Gedichten van Huub Beurskens, vanaf 1995

Vooromslag van Huub Beurskens, Iets zo eenvoudigs (1995)

Iets zo eenvoudigs (1995)

Voor de bundel Iets zo eenvoudigs (1995) ontving Huub Beurskens in 1996 de Jan Campert-Prijs. De bundel opent met het lange titelgedicht, waarna vier andere delen volgen, waaronder een deel dat in samenwerking is geschreven met Leo Vroman ('Kikker van de Gheyn'). In het titelgedicht komen de begrippen tijd en vergankelijkheid weer terug, thema's die in de eerdere bundels van Beurskens ook al een grote rol speelden.

Voor honderden jaren staan de sterren

geijkt


    en tegelijk voor geen razende seconde;

het is zowel het besef van het laatste

als het eerste dat ons van de dingen


en de dieren scheidt

    en ze ons tegelijkertijd

dichterbij brengt dan de dieren de dingen

elkaar en ons kunnen, hoeven

      en willen zijn.


(p. 10)

Het schrijnende verleden, de Tweede Wereldoorlog, wordt op een persoonlijke manier gereleveerd in het gedicht 'Surrogaat':

'We smulden van tulpentaart en bietenjam' -

ze heeft als kind de hongerwinter doorgemaakt,

vandaar schroom zowel als terugverlangen in haar stem,

niets immers kan ooit vervangen wat haar geraakt

heeft, toen, al was de verwenste kou een ware hel.

Er bestaat geen surrogaat behalve dood wanneer we kwijt

zijn in de eeuwigheid, invangster van de tijd, de tel

en dat we, stel, daarin blijvend zullen - ja wat?


(p. 40)

Vooromslag van Huub Beurskens, Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998 (1997)

Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998 (1997)

In 1997 verscheen de verzamelbundel Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998: 414 pagina's poëzie. Aan de verzamelbundel werd ook nieuw werk toegevoegd: 'Bange natuur' - dat overigens niet afzonderlijk werd uitgegeven. In het titelgedicht wordt de angst beschreven ten onrechte voor iets gestraft te worden:

Een bange natuur ben ik. Zo waag ik het niet zomers

zomaar een fruitboomgaard in te lopen, waar ik

louter van onderen zou willen bewonderen, met

mijn armen op mijn rug, het warme welgevormde

hangen van elke volle blauwe vrucht, uit angst

dat de teler van me denkt dat ik er stiekem pluk.


(p. 381)

Regelmatig bezingt Beurskens in zijn gedichten het ogenschijnlijk nutteloze, zoals het languit liggen in een park in de zon. Het is wat hij noemt: de verplichting het leven te omarmen. Zo roept hij in het afsluitende gedicht 'Lamento' de lezer op een park binnen te wandelen en zichzelf te laten 'stelen':

Sta op en wandel eens een tuin binnen of

in een lentezonbeschenen park, laat je stelen,

even, zie hoe om je een Al te laten geworden

tussen het zeer vele weinig meer van /node/ is

dan een in alle kalme klaarte in ondiep water voor je

oeverrand zich oranjerood bewegen van grote vijver-

vissen die je welhaast kunt strelen...


(p. 405-406)

Vooromslag van Huub Beurskens, Een hemd in de wind (1999)

Een hemd in de wind (1999)

In de bundel Een hemd in de wind: gedichten (1999) komt een ander aspect van Beurskens' poëzie naar voren. Het gedicht 'Gedicht aan de regie' keert zich opnieuw tegen wetenschappelijkheid en tegen de moraal die schijnheilig is en niets verandert aan het leed:

Bespaar me elk gelul in 's hemels naam,

in advertentiecampagne, programmaboek

of vraaggesprek, over geestelijke waarden,

waartoe zijn wij op aarde, moraal, plicht

en onderliggende, eigenlijke betekenis. Onthul

en openbaar me de carnivale apocrief. Vergis

je eindelijk weer eens in het lijden niet.


(p. 14)

In de cyclus 'Uitzicht kalm te genieten' wordt een vakantie-achtige stemming opgeroepen met rustgevende elementen als heuvels, verre uitzichten en de zee. In het tweede gedicht uit de cyclus dagdroomt de dichter van een bootje dat hij ziet varen in de zee: opnieuw gaat het hier over waarneming, waargenomen worden en bevrijding:

Een bootje schommelt al een poosje kalm precies

binnen het geglinster tussen twee spijlen in

in het uitzicht over zee. Sensationeel

zou zijn als het daaruit niet te ontsnappen wist.


