De gedichten van M. Vasalis, 1942-1947

Vasalis trouwde in 1939 met psychiater Jan Drooglever Fortuyn. In 1940 werd hun dochter Louise geboren, en op 16 april 1942 hun zoon Dicky. Begin oktober 1943 raakte Dicky besmet met polio, en na enkele dagen stierf hij op 10 oktober aan de ziekte. Vasalis schreef een aantal gedichten over de dood van haar zoon, die werden opgenomen in haar tweede bundel, De vogel Phoenix.

Vooromslag van M. Vasalis, De vogel Phoenix (1947)


De vogel Phoenix (1947)

De bundel De vogel Phoenix werd gepubliceerd in 1947 bij uitgeverij Stols en bevat 22 gedichten. Hij is opgedragen aan haar zoon Dicky, met als motto ‘He has out-soared the shadow of our night’. Deze regel komt uit het lange gedicht Adonaïs van de Engelse dichter Percy Bysshe Shelley. Hij schreef het gedicht in 1821 als rouwklacht voor de jong overleden dichter John Keats. Het gedicht beschrijft de gedachte dat de dode bevrijd is van het aardse lijden.

In een brief op 17 oktober 1943 vergeleek Vasalis Dicky met een feniks, waarover ze al eerder een droom had gehad: ‘Hij was zo sterk en mooi en lief, en het was net als met dat vogeltje Phoenix waarvan ik droomde, ik moest op hem passen maar hij hield mij eigenlijk vast.’ (Maaike Meijer, M. Vasalis, p. 321) Het beeld van Dicky als feniks werkte ze in deze bundel uit en de feniks was ook de inspiratie voor de titel.

De eerste drie gedichten in de bundel, ‘Phoenix I’, ‘Phoenix II’ en ‘Kind’ gaan allemaal over Dicky. Ze worden zichtbaar gescheiden van de rest van de bundel door een blanco pagina tussen ‘Kind’ en het volgende gedicht, ‘Sprookje’.

Qua vorm verschilt De vogel Phoenix weinig van Parken en woestijnen. De bundel bevat iets meer langere gedichten, maar Vasalis’ taalgebruik en rijm blijven hetzelfde.

In ‘Hij huilt’ houdt de ik-persoon haar zoon die huilt in zijn slaap in haar armen. Vol medelijden kijkt zij naar het kind dat ze niet troosten kan in zijn droom. Maar in de derde en laatste wordt hij wakker en is er een moment van herkenning:

Tot hij ontwaakt en luistert naar mijn zingen
en mijn gezicht bekijkt en plots herkent
en glimlacht, lichtend door de tranen, die er hingen
en met zijn hele ziel mij open toegewend.

(p. 40)

Het gedicht heeft een afwijkende vorm. Rudolf van de Perre noemt het een ‘omgekeerd’ sonnet (M. Vasalis, 1980). Gewoonlijk bestaat een sonnet uit twee strofen van vier regels (of één van acht), gevolgd door twee strofes van drie regels (of één van zes) waarin een wending plaatsvindt. Nu is dat andersom: de eerste strofe bestaat uit zes regels, en de tweede en derde ieder uit vier.

De wending vindt plaats in de laatste vier regels, als het kind wakker wordt en de herkenning ontstaat. Dan verandert de gevoelsinhoud ook van negatief naar positief. Hoewel Vasalis zich maar in weinig gedichten aan een vaste versvorm houdt, experimenteert ze hier met de mogelijkheden van het sonnet.

Mythologie en christendom

Vasalis blijft net als in Parken en woestijnen zoeken naar de ervaring van een andere realiteit, maar diept dit thema in De vogel Phoenix meer dan in haar debuutbundel verder uit binnen de kaders van mythologische en godsdienstige verwijzingen. Dat begint al met de titel: een feniks is een fabeldier uit de Griekse en Chinese mythologie. De vogel kan vijfhonderd jaar oud worden en sterft uiteindelijk door zichzelf op zijn nest te verbranden. Uit de vlammen en as wordt de feniks opnieuw geboren.

Hoewel de meeste gedichten tijdens de Tweede Wereldoorlog tot stand kwamen, bevat alleen ‘Phoenix I’ hier een directe verwijzing naar. In het gedicht droomt de ik-persoon tijdens de oorlog dat ze een vliegtuig ziet neerdalen:

Ik droomde in de oorlog, dat het oorlog was:
een houten vliegtuig daalde uit de lucht
en wanklend reed het door het hoge gras
en stopte; kreunen, zingen en gezucht.

