli uit de jaren zestig gaat het vaak om geweld, zoals in ‘Boksers’ en de gesprekken uit de trein krijgen juist door het ontbreken van commentaar iets lugubers.