(p. 37)

Beurskens gebruikt in zijn gedichten vaak neologismen, (nog) niet bestaande, nieuwe woorden, die regelmatig wonderlijk aandoen, zoals 'hoorspelstudioblik' en 'nimfenverschijnen':

Waar herbeleven faalt faalt beleven. En het faalt. Het

gedicht is niet meer dan een meeroppervlak zonder meer. Eronder

schuilt slechts hetzelfde en daarin weer spiegelt het

zich. De O's zijn niet van de lucht maar als manen zonder

wonderen van licht. Zelfs wonden zijn grime, roerselen als donder

van hoorspelstudioblik. Semi-somber semi-ik speelt ik net

ik. Wees expliciet! Ja maar nee niet het verlangen op een vlonder

wil ik horen maar nimfenverschijnen zien in loofduister en riet...


(p. 58)

Vooromslag van Huub Beurskens, Woongenot & reisplezier (2001)

Woongenot & reisplezier (2001)

Woongenot & reisplezier, een klein bundeltje uitgegeven in 2001, bestaat uit twee sonnettenkransen die Huub Beurskens in samenwerking met Wiel Kusters schreef. Kusters opende de krans 'Woongenot', Beurskens opende de andere krans, 'Reisplezier'. De gedichten eindigen steeds met de eerste regel van het erop volgende gedicht. De twee dichters schreven voor beide cycli om en om een gedicht.

De gedichten uit de cyclus 'Reisplezier' gaan over reizen, verandering en de geschiedenis, thema's die alle iets te maken hebben met wat ver weg is of met wat nog moet gaan gebeuren. In het eerste gedicht uit deze cyclus vraagt de dichter zich af of reizen wel een doel heeft. Als alles en iedereen van dezelfde waarde is, is er toch geen noodzaak een andere plaats op te zoeken?

Kan Eden ooit meer zijn dan een moment?

Je reist niet, verstuurt geen ansichtkaarten

als alles om en in je van evenveel waarde

is, hemel op aarde, waar je ook bent


(p. 24)

Toch heeft het onbekende zeker zijn charme:

nee, dat je het niet herkent, niet kennen kunt

als je niet meer terug moet in ovenhete steden,

over helse autowegen, door louter onpure natuur,

waar je van geluk mag spreken als voor de duur

van een tel zich een vermoeden opent in het heden.

Het onvervuld verlangen zij ons nog lang vergund.


(p. 24)

Vooromslag van Huub Beurskens, Zang en verdoving (2003)

Zang en verdoving (2003)

In 2003 verscheen Zang en verdoving. In deze bundel lijken de gedichten persoonlijker dan ooit, zoalshet gedicht 'Altijd iets met september', waarin de dichter herinneringen ophaalt aan een oude vriend. Het is geschreven voor de Vlaamse dichter en schrijver Stefan Hertmans.

Herinner je. In een kleine Gentse achtertuin

daalde de maand die er aardgericht een wisse

tochtigheid bezat als een schijnbaar beheerste

jaarlijks in de bezetenheid af.


(p. 22)

Ook het gedicht 'Zo traagzaam' verhaalt op een persoonlijke manier van vriendschap:

We praatten in De Jaren midden in de stad

over hoe de nachtegaal bij Heinrich Heine

hoog in de linde misplaatst te zingen zat.

Op een overwoekerd pad was ik de kleine

jongen jij de grote me zwijgend wijzend schat

na schat.


(p. 51)

Geuren, seizoenen, genot en angst maken het decor van deze gedichten uit. De dichter probeert de werkelijkheid steeds op een andere manier te bekijken, zoals in het gedicht 'Artis op een tropische dag na sluitingstijd', met een dierentuin bevrijd van bezoekers:

Nu hij door mensen zo goed als verlaten is

bestaat de tuin pas echt uit een macht aan

bomen en volle struiken waartussen en -onder

beschaduwd de dieren loom en verzadigd zich

overgeven aan een leven zonder dwangbeelden

van vermeende paradijzen.