(p. 35)

Ze vergelijkt het vliegtuig met de Ark van Noach, waaruit allemaal gewonde dieren komen. Dan ziet ze, met de bekende plotselinge wending die Vasalis’ poëzie kenmerkt, een feniks met een kop ‘als een blauw vuur’. Ze vraagt zich af of hij ook gewond is en voor hem moet zorgen, maar hij klemt zijn klauwen de hele nacht om haar vingers heen. Het uiteindelijke ontbranden van de feniks geeft haar de kracht om te schrijven:

En toen ik neerzag op mijn eigen handen,
toen was de vinger, die hij klemde, blauw
en schreef een vers, terwijl de vogel brandde…
Toen keek hij om, of hij mij zeegnen wou.

(p. 35)

In de brief waarin ze Dicky met de feniks vergeleek, schreef Vasalis al dat de vogel haar vasthield in plaats van andersom. Dat is ook het geval in het gedicht. De vogel kan symbool staan voor zowel haar overleden kind als voor de dichterlijke inspiratie. Hij zegent haar schrijven, en via het schrijven kan ze haar verlies verwerken en leren loslaten.

In het gedicht ‘Ra’ komt de Egyptische mythologie aan bod. Ra was de zonnegod en werd gewoonlijk afgebeeld met een mensenlichaam en valkenkop. De ik-persoon dicht haar geliefde, die ze ’s ochtends in bed aanschouwt, vogelachtige trekken toe:

Zo lag hij neer, toen zag ik zijn gestrekte armen
als vleugels aan weerskanten uitgespreid.
Eenzaam, buiten bereik van elk erbarmen
maar in uiteindelijke onkwetsbaarheid.

Ik waakte en zag, in eerbied en in vrezen:
hij was een vogel en een god, nachtlijks gestorven,
dagelijks herrezen.

(p. 46)

Het beeld van de feniks wordt hier gelijkgesteld aan dat van Ra: beide verwijzen ze naar het herrijzen, uit de as of uit de nacht. In ‘Phoenix 1’ was de vogel nog het gestorven kind, onbereikbaar in de dood; hier is hij de geliefde, die juist onbereikbaar in het leven lijkt. Want hoewel de man lichamelijk aanwezig is, kan de ik-persoon niet doordringen tot zijn gevoelswereld, hij blijft ‘onkwetsbaar’, oninvoelbaar. De twee gedichten fungeren als talige herrijzenissen van de onbereikbare naasten.

Daarnaast doet het beeld van de herrijzenis denken aan de wederopstanding van Jezus Christus. De bundel kent dan ook veel Bijbelse taal. Zo is er een titelloos gedicht met als motto een citaat uit psalm 23: ‘Hij zal mij leiden langs grazige weiden / naar waatren der rust.’ Deze wateren der rust roepen een doodsverlangen in de ik-persoon op:

Ik hield van u, o groene weiden,
mijn eigen zwaarte laat mij glijden
tot waar de dood mijn vuren blust
in de oude wateren der rust.

(p. 56)

De frase ‘wateren der rust’ is bedoeld als beeld voor het uiteindelijke rusten bij God, maar Vasalis herschrijft dit tot een beeld van uiteindelijk rusten in de dood.

Ondanks de christelijke verwijzingen die De vogel Phoenix bevat, is het geen christelijke poëzie. Vasalis was zelf niet gelovig en zette de Bijbelse taal vooral in om haar mystieke ervaringen in een bepaald kader te plaatsen. Maar vervolgens trad ze ook weer buiten dat christelijke kader. In een gedicht stelt ze zich op een angstig moment een ontmoeting met ‘een godheid’ voor:

In angst meen ik een godheid te ontmoeten,
zonder gelaat, die mij verschroeien moet,
en zonder handen, die mij vatten, zonder voeten
die ik kan omklemmen; die, niet slecht noch goed,
zijn creatuur vernietigt, nu ik hem benader.
Zo onbarmhartig en zo waar, zo weinig vader.

(p. 55)

De god die de ik-persoon ontmoet heeft geen gelaatstrekken, maar is wel in staat haar te verschroeien en vernietigen als ze hem benadert. Hij lijkt in niets op de christelijke God, die juist als barmhartig en vaderlijk wordt voorgesteld. De ik-persoon ondergaat hier weliswaar een godsbeleving, maar die volstrekt zich buiten de gevestigde christelijke kaders.

