De gedichten van Hester Knibbe, vanaf 2010

Vooromslag van Hester Knibbe, Het hebben van schaduw (2011)


Het hebben van schaduw (2011)

Het hebben van schaduw bestaat uit drie afdelingen: ‘Het hebben van tijd’, ‘Het hebben van plaats’ en ‘Het hebben van schaduw’. In deze bundel is ook het gedicht ‘Waterstraat’ opgenomen. Knibbe schreef dit gedicht voor de bundel Met eigen stem (2010), waarvoor vijf Rotterdamse dichters een gedicht schreven ter ere van het 150-jarig bestaan van het oudste schrijversstandbeeld van Nederland: het beeld van Hendrik Tollens in Rotterdam.

De eerste afdeling heet ‘Het hebben van tijd’. Hierbij kan je denken aan een alledaagse uitdrukking als 'heb je even tijd?' Tijd is echter relatief, het is voortdurend in beweging en niet iets wat je kunt vasthouden of bezitten. Knibbe speelt hiermee in de eerste afdeling, bijvoorbeeld in het gedicht ‘De kunst van het liggen’:

Men herkent een geest aan zijn voeten,
zei Baba, en groef een graf voor zichzelf
pal naast zijn liefste die daar al lag.

Van overal kwamen ze kijken hoe Baba
elke middag over de rand wipte, ging liggen
om dichter bij haar en daar met open ogen
naar het vliegen van vogels
(p. 15)

Wanneer iemand sterft, betekent dat een definitief einde van een leven, maar het leven in het algemeen blijft doorgaan. In het gedicht klimt een levend iemand iedere middag in zijn eigen graf om dichter bij zijn overleden geliefde te zijn. Knibbe combineert zo het definitieve einde van de dood met de voortgang van het leven nadat iemand is overleden.

De tweede afdeling heet ‘Het hebben van plaats’. In de eerste afdeling liet Knibbe zien dat tijd relatief kan zijn en hier beschrijft ze hoe ook een plaats relatief kan zijn. Hoe iemand een ruimte ziet en beleeft, bepaalt namelijk hoe die ruimte er in zijn ogen uitziet. Dit verschilt per waarnemer. Dit komt naar voren in de cyclus ‘Zintuiglijk’:

Zeg wat je ziet, zei de blinde.

Ik zie ik zie het gewone: verstrooiing
die blauw heet, wolken en vogels ertegen, dus
ook wat drijven, vliegen en wendbaarheid is.

(p. 36)

De ziende beschrijft de lucht, en noemt die ‘het gewone’. Dit lijkt een vreemde woordkeuze om iets te beschrijven aan een blinde, want alles wat mensen zien, is voor een blinde ongewoon. In het tweede gedicht zijn de rollen omgedraaid:

En jij? vroeg de ziende.

Kleur kun je niet zien met je vingers ook al heb je
de namen geleerd, zelfs schaduw blijft een koele
abstractie.

(p. 37)

De ziende vertelde over het blauw van de lucht, maar de blinde kijkt met zijn vingers in plaats van met zijn ogen. Hierdoor zal hij nooit weten hoe dit blauw er precies uitziet. Dit hoeft echter niet te betekenen dat hij niet weet wat de lucht is. De ziende en de blinde kijken op hun eigen manier naar dezelfde plaats en hebben er hun eigen voorstelling van.

De bundel sluit af met zes gedichten onder de titel ‘Feuille morte’, in de afdeling ‘Het hebben van schaduw’. De gedichten zijn opgedragen aan Knibbes zoon en zijn begeleid door de tekst: ‘In memoriam Aernout 25 november 1999-2009’. Op 25 november 1999 stierf hij aan de gevolgen van een hersentumor. Het eerste gedicht uit de cyclus:

Ik, die geen ik meer kan zeggen
ik, die mijn schaduw verloor of juist een en al werd
ik, die in elk geval werd, ik
moet het nu hebben van andere stemmen.