Vooromslag van Huub Beurskens, Als met een vogeltje (2004)

Als met een vogeltje (2004)

In 2004 verscheen bij uitgeverij Atlas de bundel Als met een vogeltje. De bundel is weer wat minder persoonlijk dan de bundel Zang en verdoving. Er is ook meer plaats voor de taligheid die in Beurskens eerdere bundels al naar voren kwam. Opvallend is ook het gebrek aan interpunctie. Dat creëert veel spanning omdat er open en verrassende zinnen ontstaan. Belangrijke thema’s binnen deze bundel zijn de natuur, liefde en lust en het heden en verleden. Mythologische en Bijbelse figuren spelen een rol en ook naar de tuin van Eden wordt vaak verwezen.

Het motto is een citaat uit het Bijbelboek Job:

Kunt gij met hem als met een vogeltje spelen,

en hem vastbinden voor uw meisjes?


Job 40:24

Deze vraag van Job is terug te vinden in het gedicht ‘Behandeling van de dwarsboom’ Maar bij Beurskens gebeurt er iets anders dan in het bijbelboek. In Job is de vraag of je een krokodil kon vastbinden om als een vogeltje met hem te spelen. Bij Beurskens gaat het om een engel:

treedt dan de schrikkelijke me alsnog in het zicht

zal ik met hem spelen als met een vogeltje hem

vastbinden voor mijn vriendinnen zien hoe ze me

bewonderen tot ze mijzelve voor engel houden en

kinderen met me willen dan laat ik de dwarsboom

neer in de engel geloof ik niet maar in mij worstelt

het dat ik dit tot geen een iemand voortplanten

wil en maar ga en ontwricht deshalve in me keer
.

(p. 47)

In Als met een vogeltje wordt een aantal zeer verschillende boomsoorten ‘behandeld’. Alle bomen krijgen een eigen verhaal dat bij hen past. Zo staat de appelboom in een tuin tussen een huis en een hondenhok en de kersenboom in een boomgaard die troost biedt in moeilijke tijden. Rondom de bomen gebeurt vaak iets. Dit is zeker het geval bij ‘Behandeling van de parkboom’:

schuur in het park met je hoofd

een boom tot hij niet alleen glanst

van water wacht ertegenover op

een bank gezeten zeker wetend

dat een team van orde gauw zal

komen bestaande uit niet eens

zo velen om hem aan zijn wortels

mee te nemen voor het stopt

met druilen en met gele lippen

een zwarte man erin kan kwelen
.

(p. 12)

Beurskens gebruikt de bomen om iets te beschrijven wat moeilijk te bevatten is. Het gedicht ‘Behandeling van de treurwilg’ begint met de zin:

De boom moet je goddoorlatend zien

In de rest van het gedicht onderzoekt Beurskens of de wilg iets van God kan laten zien. Het gedicht eindigt als volgt:

de vraag wat zo’n wilgs wezen wil met

zijn twijgtoppen omlaag geluk verdriet

je vindt het niet luister naar zijn waaien

het wordt maar geen lied omarm zijn stam

strooi met smalle blaren doorsta seizoenen

jaren kappen zagen vergeet het geleidelijk

misschien eens zie je een wandelende oude

voor de god aan die zijn zelf doorlaten kan
.

(p. 15)

In het gedicht ‘Behandeling van de mannelijke boom’ wordt de boom zelf een persoon. De boom in dit gedicht krijgt gevoelens en verlangens:

Om zonder te kunnen lopen om

zonder ogen neus en oren hevig

verliefd te worden op een vrouwe

zonder ogen neus en oren al even

hevig allenig geworteld verre van

zijn mogelijkheden haar te betasten


(p. 44)

In Beurskens’ poëzie is ook vaak een maatschappelijke betrokkenheid te vinden. In Als met een vogeltje doet hij dat heel subtiel. In het eerste en het laatste gedicht herinnert Beurskens de lezer aan de atoombomramp in Hiroshima. In het eerste gedicht, ‘Behandeling van de Hiroshimaboom’, vergelijkt hij de ‘boom’ van de atoomontploffing met grote gevaren uit de natuur. Hij beschrijft hoe zelfs engelen verbranden als deze ‘boom’ splijt. Beurskens besluit dit gedicht met de woorden:

Hiroshima is voor elk gedicht een woord

te zwaar gij moet het maar niet weer doen
.