De mystieke belevingen in De vogel Phoenix gaan verder dan de droombeelden in Parken en woestijnen. De ik-persoon onderzoekt een christelijke invulling van haar ervaringen aan de hand van mythologische en christelijke taal. In Vergezichten en gezichten zal Vasalis de kaders van het mythologische en religieuze volledig loslaten.

Natuur en seizoenen

De natuur speelt een grote rol in het werk van Vasalis. Niet per se als het centrale onderwerp van een gedicht, maar vooral als aanleiding voor de innerlijke ervaring waar het eigenlijk om draait. De natuurbeschrijvingen fungeren daarom als een Natureingang. Dit is een veelgebruikt stijlfiguur in de Middeleeuwse dichtkunst. Een gedicht of lied begint met een beschrijving van de natuur om een bepaalde sfeer te creëren.

De Middeleeuwse dichteres Hadewijch, met wie Vasalis al vergeleken werd vanwege de overeenkomstige mystieke kenmerken in hun poëzie, maakte op een eigen manier gebruik van zo’n Natureingang. Bij haar riep de natuurbeschrijving op wat er vervolgens in het lied gethematiseerd werd, bijvoorbeeld ontroering. Ze had daarbij veel aandacht voor de jaargetijden en de wisseling van de natuur, die tegenstellingen teweegbrengt.

Vasalis maakt ook gebruik van deze techniek; met name de herfst lijkt een favoriet seizoen. In Parken en woestijnen waren al drie ‘herfstgedichten’ opgenomen (‘In de herfst’; ‘Herfst’, p. 24; ‘Herfst’, p. 27). Daarnaast kreeg de lente aandacht in ‘Voorjaar’.

De vogel Phoenix bevat een aantal gedichten over de natuur en de seizoenen. Het gedicht ‘Oktober’ begint met een beschrijving van de herfst die het hoofdthema van het gedicht, de tegenstelling tussen jeugd en ouderdom, introduceert. De seizoenen symboliseren die tegenstelling: lente staat voor jeugd, herfst voor ouderdom. Maar in het gedicht lopen de tijden in elkaar over. Het is herfst, maar voelt als lente:

Teder en jong, als werd het voorjaar
maar lichter nog, want zonder vruchtbegin,
met dunne mist tussen de gele blaren
zet stil het herfstgetijde in.

(p. 43)

De natuurbeschrijving biedt een opening naar de innerlijke belevingswereld in de tweede strofe. Daar wordt de tegenstelling verder uitgewerkt. De ik voelt zich als lente in de herfst, jong en oud tegelijk:

Ik voel alleen, dat ik bemin,
zoals een kind, iets jongs, iets ouds,
eind of begin? Iets zo vertrouwds
en zo van alle strijd ontheven –
niet als een einde van het leven,
maar als de lente van de dood.

(p. 43)

In de frase ‘de lente van de dood’ vallen tegenstelling tussen lente en herfst en jong en oud samen (het is een oxymoron(link is external)). De tijd is weggevallen, waardoor de ik-persoon als volwassene (tijdelijk) toegang heeft tot haar nog steeds vertrouwde kindertijd. De natuur weerspiegelt in dit gedicht niet alleen haar realiteitsbeleving, maar draagt ook actief bij aan de vorming daarvan.

In het bekende gedicht ‘Appelboompjes’ wordt de natuur meer als spiegel ingezet en speelt de innerlijke beleving een kleinere rol. Het gedicht beschrijft twee appelbomen die langzaam ouder worden. In de eerste twee strofen zijn ze nog jong en kwiek, ‘dansend in de vroege regen’. In de derde strofe zijn ze ouder geworden en kijken ze terug op vroeger:

Met hun smalle voet in ’t gras,
ingetogener en lomer
staan zij later in de zomer
na te peinzen hoe het was.

(p. 41)

Pas in de een-na-laatste regel wordt duidelijk dat er een ik-persoon in het gedicht aanwezig is die het tafereel aanschouwt. Ze herkent haar eigen proces van ouder worden in de boompjes:

Voller wordend met de dagen,
vastgegroeid in ’t ogenblik,
bestemd, mijn zustertjes, - als ik –
te wortlen, rijpen en vrucht te dragen.

