M. Vasalis en de kritiek


De kritiek van 1936 tot 1941

Vasalis debuteerde in augustus 1936 met vijf gedichten in het literaire tijdschrift Groot Nederland. Meteen volgde een aantal zeer enthousiaste reacties. Menno ter Braak prees in Het Vaderland (21 februari 1937) haar eigen toon: Vasalis heeft ‘iets onmiskenbaar eigens, dat zich met geen andere poëzie in Nederland laat vereenzelvigen.’ Hij verwelkomde haar op basis van deze vijf gedichten als de representant van een nieuwe generatie. Sindsdien is haar werk over het algemeen lovend ontvangen. Tegelijkertijd zijn er altijd critici geweest die haar poëzie afschreven omdat ze vonden dat die te simpel, te vrouwelijk, of passé was.

Parken en woestijnen (1941)

Hoewel de eerste druk van Parken en woestijnen officieel in december 1940 zou verschijnen, had uitgeverij Stols pas in januari 1941 het benodigde papier voor de druk. De bundel kwam dan ook pas rond 25 januari 1941 in de verkoop.

De recensies over Parken en woestijnen waren unaniem positief en prezen haar unieke talent. Voor Victor van Vriesland (Kroniek van Kunst en Kultuur, januari 1941) behoorde de bundel ‘tot de mooiste poëzie (en de vernieuwendste, en de belangrijkste) die ik in jaren las.’ Veel recensenten benoemden de gelaagdheid van de gedichten: ogenschijnlijk simpele waarnemingen krijgen een diepere, doorleefde betekenis. Daarbij werd een regel uit Vasalis’ gedicht ‘Fanfare-corps’ vaak aangehaald: zij had ‘eerbied voor de gewoonste dingen’.

Simon Vestdijk vergeleek haar in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (15 februari 1941) met de middeleeuwse dichteres Hadewijch, ‘door de felheid, die ondanks de beheersing en de rust voelbaar blijft, herhaaldelijk ook door de loutering, die deze hedendaagse dichteres in de natuur ondergaat.’ Ook Bertus Aafjes schaarde Vasalis meteen onder ‘onze grootste dichteressen: Hadewijch, Anna Bijns, Henriette Roland Holst’ (Criterium, februari 1941).

Tegelijkertijd werd haar poëzie gezien als anders dan al haar voorgangers. D.A.M. Binnendijk noemde de bundel in Groot Nederland (maart 1941) ‘een op zichzelf staand verschijnsel’. Ook Anton van Duinkerken zag Parken en woestijnen als een ijkpunt: ‘voor de ontwikkeling van de nieuwe Nederlandse poëzie is het een feit van belang, dat dit boekje verscheen’ (De Tijd, 26 januari 1941).

De kritiek van 1942 tot 1947

De vogel Phoenix (1947)

In 1947 verscheen De vogel Phoenix. Ook de kritieken op deze tweede bundel waren erg positief. M. Mok schreef in Algemeen Handelsblad (10 januari 1948) dat de bundel bewijst ‘dat Vasalis zich op het niveau van haar eerste bundel heeft kunnen handhaven’. C.J.E. Dinaux was lovend en noemde haar in Haarlems Dagblad (24 januari 1948) ‘een gróót kunstenares’.

Ze werd nog steeds als een categorie op zichzelf gezien. C.J. Kelk kon weinig verwantschappen met andere dichters aanwijzen (De Groene Amsterdammer, 15 november 1947) en F. Bordewijk beschouwde haar als een groot dichter die een unieke plaats bezet houdt (Utrechtsch Nieuwsblad, 17 april 1948).

Vestdijk vond de meeste gedichten van een feilloze poëtische kracht, al was het geheel volgens hem iets minder rijk en gevarieerd dan haar debuut (Het Parool, 22 november 1947). Binnendijk was kritischer: hij schreef in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (29 november 1947) dat er ‘iets van de soms zo verrukkelijke prilheid van de vroege verzen verloren gegaan’ is.

Een overeenkomst in de kritieken over Parken en woestijnen en De vogel Phoenix die in het oog springt, is het herhaaldelijk verwijzen naar Vasalis’ vrouwelijkheid. Aafjes en Binnendijk parkeerden haar meteen in een rij andere vrouwelijke dichters, en benoemden haar ‘vrouwelijke ontvankelijkheid’ (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29 november 1947) en ‘vrouwelijke sensibiliteit’ (Groot Nederland, maart 1941).