(p. 9)

In het gedicht ‘Behandeling van de juniper’ houdt Beurskens zich zelf echter niet aan dit advies. Het slot van de bundel luidt:

hoewel zij die hem zag

er niet meer was staat

hoewel in ander licht nog

steeds in datzelfde jaar

aan de inham van Tomo

in wat nu wat Ootomo

no Tabito toen niet wist

de provincie Hiroshima is
.

(p. 50)

De gedichten in Als met een vogeltje gaan niet alleen over bomen. Beurskens behandelt ook dieren, een voorwerp of natuurverschijnselen. In ‘Wandeling met déjà vu’ beschrijft hij het psychologische verschijnsel waarin de tijd ons een moment anders voorkomt:

niet ademloos onttrekken aan het nu het onttrekt zich

voortdurend maar aan ons in het kortstondig defect

nee erna als effect ervan alleen ervaren wij ons

geheel als heel geweest en overdenken dit dan


(p. 27)

De cyclus ‘Rêverieën van een caféist’ neemt in de bundel een speciale plaats in. Dit allereerst vanwege de vorm van de gedichten in deze cyclus die afwijkt van de rest van de bundel. De andere gedichten bestaan ieder uit zeven strofen van twee regels. De cyclus bestaat uit negen gedichten van elk drie strofen van vier regels. Elk gedicht binnen het grote gedicht heeft een nummer.

Ook qua thema verschilt ‘Rêverieën van een caféist’ van de andere gedichten in de bundel. De caféist is waarschijnlijk een cafébezoeker die het drinken als zijn beroep ziet. Het gedicht bevat de gedachten die deze man toevallen terwijl hij zijn biertjes drinkt. Zijn dronkenmansgedachten lijken bijna filosofisch:

5

Hoe zou een zwarte kat ongeluk kunnen

brengen maar een over zee aanvliegende

bommenwerper hoop peinst de caféist


(p. 33)

Vooromslag van Huub Beurskens, In duizend kamers (2006)

In duizend kamers (2006)

De bundel In duizend kamers (2006) schreef Huub Beurskens samen met collega-dichter Wiel Kusters. De bundel bestaat uit verschillende afdelingen. Binnen elke afdeling is het zo dat de ene dichter start met een gedicht en de ander hierop reageert. Achter in de bundel is de rolverdeling terug te vinden.

De bundel begint met de twee sonnettenkransen uit Woongenot en reisplezier die eerder in een bibliofiele bundel waren verschenen.

Nieuw in In duizend kamers is de cyclus ‘Tobias en de vis’. Het verhaal dat deze cyclus vertelt is gebaseerd op het Bijbelboek Tobit. Daarin staat hoe Tobias op reis gaat om voor zijn blinde vader Tobit geld te halen dat bij een bekende in bewaring ligt. Tobias krijgt een hond mee en een reisgezel, maar weet niet dat deze een engel is. Tijdens het baden wordt Tobias aangevallen door een vis. De reisgezel draagt hem op de vis te vangen. Het hart, de lever en de gal van deze vis moet hij bewaren. Het hart en de lever zal hij later nodig hebben om zijn toekomstige vrouw Sara van een kwade geest te bevrijden. De gal heeft hij nodig om zijn vader van blindheid te genezen.

In het gedicht komen vier personages voor die allen aanwezig waren toen Tobias de vis ving. Wiel Kusters nam de tekst van de vis en de engel op zich, Huub Beurskens verwoordde de ervaringen van Tobias en zijn hond:

Is bijgeloof hierin geloven misschien?

Hij raadt me hart en lever te bewaren.

Niet mee te braden. Ook de gal. Om nadien

de geesten te verjagen uit de haren

van wie – geen man keerde uit haar nacht terug

- ik aan mijn blinde vader zou laten zien…

Is de duivel in mijn gezel gevaren?

God kan het niet zijn. Er beeft iets op zijn rug
.

(p. 42)

Het volgende gedicht is getiteld ‘De faunfontein’. Dit gedicht gaat over een stenen faun die is veranderd in een fontein. Faunen staan in de mythologie bekend als wezens die zich laten leiden door de lust. In dit gedicht staat de vraag centraal of dit de waarheid of slechts een vooroordeel is. Het gedicht is gebaseerd op de mythe van de dood van Procris. In die mythe hoort Procris dat haar man vreemdgaat tijdens het jagen. Procris volgt hem en ontdekt dat de roddel onwaar is. In haar vreugde wil Procris haar man omhelzen: ze springt op en rent naar hem toe. De jagende man denkt echter met een prooi te maken te hebben. Hij schiet meteen.

