De gedichten van Tomas Lieske, 1987-2005

Vooromslag van Tomas Lieske, De ijsgeneraals (1987)


De ijsgeneraals (1987)

In 1987 debuteert Ton van Drunen onder de naam 'Tomas Lieske' met de bundel De ijsgeneraals.

De titel is ontleend aan het openingsgedicht 'Giolitti'. Giolitti is de naam van de ijssalon waar het gedicht zich afspeelt.

Jij bent, Giolitti, het ijspunt in de stad vol roest en dampend slak.
Verijzen kan je de verzonnen
en in staalkaart gebrachte kleuren;
de hoogste torens, de stellages,
benigwitte heren serveren.
Gouden tressen, sneeuwend uniform,
epauletten: de ijsgeneraals.

(p. 7)

De vorm van dit gedicht is typerend voor deze bundel. Een gedicht opent met een regel met zeventien of achttien lettergrepen, vervolgens volgen er kortere regels met negen en het gedicht sluit af met een strofe van twee regels met ieder zeventien lettergrepen. Bovendien zijn er nauwelijks gedichten die uit minder dan dertig versregels bestaan. Lange gedichten met lange regels dus.

In het openingsgedicht is een spel met tegenstellingen te zien:

Hem sneden de hitteblaren in de hel van stampend gloeiend staal.
Hij ranselt vuur als nukkig huisdier.
Buiten vriest het stenendik. Buiten
langs de ovens, de installaties
kraakt het gekrui. De onderwereld
fluit aan alle zijden vol vuurgang.

(p. 8)

Lieske zet in zijn gedichten vaak twee verschijnselen tegenover elkaar die elkaars tegenpolen zijn. Kou en hitte (hel) staan hier tegenover elkaar, maar tegelijkertijd laat Lieske deze begrippen ook een verbinding met elkaar aangaan:

En steeds dat beeld dat zij het ijs eet
in een zaal die bij de uitgang brandt.

(p. 8)

De tegenstelling tussen aarde en lucht speelt de grootste rol in deze bundel. Deze tegenstelling is bijvoorbeeld terug te zien in de titel van het gedicht 'De engel en de mol'. Maar ook dit fragment uit 'De vliegenierster' is er een mooi voorbeeld van:

De zee schuimt overal anders, de boeren beneden zijn haar vreemd.
Uit de lucht de aarde bedwingen,
niet vallen als Uranus, maar vliegen
als Blériot en toch de fontein
en Aphrodite weer zien rijzen.
De goden: zij smijten met zonnen.
Laag op de rijstvelden denkt een boer
van hun liefde uit schuim het zijne.
Zijn god poetst geen wapens, maar hij legt
het zonnevuur rustig te smeulen.

(p. 30)

Dit fragment verwijst naar de mythe over Uranus. Zijn genitaliën vielen in zee en daaruit werd Aphrodite geboren. Blériot was een Franse luchtvaartpionier. Het mythologische en het historische staan hier lijnrecht op het aardse (de boer). Toch zijn de fictieve personages niet zonder zorgen: ook zij kunnen vallen. Lieskes gedicht krijgt zo iets weg van een visioen. In 'De valmachtine van Atwood' wordt de wiskundige George Atwood opgevoerd:

Die George, die Atwood, die George Atwood, die valkundige George Atwood,
de Stan Laurel van de fysica!
Liet constant kleine huisvlijt vallen.
Liet langzaam zijn gevoelens vallen.
Lag wakker zonder licht te maken,
kwam overeind en fluisterde iets
tot zijn vertrouwd, zacht lopend toestel.

(p. 25)

Mythische en historische figuren worden het toneel op gesleept. Daar tegenover staan dieren (vooral runderen en ander vee) en mensen die het aardse weergeven. Lieskes weet de tegenstelling in zijn fantasiewereld geloofwaardig te overbruggen. Veel van zijn gedichten lijken stukken scenario voor een film of toneelstuk door de minutieuze of absurde beschrijvingen van figuren en dieren, zoals in 'Tête de veau':

Een grof eethuis ondervindt terreur:
een man met een onderlijf dat log
agressief vadsig toont, paardachtig.
een bovenmaats geslacht zo te zien.
En dan zijn vriend: die is geboren
uit zijn moeders geilheid voor een rund;
een hondekop, neen, die van een stier,
een man die vreet achter een doolhof:
lege glazen, borden, dun bestek.

