De gedichten van Joost Zwagerman

Vooromslag van Joost Zwagerman, Langs de doofpot (1987)


Langs de doofpot (1987)

De debuutbundel van Joost Zwagerman Langs de doofpot bestaat uit zes afdelingen, waarvan de eerste, 'De stilte ontluisterd', al eerder verscheen als zelfstandige - bibliofiele - uitgave bij de vrijetijdsdrukker Hein Elferink. Al in deze debuutbundel Langs de doofpot komen regelmatig verwijzingen voor naar andere schrijvers en denkers, wat ook een kenmerk voor ook het latere dichtwerk van Zwagerman is. Het titelloze gedicht op pagina 2 verwijst naar de titel van de bundel.

Nee, onteigenaars en inkeerkomers,
te volharden en te zwijgen ben ik niet.
Mijn roerloosheid is niet absoluut.
Niet houd ik mij in afwezigheid op,
noch sla ik mij wederkerend voor de kop.

Nog te veel is er dat zich langs de doofpot snaait.
(p. 2)

'Geweest, gedaan' is een parodie op het snelle leven, waarin alles steeds beter moet, zelfs zo dat men af en toe de hakken in het zand wil zetten.

Lachen blijven! - vooruitgang is de enige vereiste,
dacht ik toen ik was gevlogen. Jawel, ik ging vooruit,
   voorbij.

- Okee, in feite dacht ik dat ik dacht weer louter lineair,
een vliegensvlugge loodlijn naar omlaag, omhoog,
omlaag opnieuw - een speer van furieuze spreeuwen
Tot aan mijn tenen, dacht ik. En maar hakken.

(p. 29)

'De argeloze hangmat' schetst het beeld van een vrouw die opstaat, maar dat eigenlijk liever niet wil: slapen met open ogen wil ze. Typisch een vrouw over wie de dichter denkt: 'Juist voor haar moet een gedicht geschreven'.

Slapen als een opgeborgen ei is wat ze wil,
ze wil flinterdunne dromen vlak boven haar ogen.
Houdt ze ze open dan is er overzicht en orde,
dan ruikt ze de logge opstaanlucht die
hoekig en bedaard de slaapkamerstilte omlijnt.
Dan is ze waar ze wezen kan.

Geen ooglid naar beneden dus. Duisternis, dat is
een vormeloze koelcel met ingevroren stemmetjes.
Het maakt haar huid één grote, opgezwollen winterteen,
geprik, gestotter, een tinteling
vol kamerzwart geroezemoes.

(p. 30)

Onder de titel 'Bestemming' gaat onder andere over 'geflikflooi over tijdsverloop', over de zin en onzin van reizen en zich verplaatsen van a naar b en andersom: de ik-figuur heeft genoeg aan stilstaan en beschouwing, terwijl iedereen voorbij flitst naar kennelijk duidelijke doelen.

Reizen is gestolde diepgang - ik
weet wel, mijn gelijk ligt op de rails.
Men stapt maar in en uit het treinstel,
terwijl ik mij met voorbijgaan troost.

(p. 38)

Maar teveel beschouwing is ook niet de bedoeling. In het gedicht 'Thuiskomst' verwijst Zwagerman naar het 'Behouden huis' waarin Willem Barentsz met zijn bemanning de winter van 1596 op Nova Zembla wist te overleven nadat hij met zijn schip in het pakijs bekneld geraakt was. Het almaar binnen blijven benauwt de ik-figuur, maar het lukt hem niet om het in de Nederlandse literatuur spreekwoordelijke straatrumoer zijn ivoren-torenleven binnen te smokkelen:

Ik loop nog steeds niet rond in huis.
Het lijkt wel of ik beklim. Hoe lang ben ik
voorbijgegaan, hoe krijg ik de verplaatsing
mee naar binnen - en is de reis behouden?

(p. 44)

Vooromslag van Joost Zwagerman, De ziekte van jij (1998)


De ziekte van jij (1988)

De tweede dichtbundel van Zwagerman, De ziekte van jij (1988), bestaat uit vijfendertig titelloze gedichten, grotendeels gewijd aan de liefde. Volgens de dichter is dit thema echter slechts een raamvertelling; belangrijker is dat hij voor ieder gedicht een andere stijl heeft gekozen, stijlen die hij van andere auteurs heeft geleend. Daarbij neemt hij vaak letterlijk teksten over van Herman Gorter, Hugo Claus, P.C. Hooft en anderen, maar ook songteksten van moderne liedjes worden geplunderd. Elk gedicht begint met drie gedachtenpuntjes - wellicht een subtiele verwijzing naar deze citaatwoede. Maar in de eerste plaats zorgen die puntjes ervoor dat de lezer met de deur in huis valt en dat de suggestie van intimiteit wordt opgeroepen: de lezer wordt getuige van iets dat duidelijk al begonnen is voordat hij of zij er bij kwam. In het eerste gedicht wordt met belangstelling over en weer gegluurd, en de lezer wordt direct aangesproken:

... zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings -
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

(p. 5)

Zelfs de beursberichten kunnen sensueel zijn en leiden tot erotische gesprekken:

-zocht allengs naar als jij en ik eens-
Ah! Elkanders wiebeltaks, dát waren we!
Naargelang wij langer luchtigheden wisselden
als van beursberichten, ontrolde zich
in onze niemendallen heel het paringsidioom.

(p. 8)

Zoals vaak, is ook in deze bundel, de liefde geen lang leven beschoren en is de waarheid minder prettig om te horen. In het zesde gedicht van de bundel wordt het voorspeld: de geliefde zegt dat deze relatie niet lang kan duren. De spanning tussen liefde en seks wordt dan voelbaar voor de 'ik'-persoon, want de voorspelling verdwijnt niet meer uit zijn gedachten:

Bleef jouw voorspelling dat dit niet lang duren zou.
Ik wist met je te neuken tot aan het onwaarschijnlijke
maar kon je niet verleiden tot het tot eeuwigheid
herleiden van mijn lief mijn lief ik hou van jou.

(p. 10)

Het zestiende gedicht schetst het tafereel van een verkleedpartij met erotische motieven, compleet met voyeur tussen de schuifdeuren:

mijn neus tussen de schuifdeur ik de open deur zo welbespraakt
op alle planken vastgehaakt, aangeraakt en tenslotte klaargemaakt
door jou en jou en jou en nimmer opgeteld want niet te tellen
met zoveel je bent de tovertruc zo talrijk je bent de helleveeg
de duivelskunstenaar in goeden doen je bent geheel alleen met velen
want je naam is minnaressenlegioen.

(p. 20)

[De zetfout 'minaressenlegioen' is hierboven verbeterd.]

Het achttiende gedicht in de bundel leest als een middeleeuws mystiek gedicht. Ook de taal sluit aan bij dit genre, waarin de eenwording met het goddelijke wordt nagestreefd: in dit geval met de bemiddelares: een heilige, of Maria, of....?

Vlucht mij niet,
Wees mij inderdaad genadig.
Van bovenaf bezien ben ik zo nietig
maar ik richt mij naar je op.
Kom naderbij. Kom, nader mij.
Voer mij ten hemel in galop.

(p. 22)

In het 23ste gedicht noemt de ik-figuur zijn poëzie 'suikerspinnenpoëzie'. Hij droomt dat zijn geliefde komt dansen: de tango.

Ied're nacht zo duizelbaar gedroomd van jou
de mooiheidsmuze tegen wil en dank, zodat zelfs
in mijn slaap jij bent om mee te dansen om je
deze dans te vragen om te vragen om je liefjeshand
mijn liefje want je bent zo tranentrekkend tango
En je bent mijn allerdanerigste bijdehand je bent
mijn hoefijzer mijn amulet mijn goed verstopte wisseltand
je bent mijn oogjes dicht en mondje toe mij moe te dromen
om tevergeefs en slapend van je wegzijn af te komen
door je droomsgewijs te smoren in de verrukkelijke
willekeur van het nachtelijke niemandsland.

(p. 27)

Na al die extase en dromerigheid komt de dichter aan het einde van de bundel ter zake:

Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi.

Maar via de omweg van de platitude komt de dichter bij de dood en via de dood bij de titel van de bundel - het geheel leest als een prozaïsche brief:

Wat meer dan liefde is en minder dan de dood
is de warme dood waar ik niet bang voor ben,
dat is het doodgaan door te leven met een vrouw.
Dat ik mocht niet-bestaan dat kwam door jou.
In mij is die dood verdreven door de onmogelijkheid
opnieuw met jou te leven. Hoogstens ben ik ziek
en schrijf ik om de ziekte naam te geven. Hoe
hopeloos dit is, het brengt je niet terug naar mij.
Wat blijft is de ziekte, de ziekte die heet jij.