Van gluren naar wie spiedt komt dood,

een faun, een vrouw als panterkat, een man,

een tragisch span, plus één, wie weet

dan wat wiens liefdeslust of argwaan is?

Als van was. De faun. Hij ziet het aan.

Hij ziet een man die knielt en valt

en voelt zich tot een mens versmald
.

(p. 53)

In ‘Tobias en de vis’ en ‘De faunfontein’ spelen de dichters met de vorm van het sonnet. De strofen binnen deze gedichten zijn vaak acht en zes regels. Zo ontstaan er soms dus sonnetten binnen het grotere geheel. De bundel bevat ook de cyclus ‘Herendubbel’. Deze bestaat uit vier sonnetten. De cyclus werd eerder apart uitgegeven in eigen beheer, ter gelegenheid van de jaarwisseling 2003-2004. De sonnetten gaan over tijd:

          Waartoe is de aardkloot

op weg? Van wiens opslag of return? Wie of wat

kan zo godsgruwelijk allenig dubbel spelen? Dorst

is er te lessen, honger te stillen! Maar nu even lol

te maken. Opdat we schijten mogen als de hond,

braken als de kat. Zalig Nieuwjaar de braadworst!


(p. 57)

In duizend kamers besluit met honderd kwatrijnen uit de afdeling ‘Tot honderd’. Ook deze kwatrijnen zijn steeds om beurten geschreven door Wiel Kusters en Huub Beurskens. Elk kwatrijn reageert steeds op het voorafgaande.

Leerproces

Wat het kind vooral gedwongen is te leren

is zich, zonder hoop er terug te kunnen keren,

afvragen waar die wereld is gebleven van toen

het moeten leren hem nog niet kon deren.

Dit kwatrijn van Huub Beurskens gaat over een kind dat al lerende de wereld anders gaat waarnemen. Het verliest daardoor ook zijn eerdere blik en verlangt terug naar zijn oude universum. Wiel Kusters reageert dan ook met het kwatrijn ‘Regressie’:

Regressie

Wanneer ik sterf, laat ik een wereld na

van wat ik wist en deed en waar ik uit besta.

Schijnbaar mijzelf, maar hopeloos vaneen.

O boedel onverdeeld waarnaar ik ga.


(p. 64)

Vooromslag van Huub Beurskens, Eigenlijk heb je alles al (2008)

Eigenlijk heb je alles al (2008)

In 2008 verscheen de bundel Eigenlijk heb je alles al. Een aantal gedichten uit de afdeling ‘Scherven flessenglas’ was in 2006 al in een bibliofiele uitgave onder diezelfde naam verschenen. In Eigenlijk heb je alles al neemt Beurskens gedichten, brieven of songteksten van anderen, en haalt daar stukjes uit die hij verwerkt in eigen gedichten.

De vorm van de gedichten verschilt per afdeling van de bundel. In de afdeling ‘Vermist’ bestaan bijvoorbeeld bijna alle gedichten uit twee achtregelige strofen. Maar in ‘Scherven flessenglas’ verschilt de vorm per gedicht. In het titelgedicht van deze bundel gebeurt heel veel. Het begint zo:

Eigenlijk heb je alles al om op zomaar een dag

te staan huilen in zomaar een bos populieren,

liefde gehad, verloren, gevonden, vader verast,

moeder ontbonden, vlees gediend, god verlaten,

De eerste woorden gaan over iemand die alles heeft, maar eigenlijk alles blijkt te hebben verloren. Zijn ouders zijn al overleden en hem wacht alleen de zekerheid van zijn eigen dood.

eigenlijk weet je alles al, je bent de dood zijn niet

te missen kans, zijn niet te weigeren voorstel je

met alle voorstellingen van hem te wissen, rouw

is er dan geen, geen krans of graf, geen annonce

in de krant, je ziet zijn oever die je wacht slechts

zolang je denkt dat hij je al dan niet verwacht en


(p. 87)

Het lijkt zo dat er geen rouw hoeft te zijn als mensen zich geen voorstelling maken van de dood. Maar het zou ook kunnen dat de persoon uit dit gedicht niemand heeft om om hem te rouwen als hij sterft.