Ook Van Vriesland vergeleek haar enkel met vrouwelijke dichters, nadat hij haar ‘kracht, zacht en onkwetsbaar van stralende vrouwelijkheid’ had genoemd (Vrij Nederland, 29 november 1947). Anthonie Donker vond Vasalis’ gedichten in zijn artikel ‘Het weerlicht der vrouwelijkheid’ (Critisch Bulletin, januari 1948) ‘puur vrouwelijk, dat wil zeggen niet vrouwelijk van gevoel alleen maar een karakteristiek vrouwelijke geest (dat is denkend door scherper te voelen).’ Ook Vestdijk vroeg zich af of ‘men misschien een vrouw moet zijn’ om een gedicht te schrijven in haar onnavolgbare stijl.

Vasalis werd dan wel beschouwd als een unieke dichter, maar bovenal als een vrouwelijke dichter, losstaand van de door mannen gedomineerde literatuur.

De kritiek van 1948 tot 1954

Rond 1949 ontstond er onder jongeren een nieuwe literaire beweging die bekend is geworden als de Vijftigers. Deze beweging wilde radicaal breken met zijn voorgangers, waaronder Vasalis. Eén van deze Vijftigers, Rudy Kousbroek, pleitte in het door hem en Remco Campert opgerichte literaire tijdschrift Braak (juni 1950) voor een nieuw soort poëzie:

Maar wat voor eisen stelt deze nieuwe poëzie dan wel? Dat er niet meer vaag in parken en woestijnen wordt gelopen. Dat de vlucht in de droom aan de dijk wordt gezet, omdat hij onbruikbaar is. Dat indien er gevlucht moet worden, er in de realiteit gevlucht wordt.

Hier verwees Kousbroek direct naar het debuut van Vasalis. Ook de droom en de (afsluit)dijk zijn elementen die veel in haar poëzie voorkomen. Hij deed haar poëzie af als ouderwets.

Vergezichten en gezichten (1954)

In 1954 verscheen Vasalis derde bundel, Vergezichten en gezichten. De reacties hierop waren vaak lyrisch, maar soms ook kritisch. Recensenten waren met name onder de indruk van de reeks ‘Fragmenten’. Van Vriesland vond haar werk van grote betekenis voor de hedendaagse letterkunde (De Groene Amsterdammer, 25 december 1954). Volgens Adriaan Morriën getuigde deze bundel van haar meesterschap (Het Parool, 31 december 1954).

Nog steeds werd haar unieke dichterschap benadrukt: Pierre Dubois schreef in Het Vaderland (8 januari 1955) dat haar poëzie ‘uniek van toon, uniek ook van vorm, uniek vooral door haar gevoelsinhoud’ was. Hij zag Vergezichten en gezichten als een nieuw hoogtepunt. Theo Govaart sprak bewonderend over de ‘schoonheid, kracht en eerlijkheid van haar verzen’, en prees de ‘stijlvolle en toch opene’, ‘oprechte en toch bescheiden’ menselijkheid die achter haar gedichten schuilging (Dietsche Warande en Belfort, 1955).

Hendrik de Vries was negatiever: hij vond haar poëzie te analytisch en kunstmatig (De Gids, juni 1955). Ook W.F. Hermans was niet onder de indruk. Hij stoorde zich aan een aantal losse, volgens hem slecht geschreven dichtregels en noemde het minachtend ‘damespoëzie’(Podium, juli 1955).

De kritiek van 1955 tot heden

Rond het verschijnen van Vasalis’ derde bundel werden ook de eerste overzichtsstukken over haar werk geschreven. Jan Meulenbelt was het niet eens met de Vijftigers, die Vasalis zagen als een dichter uit een afgesloten tijdperk. Daarom verdedigde hij in Maatstaf (november 1953) het standpunt dat zij wel degelijk een moderne dichter was.

Hierna volgden er meer stukken over haar oeuvre, die voornamelijk ingingen op de thema’s en motieven die Vasalis behandelt. Ankie Peypers typeerde de thema’s van haar poëzie als volgt: ‘de tegenstelling tussen beslotenheid en onherbergzaamheid – het park en de woestijn; tussen onmogelijkheid en mogelijkheid – de as en de herrijzende vogel; tussen zijnservaring en levenservaring: het vergezicht en het gezicht’ (Ons Erfdeel, september 1965).

Toen een nieuwe bundel na Vergezichten en gezichten uitbleef (Vasalis zou uiteindelijk tijdens haar leven geen bundel meer publiceren), namen de artikelen over haar werk af. Desondanks bleef haar werk veel gelezen en herdrukt, en in 1974 ontving ze de Constantijn Huygensprijs. Dat haar oeuvre nog niet vergeten was ondanks de relatief kleine omvang en de lange periode zonder publicaties, getuigde volgens de jury van een ongewoon sterk dichterschap.