(p. 41)

Net als de appelbomen heeft zij zich als volwassene gesetteld en kinderen (vruchten) gebaard. De boompjes verschillen wel in een opzicht van de ik-persoon. Die groeien in stilstand, hun ‘voeten’ staan altijd geworteld in de grond. Daarmee overstijgen de bomen de menselijke tijd, omdat ze, zonder beweging, toch bewegen door vruchten te dragen. De natuur activeert in de ik-persoon, opnieuw een andere tijdsbeleving, van veroudering zonder beweging.

Strand en zee

Een natuurgebied dat in Parken en woestijnen enkel kort in ‘Afsluitdijk’ en ‘Tijd’ genoemd wordt, maar een belangrijke rol gaat spelen in de rest van Vasalis’ oeuvre, is dat van het strand en de zee. Het thema wordt geïntroduceerd in de derde hommage aan Dicky, ‘Kind’. Hierin beschrijft Vasalis hoe hij nog een heel leven voor zich had:

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven
en hoe toeganklijk voor zijn eb en vloed…
Hoe licht en stil en schoon is met de dood
hij op het lege strand alleen gebleven.

(p. 37)

Het kind wordt voorgesteld als een doorgang tussen leven en dood waar eb en vloed doorheen kunnen stromen. De zee is hierdoor een beeld voor het grotere leven dat oneindig blijft bestaan, en zelf nooit zal sterven. Hij blijft achter op het strand, dat hier de dood symboliseert.

Het laatste gedicht in de bundel, ‘Avond aan zee’, is opgedragen aan haar vader. In het gedicht is de zee een personificatie van een levend wezen, dat in staat is op te kijken:

De zee keek op, alsof zij bad.
Toen heb ik u teruggevonden.

O grote, oude, grijze zee
in rusteloosheid zoveel rust,
één stem uit duizend kleine kelen
sprekende tot smalle kust;
eenheid uit zoveel tegendelen.
Mijn oude liefde, mijn oud vertrouwen
zo groot, haast niet om uit te houen,
Ouder dan voor mijn grote lief…

(p. 58)

De ik-persoon vindt bij de zee haar oudste en grootste geliefde terug. Maaike Meijer interpreteert de zee zelf als die geliefde (M. Vasalis. Een biografie, 2011). Ze verbindt dit idee aan het gedicht ‘Kind’: de zee is als enige geschikt om het dode kind bij achter te laten, omdat het haar meest geliefde wezen is.

Armand van Assche (Ons Erfdeel, maart/april 1979) verbindt de zee juist aan haar vader: het is volgens hem een symbool voor hun hereniging. Hij interpreteert haar gehele oeuvre als een manifestatie van de spanning tussen het verlangen naar een paradijselijke eenheid en de verstoring daarvan. De vader als zee helpt haar om de tegenstrijdigheden te overstijgen en de harmonie te herstellen.

Vooromslag van M. Vasalis, De dichter en de zee (1960)

In 1960 stelde Vasalis de bloemlezing De dichter en de zee samen, die, zoals de titel al zegt, gedichten over de zee bevat. In het voorwoord schreef ze wat voor haar de zee typeert: ‘Eén oneindig-groot, onbelemmerd ogenblik, dat nergens dicht is. De enige plaats om te zijn.’ De zee verbeeldt voor Vasalis vaak de eeuwige, tijdloze tijdsbeleving zonder begin of einde, waar de doden niet echt dood zijn.

In ‘De kleine zeemeermin’ wordt de ik-persoon zelf de zee. Het gedicht doet denken aan ‘Drank, de onberekenbare’: het gaat ook over de gedachten van een ik-persoon onder invloed van alcohol. Terwijl ze drinkt en naar zigeunermuziek luistert, waant ze zich in een onderwaterwereld. Haar gedachten of gevoelens zijn vissen geworden – die ‘leven toch het best bij alcohol’. Zelf denkt ze te veranderen in een sprookjeswezen, ‘een sprakeloze, witte zeemeermin’. In de laatste strofe verandert het gedicht in een liefdesgedicht dat Andersens sprookje over de kleine zeemeermin volgt:

Speel door Paly, want er is één
voor wie ik graag mijn stem zal geven
en daaglijks voor op messen gaan,
en als der kleine zeemeermin
zal ook mijn ziel, na dit kort leven,
voor hem als knistrend schuim op zee vergaan.