In Eigenlijk heb je alles al is de dood een terugkerend thema. Soms relativeert Beurskens de dood zoals in het gedicht ‘Na de chirurgie’. Hier stelt hij de dood voor als een narcose:

  Het besef dat mijn dood zou zijn zoals ik

zelf die middag moest zijn geweest zonder mijzelf

erbij maakte me zo volkomen onsentimenteel blij


(p. 28)

De afdeling ‘Trakl aan zee’ is gewijd aan de Oostenrijksedichter Georg Trakl(link is external). Trakl was apotheker en moest tijdens de Eerste Wereldoorlog naar het front om gewonde soldaten te verplegen. Hij had vaak last van depressies. De afschuwelijke dingen die hij tijdens de eerste wereldoorlog meemaakte, brachten hem ertoe zelfmoord te plegen. Beurskens beschrijft hoe Trakl de oorlog heeft beleefd, maar hij schrijft ook over Trakl als dichter:

Door het varen op de nachtelijke sterrenvijver, dat is de hemel

boven de aarde, er-vaart de ziel de aarde pas als aarde in haar

'koele sap', aldus Martin Heidegger naar aanleiding van wat je

dichtte. Filosofisch als gedachte is dat waarlijk mooi gedacht.


(p. 38)

Bij het sterretje verwijst Beurskens naar wat Martin Heidegger heeft geschreven over een gedicht van Trakl.

Eigenlijk heb je alles al gaat niet alleen over dood en ellende. Beurskens schrijft ook over de kunst en wat die met mensen doet. In 'Natuurconserve' bekijkt hij een gewassen tekening van Claude Lorrain(link is external):

Waardoor komen de tranen me bij het zien van een weg

door een pijnboombos eeuwen terug met bister gewassen

op een blad van iets meer dan twintig bij dertig centimeter?

Het schilderij roept bij Beurskens het verlangen op naar wat er ligt achter de plek die de kunstenaar heeft vastgelegd:

Je weet dat aan het einde van de weg een je overweldigend uitzicht

wacht maar dat je daarvoor voor eens en altijd moet achterlaten

wat de tekenaar ooit als een vast te houden belofte voor zich zag.


(p. 20)

Vooromslag van Huub Beurskens, de bibliofiele bundel Scherven flessenglas (2006)

In de afdeling 'Scherven flessenglas' schrijft Beurskens gedichten naar aanleiding van werk van anderen. De Russische, Duitse en Franse teksten waarop de gedichten zijn gebaseerd staan vermeld onderaan elke pagina. Het zijn gedichten in diverse genres, zo is één van de teksten een songtekst van Prince.

Eén van de gedichten van anderen die Beurskens gebruikt is 'Verwensing van ruimte (Venetië)' van Stefan Hertmans gebruikt, dat zo begint:

Je loopt die ene uit

en ziet piazza's grijnzen;

boten vervoeren schimmen

die in extase staan tot aan

een visdoorstonken halte.

Rituelen elke dag.

Inktvis ademt je voeten zwart,


we moeten door passages.

Naar aanleiding van dit gedicht van Hertmans schreef Beurskens 'Ruimte voor verwensing'. Het gedicht sluit duidelijk aan op dat van Hertmans:

'Aan passies valt niet te ontkomen,'

zei je op een avond een kwarteeuw geleden

op een van visgeur doortrokken kade waar

we als in extase tussen twee haltes wachtende

schimmen waren voor wie ons vanuit langsvarende

boten zagen. 'Net zomin als de hagedis aan de leeuwin,'


(p. 66)

In Hertmans' 'Verwensing van ruimte (Venetië)' gaat het vooral over de stad zelf. In Beurskens gedicht staan de passies uit de eerste zin centraal.

Beide gedichten eindigen met de beschrijving van een plaats om naartoe te vluchten. Bij Hertmans:

een geheime holte

waarin Carpaccio’s hagedis

op ons wacht.

Bij Beurskens:

Ik spied naar ontsnappingsgaten,

Jij kruipt in de schaduw van een zich likkend dier.