(p. 10)

Niet alleen dit gedicht is erotisch getint, een ander voorbeeld daarvan is het gedicht 'Conservatrix'. Weer is er de tegenstelling tussen koel en warm. Het museum is aangenaam fris door de klimaatbeheersing, terwijl de bouwvakkers buiten in de zon staan:

Buiten. Totale zomerzon in trilstand. Stratemakers fluiten.
In bloot bovenlijf wordt aan de grond
met stapels ruwe stenen gewerkt.
Ontbreekt hier wat haar steeds bezighoudt?
Verfijnde zuigers, verrekijkers,
de glanzende buizen, de flessen,
de wijzers, de tikkende sterren?
De stenen worden precies gelegd.
Hij geeft de zandige aarde vorm,
de gladde steel van de hamer schuin.
Hij drukt de kop tegen zijn broekriem.

(p. 20)

Lang niet ieder gedicht is zo makkelijk te doorgronden, omdat Lieske niet altijd handvatten aanreikt. In andere gedichten zijn de verwijzingen weer zeer talrijk. 'Het schip Argo' wordt begeleid door een citaat uit de roman De verminkte Apollo van Simon Vestdijk (1898-1971) (Lieske studeerde af op het werk van Vestdijk). Deze roman staat volledig in het teken van de tegenstelling tussen het dionysische en het apollinische. Het dionysische staat voor het onbeheerste en ondoordachte en het apollinische voor de rust en beheersing. Over die tegenstelling gaat het ook in 'Het schip Argo'. * Het is hier allerstilst geworden, vroeger schreeuwde
ik ook, mijn stem was een steeds roepen. Buiten
in de schetterende en alle werelden toebrullende zon
hoort het lawaai. Hier in de donkerte, in de rots,
in de stalen echo van de aarde zelf, drie,
vier meter hoog: honderd man en even
zoveel vrouwen in een ruimte van vier are,
hier is alles stil. Een woord hangt
in de stilte tot het volledig oplost.*
(p. 55)

Het onbeheerste schreeuwen staat hier tegenover de rust en stilte.

Vooromslag van Tomas Lieske, Een tijger onderweg (1989)


Een tijger onderweg (1989)

Twee jaar na Lieskes debuut kwam Een tijger onderweg uit. Deze bundel bevat gedichten die qua vorm gevarieerder zijn, maar is in de grote lijnen ten opzichte van de eerste bundel wel identiek samengesteld: lange gedichten met lange versregels.

Tot gisteravond was ik over deze heuvels god. Aangesteld,
maar nooit gecontroleerd, om de olijven te beschermen,
zieke takken af te breken, de goede maar krom gegroeide
bomen werden door mij vol erbarmen gestut.

(p. 34)

De bundels lijken verder veel op elkaar, omdat ook in Een tijger onderweg de tegenstellingen tussen aards en hemels en tussen warm en koud terugkomen. Lieske past dit toe op een specifiek onderwerp: relaties. In het volgende fragment onderzoekt hij het machtsverschil dat elke relatie kenmerkt.

Zelfs je zwaartekracht valt te dresseren. Waarom
nog leren rijden om een ander te verleiden, pronken
in een vreemde piste, strijden met gekleurde
wapens, mijn vredelievend eigendom.

(p. 11)

De 'ik' kan hier bepalen wanneer de 'jij' mag vallen en noemt de 'jij' zelfs eigendom. In de vorige bundel kwamen vooral runderen en ander laag vee aan bod om het aardse te vertegenwoordigen. In Een tijger onderweg staan dieren symbool voor mensen. De gedichten uit deze bundel willen niet verklaren, maar willen de lezer juist meeslepen in het onverklaarbare van verschijnselen als liefde en wreedheid.

Jij hebt altijd een tijger willen kooien
liefst een die zich krulde in de zon,
die de talen van zijn buik met zachte pluimen
sprak, je herkende en je toeliet in het vroege hooi.
Het zou de dood geweest zijn.
Je was nooit van hem vandaan gegaan.