(p. 60)

Een schaduw lijkt iets vanzelfsprekends, iets wat er altijd is, maar is per definitie iets wat je alleen hebt, zolang je bestaat. Op het moment dat iemand niet meer bestaat, gaat ook zijn schaduw verloren. In dit gedicht wordt met de schaduw waarschijnlijk de zoon bedoeld. Je zou het overlijden van een kind kunnen zien als het voor de ouders onvoorstelbare verdwijnen van hun kind uit hun leven. Daarnaast kan iemands overlijden ook ‘een schaduw over iemands leven werpen’. Hierdoor kan het verliezen van schaduw met zich meebrengen dat iemand tegelijkertijd een en al schaduw wordt.

Vooromslag van Hester Knibbe, Archaïsch de dieren (2014)


Archaïsch de dieren (2014)

Voor Archaïsch de dieren ontving Hester Knibbe in 2015 de VSB-poëzieprijs. De cyclus ‘Er is altijd’ verscheen in 2013 albij Atalanta Pers, met linoleumsneden van Cees Andriessen.

De bundel begint in de eerste cyclus ‘Pro domo’ bij het begin van de schepping, in het Bijbelse paradijs. In eerste instantie lijkt alles daar zijn gangetje te gaan, maar al in het tweede gedicht is een omslag:

We hadden er niet om gevraagd
maar twijfel sijpelde binnen: hadden we
hersens gekregen om niet te willen
weten?
(p. 15)

In de Bijbel vindt de zondeval plaats nadat Adam en Eva eten van de boom met kennis van goed en kwaad. In het gedicht zorgt de wil tot weten ook voor het einde van het paradijs. In de overige vijf gedichten van deze cyclus gaat het over angst, het maken van fouten en eenzaamheid. Eenzaamheid wordt gepersonifieerd; ze krijgt menselijke eigenschappen zoals ogen en een stem. Door de afwisseling met cursieve teksten, wordt duidelijk wat eenzaamheid zegt:

Eenzaamheid werd een stem
die ons toesprak, kreeg van die ogen. Doen

zei de stem ondanks je zachtheid ben je
geschapen voor de verwoesting.
(p. 20)

Dit gedicht is te lezen als antwoord op de vraag: waartoe zijn wij op aarde? Het antwoord dat de lezer krijgt is weinig opbeurend: mensen zijn geschapen voor verwoesting. Je zou kunnen zeggen dat eenzaamheid leidt tot een sombere kijk op het bestaan. Het is een grote levensvraag waar Knibbe zich aan waagt, iets wat ze vaker doet in deze bundel, bijvoorbeeld in ‘de moeder’:

Wat wist hij ervan? Dood

kun je bedenken maar nooit echt
weten. Natuurlijk we zetten

fuiken en strikken, keelden en vraten
de weerloze beesten, maar

dat een mens daar zo stil in zijn dooie
lijf zou liggen was veel te.
(p. 30)

Het gedicht tast naar een antwoord op de vraag: wat is de dood? Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het doden van dieren om te eten en de dood van een mens, wat moeilijker lijkt te bevatten. De laatste regel is niet af. Door de regel te eindigen met een punt na ‘te’, lijkt het gedicht letterlijk geen woorden voor te hebben voor het beschrijven van de dood.

In de bundel staan veel vragen, maar, zoals het poëzie betaamt, nauwelijks echte antwoorden. In het derde gedicht uit de cyclus ‘Thebe’ zijn de verschillende vragen er allemaal gericht op de plek van de oude stad te vinden. Knibbe speelt met de scheiding tussen vragen en antwoorden, omdat elk antwoord tegelijkertijd een nieuwe vraag is:

Waar is de splitsing die ik over moet?
Vlak voor de plek die je zoekt.

Waar ligt de plek die ik zoek?
Binnen de poorten van de oude stad.