(p. 39)

Vooromslag van Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan (2001)


Bekentenissen van de pseudomaan (2001)

De derde bundel van Zwagerman kreeg de titel Bekentenissen van de pseudomaan (2001). Op het achteromslag van de bundel wordt de titel toegelicht. Volgens Van Dale's woordenboek is een pseudoloog iemand 'met een onweerstaanbare neiging om gefantaseerde belevenissen als waar te vertellen'. Deze dichtbundel is gewijd aan zijn (nog niet in van Dale opgenomen) 'nog enthousiastere familielid' de pseudomaan, voor wie de waarheid 'een verre en vage luchtspiegeling' is.

Een belangrijk thema in deze bundel is de trits kennismaking-liefde-breuk met alle emoties die daarbij komen kijken. Het gedicht 'Augustus, vrijdagmiddag' geeft een sfeerbeeld van de loomheid op een laat-zomerse middag in de stad. Een man, met zijn vrienden op het terras, probeert een vrouw te versieren...

Er is nu zoveel aangelengde zomer
op de caféterrassen in de stad
dat ook het zwerfvuil meedoet
aan de sfeer van museale films.
Zoals zelfs de zon zich nestelt zodra jij haar vangt.
Dat ene shot: niemand beweegt, jij

  lucht blauw als reclame voor comfort,
  opgewreven auto's parkeren baltsend in,
  mannenlach, honden zelfverlengend aangelijnd,
  driemaal een vaasje en
  voor die stoot daar éen met ijs,
  oké?

(p. 15)

Na een passievol begin van een nieuwe relatie rest in 'Bij elkaar' na enige tijd alleen de dagelijkse gang van zaken, 'de routine van het kleine weten': naar het werk gaan, boodschappen doen, het delen van elkaars bankrekening en vooral het voorkomen van confrontaties. Is dit wat we willen?

In het begin niets dan witte hitte jij en ik.
Steeds weer moest de liefde minstens
een Chinees vuurwerk van de zinnen zijn,
een alternatief uitspansel bijeenbemind -
o, die hoogmoedblaf van jonggelieven.

Inmiddels is de streng van jou naar mij
door louter compromis aaneengeregen
en met de geur van hoger honing
viel het ook wel mee - of tegen, het is maar
hoe je het ontschrijft. Wat rest ons nog?

(p. 19)

Die geur van hoger honing verwijst naar een beroemd gedicht van Martinus Nijhoff. In een ander gedicht van Zwagerman, 'Na vanacht', gaat het om een modieuze vrijpartij, die camerageniek wordt uitgevoerd en waarbij na afloop verdovende middelen worden ingenomen. Deze one-night-stand is door Zwagerman op rijm gezet - opvallend want meestal schrijft hij vrije, rijmloze verzen.

Het hielp niet. Stiefelde ik rijschoolstraatjeskerend van je weg
in strofen van email en dat we nog wel bellen, echt.
Ik stommelde de trappen af tot leesteken de voordeur punt.
Buiten scherpten zich nevelzacht de zinnen.
Wat beleefd was kon eindelijk beginnen.

(p. 18)

Beginnen? Ja, op papier.

Ik blaf en jank en sproei
waar haar schelp het hebben kan.
Sta mijn mannetje als dierenriem
en worstel zacht met mijn apin
terwijl ik al haar plooien
met lier en scherp lancet bemin.
(Daar ga ik weer. De lynx met speer.)
Ik stel florafauna zwalpend voor
als iets nats en zilts en rauws.
Toch blijft ze ondanks alles
diep en dieper nog teleurgesteld.
Ik kan het nooit zo Nobel en westvlaams
als hugo fucking claus.

(p. 29)

De afdeling 'Collega's' bevat gedichten onder motto's van andere Nederlandse dichters. Het gaat soms om parodieën, zoals het gedicht over K. Schippers; soms om kritiek (Rob Schouten) en zo zijn er ook gedichten over Hans Faverey, Pieter Boskma, Rutger Kopland, Menno Wigman en Rogi Wieg. Het gedicht 'Leiden-Amsterdam' schreef Zwagerman naar aanleiding van de (boven het gedicht geciteerde) ironische uitspraak van recensent Ilja Leonard Pfeijffer: 'Geef mij vandaag geen dichters | Die beginnen met geef mij'. Hij jongleert met citaten van Faverey, Dèr Mouw en Lucebert, net zoals Pfeijffer dat zo vaak doet:

Geef mij een halfuur om van hier naar daar te komen
en de randstad zal rondborstig hooggebergte zijn
begin ik met een jojo en op stelten op het rapenburg
en volg skippyballend via graecibuurt en groene hart
mijn dolzinnig buitelende hoge-snelheidslijn

van grote hoogte drop ik pierlala's op roeiers en chrysanten
waarna ik op een kleedje van advaita wederdaal
en via hoovercraft beheerst woorddronken
zwevend over zoveelvoud verlichte waters
met een sjekkie en op sloffen pardoes de stadsgrens haal

(p. 32)

Zwagerman zei ooit dat hij geen dichter is, omdat poëzie voor hem geen noodzaak is. Dat geldt niet voor de collega's die hij in deze afdeling aan bod laat komen. Het gedicht 'Signatuur' heeft als motto twee versregels van Menno Wigman: 'Mijn leven is door poëzie verpest en ook / Al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets':

Ochtend. Het verveloze uur waarop
in de Bijenkorf geilheid overgaat
in tegenzin en ik bij groot gebrek
aan meisje dwaze dagen simuleer.
In het labyrint denk ik engelend
aan vreemde bedden, beroemde feesten,
Schubert, barakken en novemberwind,
aan lege nachten die er niet toe doen,
gespitst intussen op de poëzie
van afgeprijsde dameslingerie.

(p. 37)

Echt ouderwets donker wordt het niet meer 's nachts, wordt gesteld in 'Hollandse nachten', in 'Uit!', de laatste afdeling van de bundel. Het is een felle aanklacht tegen 'het ketsendfel tl van partycentrum Nederland, every inch een kermistent'.

Vroeger, zegt de zeikerd die gelijk heeft,
toen het in het donker nog echt donker was -
Geen hand voor ogen komt ooit nog terug,
het hermetisch zwart is afgesleten.
Nooit meer het machtig vallen van de nacht,
het op de tast je leven weten. Duisternis
is opgelicht tot sentiment en schemernostalgie.

(p. 55)

In 'Aan de beurt' wordt een spreekbeurt gesimuleerd: een verhandeling over vriendschap die volgens de verteller voor het eerst voorkwam in het holoceen ('dus na de dinosaurussen').

Ze hadden toen nog geen licht
niet elektrisch dus bedoel ik maar ik denk wel kaarsen.
Of anders gewoon vuur.
Daar heb ik een plaatje van.
Kijk.
Hier zie je
hoe ze toen met vuur en dergelijke vriendschap maakten.

Nee, rechts. Bij m'n vinger.

Anders laat ik het wel even rondgaan.
(p. 69)

De bundel bevat zes gedichten die eerder - in een iets andere vorm - verschenen in Plug-ins. Deze door Rob Scholte geïllustreerde bundel verscheen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Fries Museum in Leeuwarden (februari-april 2000).

Vooromslag van Joost Zwagerman, Roeshoofd hemelt (2005)


Roeshoofd hemelt (2005)

In 2005 verscheen de vierde bundel van Joost Zwagerman: Roeshoofd hemelt. Deze bundel zet de uitbundigheid van Bekentenissen van de pseudomaan voort, maar nu in een epische vorm. Ook nu slingeren de verwijzingen (Borges, Slauerhoff, Van Ostaijen, Lucebert, Engelman en vele anderen) weer alle kanten op en ook in deze bundel orgelt en gorgelt Zwagerman er weer flink op los. Maar in Roeshoofd hemelt brengt Zwagerman ook een hele andere lijn aan, van vormvaste rijmende verzen en zelfs sonnetten, maar dan wel sonnetten à la Zwagerman.

De bundel verenigt de wereld van T-Mart, een 'kosmisch' warenhuis waar alles te koop is met de wereld van een psychiatrisch patiënt op zijn ziekbed. Die patiënt is Roeshoofd, bij het warenhuis T-Mart bekend als 'Vastklant R.' In T-Mart is van alles te koop:

Bij T-Mart ontvangt u
zestig melkwegpunten als u
schappend stukjes buitenwacht
in uw singelasingelawinkelwagen deponeert.

(p. 9)

T-Mart is een groteske vertekening van 'De Aleph' uit het verhaal van Jorge Luis Borges. 'De Aleph' is het centrum van het heelal, waar alles uitkomt en naar toegaat. In Roeshoofd hemelt is de Aleph T-Mart geworden, een consumentistisch paradijs, waar alles koopwaar is geworden en iedereen klant:

In de zenuwbaan van klantenkosmos
waar T-Mart op alle schappen tovering
van alephiade heeft gerubriceerd
wemelt in commerciedoosjes
krioelsel van beijverde punaises.
Rijgdraaddunne glans van wimpering de naalden:
alom aangeboden godsbewijs dat uit poriën drupt
zodra in het voorbijgaan van een driecontinentenkind
met een vingertop in een omnidoosje heeft gefrut.
Wie dan allemaal, achter suisbewielde satorikarretjes?
Beter is: wie niét? Leeftijd, naam en paspoort gn bzw.
Zie de wonderjongens en de hittemeisjes op ijlscherpte
van puntige verbeelding hun behuizing weten
waar grappige jassen sippen aan gave glazen gemberbier.
Clientèle toost in T-Mart edelfeestend mee.
Loop daar! Koop over! Geef baar! Schap hier!