(p. 44)

‘Paly’ wordt als naam gebruikt voor de eerste violist van een zigeunerorkest. Het orkest moet doorspelen om de fantasie gaande te houden en zo de dramatische ontknoping te bereiken waarmee ook Andersens sprookje eindigt. De ik-persoon wil net als bij Andersen de messen in haar voeten voelen als ze loopt en uiteindelijk tot zeeschuim vergaan voor hem. De zee verbeeldt hier het onvervulbare verlangen naar - en uiteindelijk de ultieme opoffering voor - een geliefde.

Liefde en seks

Zo’n absolute overgave aan de liefde komt in meer gedichten in de bundel terug, en ook later zal Vasalis nog veel gedichten over verlangen en liefde schrijven. In ‘Zomer’ ziet de ik-persoon vanaf haar balkon haar geliefde naderen, ‘als een hert, dat drinken gaat’. Vasalis gebruikt hier opnieuw Bijbelse taal: het drinkende hert is een verwijzing naar psalm 42. Hierin wordt de manier waarop een hert naarstig op zoek is naar een waterbron vergeleken met het verlangen naar God. In het gedicht brengt het beeld van de man als dorstig hert een verlangen teweeg in het innerlijk van de ik-persoon. Dat doet haar besef van tijd verdwijnen:

En ik ben niets meer dan het helderst water,
wanneer ik in de koele kamer snel
en al vergeet van vroeger en van later,
van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn bron, zijn donkre wel.

(p. 45)

Ze verandert in een bron waaruit haar geliefde kan drinken. Zodra hij komt, wil ze enkel zijn dorst stillen, voor hem zijn wat hij nodig heeft. Zelfs de tijd valt weg. Er is alleen nog het huidige moment waarin niets anders bestaat dan de drang om zijn wens te vervullen.

In het gedicht ‘De kaarsen brandden’ vindt een vergelijkbare liefdesovergave plaats, maar dan speelt die zich ook af in het hoofd van de geliefde. De ik-persoon zit somber en alleen in een kroeg. Dan ziet ze de geliefde, die haar somberheid doet verdwijnen:

Hoe is het daarna toch gebeurd…
hoe kan het, dat een enkle blik,
een lange, zacht-bespannen blik,
mijn voorhang plotseling heeft gescheurd?

(p. 47)

Vasalis gebruikt hier weer religieuze verwijzingen. De voorhang scheidde in de verhalen van het Oude Testament het heiligste deel van de rest van de tempel. Toen Christus stierf aan het kruis, scheurde de voorhang plotseling doormidden. In het gedicht symboliseert dit een overgang. De ik is niet meer opgesloten in haar somberheid maar richt zich op de geliefde, die haar verlangend aankijkt. Dat wekt ook in haar een verlangen op:

O lege blik, recht als een schoongemaakte straat
met wachtend volk opzij, doodstil bedwongen,
omdat de koning komen gaat…
o stilte, vóór er wordt gezongen.

(p. 47)

Deze beschrijving is een echo van het Hooglied(link is external), wanneer koning Salomo met zijn bruid de stad binnenkomt. Maar de ik-persoon lijkt de lege blik van haar geliefde haast niet te kunnen uithouden. Ze lijkt aan zijn ogen te willen ontsnappen:

En zie, de kaarsen, die ik zocht
werden gerafelde flambouwen
flonkrende wimpers om hun vlam.
Mijn ogen werden wilde vrouwen
en zwierven weg en kwamen toch
terug, tot waar de koning kwam.

(p. 48)

De ik zoekt kaarsen, die verworden tot ‘gerafelde flambouwen’, die dan weer vergeleken worden met ‘flonkrende wimpers’. Vervolgens worden de ogen tot ‘wilde vrouwen’, die weg weten te komen maar ook weer terugkeren, terug naar de geliefde.

Maaike Meijer interpreteert deze opeenstapeling van beelden als een afbeelding in taal van de seksuele spanning die in dit gedicht wordt opgebouwd (Armada, nr. 56, 2009). Er worden naast religieuze veel seksuele symbolen opgevoerd. Het scheuren van de voorgang en de straat waardoor de koning binnenkomt doen denken aan penetratie, en het zingen aan seksueel genot. Meijer ziet de ‘stilte, vóór er wordt gezongen’ als het moment van uiterste spanning voor het orgasme: voor het zingen (al dan niet) de kerk uit.

‘Er zijn nog altijd mensen die Vasalis een tamme dichter vinden. Onbegrijpelijk,’ concludeert Meijer dan ook naar aanleiding van dit gedicht (p. 74).

De paginanummers verwijzen naar: Verzamelde gedichten (2006)