Waar zijn de poorten van de oude stad?
De poorten zijn afgebroken.
(p. 48)

De locatie van de oude stad blijft op deze manier een raadsel. Dit past wel in een cyclus met de naam ‘Thebe’, de plaats waar Oedipus de sfinx ontmoet in de Griekse mythe. Iedereen die voorbij deze sfinx komt, krijgt ook een raadsel en mag pas verder reizen na het geven van het goede antwoord. Oedipus is de enige die erin slaagt het raadsel op te lossen.

Leeftocht (2015)

De bundel Leeftocht is deel elf in de reeks Dialogen, verschenen bij Atalanta Pers. In de bundel worden gedichten van Hester Knibbe afgewisseld met die van de Vlaamse dichteres Miriam Van hee. Zij gaan dus in de bundel met elkaar in dialoog. Het onderwerp van gesprek is reizen:

We waren zomernomaden, namen
de kinderen mee die uitbundig zongen en
vochten terwijl we de grens overtrokken

(HK, p. 7)

De zomer is voor velen het moment om op reis te gaan. In dit gedicht omschrijft Knibbe de reizigers dan ook als ‘zomernomaden’. Door te schrijven over kinderen die zingen en vechten, roept Knibbe een beeld op van een gezin in de auto op vakantie, met de luidruchtige kinderen op de achterbank. Als nomaden die met hun hele hebben en houwen rondtrekken. Het reizen en het onderweg zijn, staan hier centraal. In een ander gedicht uit de bundel maakt Knibbe een vergelijking tussen de reis en de bestemming:

Je schreef eens: ‘Misschien betreffen de jouwe
het reizen, de mijne bestemming’. Dacht: is het
dát, versta jij de vrede van verblijf, ik de onrustige

trek in het lijf? Of blijkt het tenslotte hetzelfde, gaan
wij beiden op pad om voor even onthecht
aan gewoonte en afspraak het kleine
verlies aan vastheid te kennen?

(HK, p. 11)

In dit gedicht gaat het om de vraag: waarom reizen mensen? Wat is het dat reizen aantrekkelijk maakt? Voor de een kan het reizen zelf een reden zijn om op pad te gaan, terwijl het voor een ander voornamelijk om de uiteindelijke bestemming draait. Het schrijven van een gedicht kan vergeleken worden met het maken van een reis. Dichters kunnen ook verschillende redenen hebben om te dichten. De bestemming is in dat geval het uiteindelijke gedicht en de reis is het schrijfproces.

Vooromslag van Hester Knibbe, Requiem voor een stad (2015)


Requiem voor een stad (2015)

In 2015 werd Hester Knibbe stadsdichter van Rotterdam. Ter gelegenheid van de herdenking van het bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef zij het gedicht ‘Requiem voor een stad’, dat werd uitgegeven in samenwerking met Bibliotheek Rotterdam:

Het viel uit de lucht
en vebrande het hart.
Toen het vuur was
gedoofd

Ook dierentuin Diergaarde Blijdorp werd bij het bombardement op de stad getroffen, waardoor dieren konden ontsnappen. Het beeld van losgebroken beesten gebruikt Knibbe in het gedicht:

voor de rest van een
leven. Iemand moet
het bevel hebben
gegeven – kijk, kijk

losgebroken
de beesten!

De laatste twee regels kunnen op twee manieren worden opgevat. Het zou kunnen gaan over de ontsnapte dieren, maar je zou ook kunnen zeggen dat degenen die het bevel hebben gegeven tot het bombardement de losgebroken beesten zijn.

Vooromslag van Hester Knibbe, Oogsteen (2016)


Oogsteen (2016)

In 2016 vierde Knibbe 35 jaar dichterschap. Voor deze gelegenheid verscheen een heruitgave van de verzamelbundel Oogsteen (2009). In de heruitgave zijn alle gedichten uit Het hebben van schaduw en Archaïsch de dieren toegevoegd.