De gedichten van Tonnus Oosterhoff, 2011-heden

Vooromslag van Tonnus Oosterhoff, Leegte lacht (2011)

Leegte lacht (2011)

In 2011 verscheen Oosterhoffs zesde dichtbundel Leegte lacht. Aan het einde van datzelfde jaar werd Oosterhoff voor zijn poëtische oeuvre de P.C. Hooftprijs 2012 toegekend.

Oosterhoffs werk wordt vaak als postmodern aangeduid (zie 1: “Wie schept het door je aderen?”). Hij maakt veel gebruik van postmoderne principes in Leegte lacht; hij verwijst vaak naar andere dichters en integreert flarden van nieuwsberichten in zijn poëzie. Een voorbeeld van dit laatste is de titel van de bundel, die gebaseerd is op een krantenbericht uit Trouw van 16 maart 2011; een fragment uit het artikel dient als motto. In dit nieuwsbericht wordt VVD-kamerlid René Leegte ondervraagd over de kernramp in Japan en de situatie in Nederland:

Kunnen ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige overstromingen aan? Leegte lacht: 'Dat wordt een beetje sciencefiction.'

In Leegte lacht speelt Oosterhoff weer met taal aan de hand van een reeks van (vaak actuele) onderwerpen. Opmerkelijke associaties komen ook in deze bundel aan bod:

Ergens in het heelal valt een deur in het slot.

Maakt dat je nieuwsgierig?

Deze openingszinnen van een titelloos gedicht prikkelen en maken de lezer nieuwsgierig. Een deur valt in het slot ergens in het heelal – wat betekent dit? Het gedicht vervolgt:

Niet in het minst. Ik houd de benen nap

omgekeerd op de grond. Beginners, die

mogen stil staan, water drinken, open zijn,

patronen inzuigen en wiskunde worden.

Gordijntje opzij, uit de razende koets loeren,

daarmee vangt de gevangene zichzelf.

In het heelal zijn talloze rekenmachines,

maar nergens rinkelt een kassa.

Beginners moeten stil water drinken,

zich niet verzetten tegen de wiskunde,

windveerboot en waterzonmembraan,

waarin uitgestorven en vooruit in elkaar overgaan.

In het heelal zijn talloze rekenmachines.

Er wordt niet gevangen, alleen niet ontsnapt.

In de laatste strofe gebruikt Oosterhoff een citaat:

Niet zo bang, breng jezelf niet in het nauw.

‘Er is iets dat ons vredig maakt,

ons wegleidt en ontvangt.’


(p. 43)

Dit citaat komt uit de taoïstische filosofische traditie, die ervan uitgaat dat wat ons overkomt in het leven nu eenmaal onze lotsbestemming is:

Het is het uit-zichzelf-zo-zijn

Dat hen stillegt, dat hen vormt,

Dat hen kalm en vredig maakt,

Dat hen wegleidt en ontvangt.

(Jan de Meyer,De geschriften van Liezi: de taoïstische kunst van het relativeren, 2008, p. 165)

Deze passage geeft houvast voor Oosterhoffs gedicht. Ergens in het heelal valt een deur in het slot maar je hoeft hier, volgens de ik-persoon, niet nieuwsgierig naar te zijn. In het heelal zijn rekenmachines; misschien zou de wiskunde het heelal kunnen verklaren, maar er wordt niet gevangen noch ontsnapt – de kennis lijkt ongrijpbaar. De ik-persoon lijkt te suggereren dat wijsheid en kennis ontoereikend zijn en dat alles uiteindelijk van een lotsbestemming afhangt: 'Niet zo bang zijn, breng jezelf niet in het nauw'. Maar dit hoeft niet de definitieve interpretatie van het gedicht te zijn, want een volledig sluitende intepretatie is bij Oosterhoffs gedichten vrijwel altijd onmogelijk. De lezer krijgt meerdere handvaten aangeboden, maar ze kunnen tot verschillende interpretaties leiden.

Veel van Oosterhoffs gedichten bevatten namelijk, net als het gedicht over een lotsbestemming, een onderliggende laag van meerdere gelijktijdige betekenissen. Zijn taalspel kan daarbij verwarrend werken. Het gedicht over sjeik Issa bin Zayed al Nahyan(link is external) (de broer van de kroonprins van Abu Dhabi) lijkt ironisch. Dit geldt vooral voor de laatste strofe, die is vormgegeven als een gebed. Er wordt een Heer aangesproken waarmee in plaats van God de sjeik lijkt te worden bedoeld, die zich gedraagt alsof hij God is:

O Heer, wij maken uw zonden

weg, wij wassen de wereld af door te huiveren.

Wij wijzen de weg, wij uw kleinburgers.

Verlos ons van die film,

Amen

(p. 46)

Dat deze sjeik met God lijkt te worden vergeleken is schokkend, want hij heeft op gruwelijke wijze verscheidene mannen mishandeld en verkracht. Hoewel een paar van zijn misdaden op film zijn vastgelegd en openbaar zijn gemaakt, werd hij vrijgesproken aangezien hij zei onschuldig te zijn. Oosterhoff reikt deze achtergrondkennis in het gedicht zelf niet aan, alleen een 'film' wordt genoemd en één keer is sprake van de 'martelsjeik'.

Er is evenwel veel plaats voor humor in Leegte lacht. Een voorbeeld hiervan is het gedicht waarin de gedachten van de ik-figuur zijn weergegeven tijdens een gesprek:

Larissa vraagt:'Waar woon je?'

Larissa vraagt waar ik woon.

Ze vraagt of ik in de Maasstad woon.

Ik antwoord niet maar doe de oefening.

Ze vraagt: 'Waarom antwoord je niet?'

Ze vraagt waarom ik niet antwoord.

'Omdat ik de oefening doe,' antwoord ik niet.

Ik antwoord niet omdat ik de oefening doe.


(p.17)

De ik-figuur reflecteert direct op wat er gevraagd wordt en wat hij zou moeten antwoorden, maar hij lijkt een oefening te doen in niet-antwoorden. Als hij eindelijk wel wat lijkt te zeggen (dit isals een citaat tussen aanhalingstekens geplaatst), doet hij het eigenlijk niet.

Net als in zijn eerder werk spelen ook klank en ritme weer een belangrijke rol in Leegte lacht. In een gedicht over een stervende man lijken de zinnen te meanderen door de suggestieve beeldspraak over een strand en de beweging van de wind en de zee. De alliteratie of assonantie, het gebrek hieraan en de verschillende regellengtes versnellen of vertragen de vaart van het gedicht. Zo wordt 'al lijkt het lang' door de korte regellengte versneld, terwijl 'Zijn trage gebaren haastig' door assonantie wordt vertraagd:

Wat ligt de oude meneer

maar kort te slapen voor zijn dood

al lijkt het lang.

Als een zandhoopje

in de wind versleten.

Zijn trage gebaren haastig

ribbels op het strand.

Ziek geel schuim met de zee

vol water erachter.


(p. 56)