(p. 52)

Er is hier sprake van een machtshebber en een 'gekooide'. Weer gaat het om machtsverschil in een liefdesrelatie.

Het gedicht 'Rosemarie' handelt over een meisje dat Lieske echt gekend heeft:

Omdat de stad, waar zij gewoond had, plat-
gebrand was, omdat het Troje wederkerend is,
omdat de Berlijnse beer tot in haar bed
zijn afgebrande poten moest verzorgen, omdat
op haar barmhartigheid geoefend werd.

(p. 41)

Het Duitse meisje Rosemarie heeft tijdens Lieskes jeugd een tijd ingewoond bij zijn familie nadat haar ouders waren omgekomen in de oorlog. In Lieskes latere werk (vooral het proza) speelt dit meisje een grote rol. Een tijger onderweglijkt door de herinneringen aan dit meisje intiemer dan zijn eerste bundel. Maar ondanks het persoonlijke karakter komen de gedichten soms nog steeds over als visioenen:

Over het water roeien dat geen houvast biedt,
meer en meer het moedeloos besef dat de rivier verbreedt,
traag het licht zien dalen in de kabbelende golven,
achter me het leven dat sporen laat en groeven toont,
rechts de dieren op de Uilebomen,
vol mededogen, maar in een taal die ik niet versta.
En alle stromen leiden naar de laatste stralen,
de laatste straten komen te vroeg in zicht,
nog heb ik mijn stedelijk gewicht, maar mijn riemen falen.

(p. 58)

Dit fragment komt uit het slotgedicht 'De wandeling van de laatste olifanten'. In eerste instantie denkt de lezer dat het gedicht zich ergens in Afrika afspeelt, totdat de olifanten over een brug heengaan die de 'ik' op dat moment aan het meniën was. Ineens wordt dan de wijk 'Uilebomen' genoemd en moet de lezer constateren dat dit gedicht zich in Den Haag afspeelt. De bundel sluit ermee af:

Allen staren hoog in marmeren rust
naar zee. Honderden grijze olifanten lopen statig
in het water van de rivier. Dan stroomt het water weg
en breekt mijn licht als was het een ballon.

Mij rest de sprakeloosheid, ik ben Eden kwijt,
mijn boot tolt om de scherven van de zon.

(p. 58)

De bundel is uit en de dichter blijft alleen, gekooid en gedesillusioneerd achter.

Vooromslag van Tomas Lieske, Grondheer (1993)


Grondheer (1993)

De bundel Grondheer (1993) bestaat uit drie, naamloze delen. Het eerste deel bevat gedichten die gaan over een schildersbedrijf. Het tweede deel bevat liefdesgedichten. Het laatste deel, zo staat op de achterflap, 'is als een fuga waarin volgens de beste regels van het contrapunt verschillende dingen door elkaar lopen zonder dat de helderheid eronder lijdt.' Het derde deel bevat dus niet per se gedichten met een overkoepelend thema.

Het motto van Dylan Thomas, 'In my craft or sullen art', staat tegenover het eerste gedicht - en dat lijtk erop te wijzen dat we schilderen en dichten met elkaar kunnen vergelijken:

Dit bedrijf, dit gehoond ambacht
dat achteloos over de tong gaat, dat bloeit
in de stilte, dat beeld aan beeld rijgt,
kleur na kleur opzet. Ik sta op de steiger,
de kwast smaakt naar de fabriek die het gras
doet verdorren, boven mij zijn armen
die driftig manen niet te talmen
op de ritmisch zwiepende sporten.

(p. 7)

Het werk 'rijgt beeld aan beeld' aaneen, net als de gedichten van Lieske doen. De dichter beheert zijn poëzie zoals een grondheer zijn land beheert.

Lieske doet ook iets bijzonders met klank in deze gedichten:

Het water van de kwasten smaakt metalig,
de lasten van de kater maken mij baldadig.
De borstels en penselen staan als trofeeën uit de doden,
happen uit een zacht geladen vacht. Hier een lap
die slap geweest is, maar nu vol harde plekken,
onmogelijk te strekken. Gemies, gemies,
zoals de trappen gaan, in de bomen buiten
treedt het gefladder tussen de takken aan.