Vanaf 1975 ontstond er een verandering in de kritieken. Er verschenen artikelen die meer ingingen op de vorm van Vasalis’ poëzie in plaats van enkel de inhoud. Harry Scholten vroeg daar in Tirade (april 1975) expliciet aandacht voor. Hij vond dat de belangstelling voor Vasalis’ werk te veel uitging naar de thema’s, zoals de scheiding tussen droom en werkelijkheid, en niet genoeg naar de manier waarop ze die thema’s verwoordt. Zelf benoemde hij de paradox, een schijnbare tegenstelling, als een sterke constante in haar werk. Ook Herman de Coninck (Over de troost van pessimisme, 1983) en Maaike Meijer (De lust tot lezen, 1988) richtten zich op de tegenstellingen in Vasalis’ gedichten.

Na Vasalis’ dood in 1998 kreeg haar poëzie weer hernieuwde aandacht. Er verschenen ruim twintig herdenkingsartikelen, allemaal positief. De kritische geluiden over haar werk, zoals die van Kousbroek en Hermans, werden geciteerd, maar door niemand onderschreven.

De oude kustlijn (2002)

In 2002 verscheen De oude kustlijn, een bundeling van Vasalis’ nagelaten werk. Het werd door velen gezien als een grote verrassing, dat er nog zo veel onbekende gedichten van Vasalis bleken te bestaan. De bundel werd wisselend ontvangen. Sommige critici waren zeer enthousiast. Marcel van Nieuwenborgh noemde het in De Standaard (1 maart 2002) een ‘toegift over de rand van het graf’, Jaap Goedebuure zelfs een ‘mirakel van over het graf’ (De Stem, 15 maart 2002). Bob Frommé was overrompeld door de ‘allemachtige schoonheid’ van de nieuwe gedichten.

Anderen waren negatiever. Gerrit Komrij vond de gedichten poëtisch teleurstellend. Bovendien vond hij de thema’s over moeders en kinderen nogal afgezaagd en concludeerde: ‘Blijkbaar zijn er lezers die van familiegeslijm nooit genoeg krijgen’ (NRC Handelsblad, 2 mei 2002). Ook Thomas Vaessens vond Vasalis’ thema’s clichématig, en hij hekelde haar ‘eerbied voor de gewoonste dingen’ (Het Financieele Dagblad, 16 maart 2002). Het feit dat Vasalis in haar onderwerpkeuze binnen de huiselijke sferen bleef, vond Vaessens niet spannend genoeg. Opnieuw werd Vasalis afgeserveerd omdat ze als vrouwelijke dichter uiting gaf aan haar persoonlijke emoties, net zoals Hermans jaren eerder deed toen hij haar gedichten ‘damespoëzie’ noemde.

Een andere terugkerende tendens is het passé verklaren van Vasalis’ poëzie, waarin het oordeel van de Vijftigers doorklonk. De gedichten werden nog steeds mooi gevonden, maar waren duidelijk verouderd. Menno Schenke noemde de gedichten zelfs ‘65+-poëzie’ (Algemeen Dagblad, 1 maart 2002).

Léon Hanssen verzette zich hiertegen en legde de nadruk op de donkere, onverschrokken kant van haar gedichten. Hij beargumenteerde, net als Jan Meulenbelt ruim vijftig jaar eerder al deed, dat zij juist een door en door hedendaagse dichter is (Trouw, 22 oktober 2005). Ook Maaike Meijer is zich steeds blijven verzetten tegen het tamme imago van Vasalis door bijvoorbeeld te benadrukken hoe sensueel zij over liefde en seksualiteit schreef (Armada nr. 56, oktober 2009). In de inleiding bij een nieuwe bloemlezing van Vasalis’ gedichten (Op een vlot van helderheid, 2009) schreef Hagar Peeters:

Haar poëzie is niet aan tijd gebonden want haar thema is de tijd zelf. Haar thema is ook het mens-zijn, en het leven. Tijd, mens en leven, ze zullen er nog wel een tijdje zijn, en gedichten daarover zullen ons, mensen, die leven, wel altijd blijven interesseren. De ziel van Vasalis’ poëzie is daarom dat zij niet veroudert.

Ondanks dat sommige critici haar als verouderd beschouwen, is Vasalis nog altijd een geliefd dichter onder het algemene publiek. Meijer merkt in haar biografie over Vasalis uit 2011 op dat haar poëzie vaak heftige emoties opwekt. Ze noemt dat het ‘Vasaliseffect’ (p. 897): haar werk maakt dingen los bij de lezer en zet hen ertoe aan daarover te vertellen. Het is dan ook niet toevallig dat haar gedicht ‘Sotte voce’ wordt vaak voorgelezen op begrafenissen of in rouwadvertenties staat. Haar poëzie is in 2017 op muziek gezet door het Noordpool Orkest en ingezongen door Janne Schra; in het boekje ‘Vasalis’ (2017) vertelt ze over dat proces. En op Straatpoëzie zijn heel wat gedichten van Vasalis te vinden in de openbare ruimte.