In het slot van Hertmans 'Verwensing van ruimte (Venetië)' zien we waar de hagedis in Beurskens gedicht vandaan komt. De hagedis in 'Ruimte voor verwensing' vlucht voor een leeuw. Sint Marcus, de beschermheilige van de stad Venetië, wordt afgebeeld als leeuw.Probeert Beurskens ik-persoon hier aan passies te ontsnappen als een hagedis aan een leeuw?

  • Afbeelding van de Leeuw van Sint Marcus de beschermheilige van Venetië

Huub Beurskens, Mathieu (2010)

Mathieu of een figuur om voor altijd te verdwijnen (2010)

Mathieu, uit 2010, is geen bundel maar een lang verhalend gedicht. Het bestaat uit 397 drieregelige strofen. Beurskens gebruikt in dit gedicht geen eindrijm, maar klankrijm. Vaak gebruikt hij in opeenvolgende regels veel dezelfde klinkers en medeklinkers. Dat is ook in de fragmenten op deze pagina goed zichtbaar.Zoals vaker in het werk van Beurskens verwijst hij veel naar gedichten en kunstwerken, van zichzelf, maar ook van anderen. Het motto van het gedicht luidt:

'Waartoe zijn wij op aarde?'

Schoolkatechismus, vraag 1

Deze vraag wordt in het gedicht zelf niet letterlijk gesteld. Beurskens hoofdpersoon stelt wel veel vragen die allemaal tot het antwoord kunnen leiden. Hij komt dan ook met talloze filosofieën. Maar al vrij snel in het begin stelt hij: 'Het moet weer anekdote worden wil het duren, niet hangen blijven in ideeën en gedachten uit en over.' Anekdotes zijn er in dit gedicht dan ook genoeg. Eén ervan gaat over een adventskalender van Anton Pieck. Beurskens beschrijft het winterse dorpje op de plaat zoals de ik-persoon die als kleine jongen zag:

        In het woud

ginder had voor een nog gillende keiler de hoorn geklonken,

de imker drukte zijn oor tegen de korven en hoorde niets,

verdorven heette de herberg met het rode bovenkamerlicht,

in de nu bevrozen slotgracht was de slagerszoon 's zomers

verdronken, eenmaal open mochten de datumluikjes nooit

meer dicht. Een schandaal was het dat straks de zoveelste

lente moest beginnen met zijn forsythiamanie, merelzang-

(p. 12-13)

Soms lijkt Beurskens antwoord te willen geven op de vraag'Waartoe zijn wij op aarde?’:

Ja, de aarde is geen schijf, maar nog altijd

schijnt leven ons niet op het lijf geschreven,

terwijl het natuurlijk niet anders kan dan dat

juist dit het is wat mens-zijn is.

(p. 19-20)

Wat ook steeds terugkomt in het gedicht is de vergelijking tussen mens en dier:

Het weten van de eigen eindigheid als enige wat

we zullen blijken te hebben bezeten wanneer we

er niet meer zijn om dit echt te weten, maakt onze

angst apert aparter dan die van het konijn voor

vosje Rein of van de snoek voor het kunstaas aan

de nylonlijn. De taal is van het misverstand. Stel U

voor, merels sloegen ter verjaging van medemerels

katvrij alarm of muizen lokten ultrasoon 'Cheese'

piepend medemuizen in de val, zoals in de comics

van onze cartoonisten.


(p. 25)

Beurskens benoemt hier de kennis van de eigen eindigheid en van de taal die de mens van het dier onderscheidt. Hij stelt zich voor hoe het zou zijn als de dieren dezelfde kennis zouden hebben.

In het fragment hierboven spreekt de ik-persoon een 'U' aan, dat doet hij vaker in het gedicht. Naast 'U' spreekt hij ook Mathieu aan. Waarschijnlijk zijn deze twee dezelfde persoon, een weerspiegeling in een raam:

        Tegenover hangen

de nieuwe overgordijnen, iemand zwaait dwars door U heen

alvorens ze voor mij dicht te trekken, waarop ik de mijne sluit

voor U die niet zoals THE END of het FINI in een filmtheater bij

het opdraaien van het zaallicht dooft, maar gewoon weer mij

is met mij, zelfs als ik de bureaulamp zo meteen uitknip.