(p. 12)

Deze passage staat vol met rijm, maar vooral het klinkerrijm valt hier op, zoals de vele a-klanken in de eerste regels.

Het tweede deel van de bundel bevat liefdesgedichten. Elk gedicht lijkt een eenvoudige natuurbeschrijving, maar handelt steeds over de liefde. Het meest duidelijke voorbeeld is het gedicht over de zwarte weduwe:

Draag, nu de dagen komen
dat jij weduwe zal zijn, je zwart
met trots. Zie onze plaats onder de dieren,
een uniek bestaan, dat zoals alle
tot naamloosheid zal vervallen.
Wees een hoge vrouw. Wat ik bedacht heb
in ons leven, is in jou overgegaan,
is door jou verslonden.

(p. 39)

Lieske vergelijkt geliefden met dieren. Het gaat hier alleen niet om standaardvergelijkingen, maar om vergelijkingen met insecten en onbekende diertjes. In dit fragment vertelt Lieske hoe een vrouw de persoonlijkheid van de 'ik' heeft kunnen veranderen en hoe de 'ik' afhankelijk van haar werd. De vrouw is hier de gevreesde zwarte weduwe, de vrouwtjesspin die het mannetje doodt na de paring.Ook in dit deel van de bundel is het klinkerrijm overdadig aanwezig:

En zij eten de bodem, vergeten de adem,
en zij lopen heel traag het bestaan te verdragen.

(p. 36)

In het derde deel van de bundel - in de inhoudsopgave overigens niet duidelijk gescheiden van de eerdere twee delen - zijn twee gedichten te vinden van vijf en en zes pagina's lengte. Het tweede heet 'Van alle roeiers ben ik'; het eerste heet: Zolang dit gedicht' en het gaat over Den Haag. In het gedicht wordt de stad Den Haag verplaatst naar de Miljacka(link is external), een rivier die door de stad Sarajevo loopt.

Wij hebben de stad verplaatst, aan weerszijden
van de rivier tegen de heuvels gevlijd.
Wat een schoonheid dachten we eerst en wezen
op de renaissancistische vergezichten
en het wonderlijke van de koepels op het Zieken.
Toen floot een granaat als een orgelpijp.

(p. 53)

Het Zieken is een straat in het Haagse centrum. Lieske verweeft de oorlog in voormalig Joegoslavië met het rustige, politieke Den Haag. Er ontstaat een spanningsveld tussen deze twee werelden. Door deze onwaarschijnlijke verweving van twee steden komt de oorlog dichterbij. De bundel verscheen tijdens de oorlog, die duurde van 1991 tot 1995.

Het laatste gedicht toont veel overeenkomsten met het laatste gedicht uit Een tijger onderweg (1989). Grondheer eindigt zo:

De woorden zijn de zachte reuzen die ik nodig heb.
Zij zijn het maïsgeel voor de hanen.
Zij zijn de laarzen in een plassig weiland,
de gladde moed, de strakke wil van jonge maagden
die dansen voor de koppen van de draken.

De vorst zet de rand van het scheepswrak onwrikbaar
tegen de binten aan. IJzig en wit blijft
de nacht in twinkelingen hangen.

(p. 63)

In dit gedicht vertelt Lieske over het Den Haag uit zijn jeugd en het contrast met de huidige stad. Dit wordt versterkt door de zon en warmte uit het verleden en de vorst die de stad nu in zijn greep houdt. Er is geen sprake van een chronologische overgang van vroeger naar nu. Het lijkt daardoor alsof de scènes in elkaar overlopen. Dit is vergelijkbaar met 'De wandeling van de laatste olifanten' waar droom en werkelijkheid ook door elkaar heenlopen. In beide gedichten raken twee werelden vervlochten, maar in de beide gedichten lijkt ook de tijd stil te staan, omdat de boten uit deze poëzie niet vooruit komen.