(p. 17)

In T-Mart scharrelde ook 'Vastklant R.' vaak rond:

Vastklant R. deed er ooit aan mee, schafte
heldendaden aan of vette sex op geilplaneten
die iedereen van achter pornoseinende rollators
authentiek van horen hijgen kent.

(p. 23)

totdat Vastklant R. een 'bipolaire stoornis' van het schap haalt:

Sadder. Wiser. Hoger. Schoner. Vastklant R. haalt
bipolaire stoornis van het schap,
geblust met melancholie en toefje grootheidswaan

(p. 25)

Er ontstaat twijfel:

Dan bevangt zich vastklant R. wat rafeltjes van twijfel.
Stel dat het artikel thuis niet werkt stel dat
de handleiding jou niet begrijpt? Vraag zo dadelijk om bon.

(p. 25)

De bipolaire stoornis van Vastklant R. wordt weerspiegeld door de opbouw van de bundel. De wereld van T-Mart is beschreven in lange vrije verzen. Als we de binnenwereld betreden van Vastklant R., die dan Roeshoofd heet, veranderen de versvormen. Strakke dichtschema's beschrijven de psychotische herseninhoud van Roeshoofd. Deze strakke gedichten brengen ons binnen in de inrichting waar patiënt Roeshoofd wordt vastgehouden:

halfbange gezichten tijdens bezoek
vragen me roeshoofd wat mis je het meest
is het soort lulvraag dat ik vervloek
als antwoord doek ik mij op in mijn geest

(p. 20)

De schizofrenie van Roeshoofd wordt zelfs door het lettertype gerepresenteerd. De alomvattende kosmos van het eindeloze T-Mart wordt beschreven in vrije verzen gezet uit een schreefloze letter (de Helvetica), de binnenwereld van de inrichting van Roeshoofd wordt beschreven in strakke vormen, gezet uit een schreefletter (de DTL-Haarlemmer). Zwagerman zou echter Zwagerman niet zijn als deze 'bipolaire' bundelopbouw ook niet van binnenuit werd ondermijnd.

De bundel bestaat uit drie afdelingen ('Adem', 'In en' en 'Uit'). Uit de middelste afdeling blijkt dat 'Vastklant R.' alias Roeshoofd de bipolaire stoornis had ontvreemd uit T-Mart:

Dossier vermeldde
wat in tas was aangetroffen:
tweemaal een al uitgepakte stoornis
bipolair plus stevig geprijsde psychose

(p. 41-42)

Dit delict brengt hem voor de rechter en zijn straf is de opname in de inrichting. Zijn verzet tegen de behandeling is agressieve sexfantasie:

zwaar geilend op het neuken en likken
van meisjes die hij graag zou vernielen
weet roeshoofd dat de arts hem wil strikken
als die vraagt of pijn hem kan bezielen

(p. 86)

Aan het einde van de bundel komt Roeshoofd om. Zelfmoord? Onduidelijk. Roeshoofd wordt in een kist naar buiten gedragen:

in zijn lijkkist ligt roeshoofd te grijnzen
en neuriet zacht een liturgisch lied
je leeft een leven van oprecht veinzen
je bent al dood maar weet het nog niet

(p. 100)

In het laatste gedicht begeven de ouders van Roeshoofd zich naar T-Mart. Daar breekt paniek uit, want het gevraagde product, hun overleden zoon, is niet te koop:

overal de headlines dat T-Mart
één product niet kent, ouderpaar
van onbekende vastklant
creëert hier een belastend precedent.

(p. 103)

De schreefletter van Roeshoofds stem schuift dan de schreefloze gekte van T-Mart binnen, maar de ouders horen niet de stem van hun overleden zoon door de intercom van het warenhuis:

Bij T-Mart ontvangt u
zestig melkwegpunten als u
schappend stukjes buitenwacht
in uw singelasingelawinkelwagen deponeert.

In T-Mart wichelt weldaad.
U komt straks ook. Reken maar!

(p. 104)