Vooromslag van Tomas Lieske, Stripping & andere sterke verhalen (2002)


Stripping & andere sterke verhalen (2002)

Stripping & andere sterke verhalen verscheen in 2002, negen jaar na Grondheer.

Ook in deze bundel gaat het weer vaak over tegenstellingen, bijvoorbeeld die tussen droom en werkelijkheid:

je kind blijft dood. Maar iedere nacht
mag jij dromen dat je jongen leeft, speelt,
verder groeit en met je praat in zachte
woordenloze droomballonnentaal. Ontwakend
hoor je ieder morgen weer het noodsignaal:
de stilte van het dode-kinderenjournaal.

(p. 15)

Een kind is overleden, maar leeft voort in de droom. Lieske vergelijkt dit met een kind dat een ongeluk wel overleeft, waarna de ouder iedere nacht droomt van andere mogelijke ongelukken.

Een geestige inslag heeft het gedicht 'Klacht van een spitsmuis (gemummificeerd)'. Het gedicht verscheen eerder in een bibliofiele uitgave: Of er spitsvreugde is (2001).

Vooromslag van Tomas Lieske, Of er spitsvreugde is (2001)

Ik ben in formules gewikkeld, opgewaardeerd met gebeden. Alles ijdel. Geen fractie
van Horusactie. Geef mij de herinnering aan hoe ik was. Geef mij mijn portret

op de buitenste spitsmuisverpakking, onbereikbaar achter de stroken gebedsinkt.
Hoe verlang ik mijn dappere glimlach te zien, mijn snorharen, mijn pientere ogen.

(p. 33)

In deze klacht wordt het levensverhaal van deze muis verteld door de dode muis zelf. Hij staat niet achter de manier waarop hij is begraven, hij wil gewoon de simpele muis zijn die hij altijd is geweest.

Zoals de titel al doet vermoeden hebben de gedichten veel weg van sterke verhalen die in de kroeg verteld zouden kunnen worden. Daarnaast vertelt Lieske in deze bundel levensverhalen van historische personen, sommige alsof hij ze zelf gekend heeft. Het gedicht over Copernicus(link is external) gaat over diens ontdekkingen:

God is een brandpunt van lichtherinneringen
in een gekromde ruimte, een schroeiend veld
van geuren. Zijn engelen zijn stromend gas,
polen van onvoorstelbaar magnetisme,
de hoeders van het goddelijke licht
en van het wonder van de duisternis.

(p. 20)

Niet alleen qua inhoud zijn de gedichten te vergelijken met verhalen ook qua opmaak lijken ze op proza. Kleine marges, nauwelijks eindrijm en veel lange zinnen. Het begin- en het eindgedicht zijn hiervan de beste voorbeelden. Beide gedichten bestaan uit meerdere onderdelen waardoor het verhalen met kleine hoofdstukjes lijken.

Dan kijkt zij naar haar spiegelbeeld. Is dat de reden
dat zij zich opdrukt, haar blauwe spijkerhemd,
wie weet, straks afrukt, haar lingerie, haar maskers,
haar huid en haren laat drijven op het water
en elders een nieuwe vrouw verschijnt.

3

Verder dan Basel, in een beschaving, zouter,
minder ramkoersvast, grondvaardiger
dan de onze, wordt een vrouw getild
over de wielen van een platte wagen.

(p. 8)

Er zijn perspectiefwisselingen en er worden verschillende werelden verkend. De eerste scène is heel realistisch, terwijl het tweede stukje heel sprookjesachtig aandoet. Deze tegenstelling komt ook voor in het laatste gedicht van Stripping & andere sterke verhalen. Daar blijkt dat sprookjes toch niet altijd zo romantisch zijn als ze worden voorgesteld:

Op dit uur verschijnen de sprekende
jakhalzen Kalila en Dimna, de spoken van oude geschiedenissen,

springen de droombeelden van het werkelijke plaveisel af.
Vanaf dit volwassen uur gaan schaduwen de twaalfjarige begeleiden.

'Tot deze nacht,' sprak zij bang, 'was mijn leven twaalf jaren vanzelfsprekendheid,
maar iets is nu gebroken.' De rook trekt op. Een wit engelbeeld vervliegt.

(p. 50)