Valt het doek, dan voor ons gelijk, niet-aflatende mezelf-

beluisteraar en –beprater, eenzaadstweeling, eigenst innig


(p. 55-56)

Deze Mathieu zou echter ook heel goed kunnen verwijzen naar de evangelist Matheus. In vergelijking met de andere evangelisten is er over Matheus maar weinig bekend. De schrijver van het bijbelboek vond dat het er niet toe deed of mensen wisten wie hij was. Zo is hij een figuur geworden die voor altijd is verdwenen.

Vooromslag van Huub Beurskens, Hotel Eden (2013)

Hotel Eden (2013)

In 2013 verscheen de bundel Hotel Eden. De bundel opent met een gelijknamig sonnet, waarin twee vragen centraal staan: was het verloren gaan van het Paradijs de fout van ‘Godalsdiezoubestaan’ (zoals Beurskens hem elders in de bundel noemt) of van de mens? En was het paradijselijke leven wel zo zaligmakend?

Was het voor God geen al te menselijke blamage

om in zijn hof een boom te planten en een wezen,

zich bewust van goed noch kwaad, de wacht

aan te zeggen, wetende dat het ervan eten zou,

door de eerste schuld te geven aan diens vrouw?

Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,

dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,

pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage

waaruit we terug willen op die Plantage, als slaven

harken of als varkens wroeten desnoods, om stil

ons verworven inzicht te laven aan dat bitterzoete

en in de avondkoelte God opnieuw te ontmoeten.

Of worden we dan weer ledenpoppen zonder wil?

Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.


(p. 7)

Het gedicht ‘Ach, Europa’ staat stil bij het verval van de Westerse beschaving:

Ach, Europa, met in je steden

al de dieren die de mens benijden:

konden zij maar leven zoals hij leeft

in alle vier de seizoenen, zonder besef

van wat hem voortbracht, wat hij ervan

maakte en hoe hij het straks

achterlaat, heel de ravage.


(p. 14)

Volgens onderstaande regels loopt de mens qua historisch besef achter bij de dieren:

Katten spreken vanaf de tomben

van Montparnasse de mens toe

die er slechts loopt te lanterfanten in de zon:

dat het zo weemoedig maakt de ooit

befaamde namen boven eeuwen gebeente

te moeten zitten lezen, wetende dat

gekomen is wat komen moest,

hardsteenbarst, grafkettingroest.

De mens laat zich met

zulke gedachten niet in, hij lacht

zo onbekommerd als bomen ruisen

en is voor altijd geschikt voor de uitvinding

van de draaimolen en de korte broek.


(p. 14-15)

Ook het besef van sterfelijkheid en het verlies van het geloof komen ruimschoots aan bod in Hotel Eden. Het gedicht ‘Eerste vraag’ beschrijft een ontnuchterende dialoog tussen een negentigjarige vrouw, hoogstwaarschijnlijk dement, en een ik-persoon:

‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’ Tot ik met

een schok dacht: wie weet is het geen vraag

van nu, maar een van toen en daar, de eerste

uit haar catechismus, die met de belofte

van een hemel, en antwoordde: ‘Om God

te dienen en daardoor hier en hiernamaals

gelukkig te zijn.’ Ze keek me er niet eens

bij aan: ‘Dat jij nog gelooft in dat gezemel.’


(p. 18)

Beurskens heeft dit gedicht, evenals het sonnet 'Meimaand' dat hierboven afgebeeld is, geschreven naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder en de gesprekken die hij met haar voerde. Het prozagedicht ‘Onze vaders in de dood’ komt voort uit Beurskens’ correspondentie met collega-dichter Benno Barnard over het verlies van hun vaders. Bij Beurskens leidde deze gebeurtenis tot een afscheid van het geloof in een leven na de dood:

           Nog eergisteren,

op de terugvlucht van Londen naar Amsterdam, in een halflege

Boeing van British Airways, voelde ik de tranen toen ik over niets

dan een wattig wit wolkendek onder een strakblauw uitspansel

keek en dat aan mijn vader had willen tonen, het samen had

willen zien met hem die nooit in zijn leven daar is geweest

waar ik als kind geloofde dat je na je dood zou komen.’


(p. 20)

Uit de verantwoording achterin de bundel blijkt dat Beurskens zich heeft laten inspireren door veel auteurs uit binnen- en buitenland. Naast vrienden als Benno Barnard, Stefan Hertmans en Willy Roggeman zijn dat schrijvers en dichters als William Wordsworth, Ezra Pound, Witold Gombrowicz, Rainer Maria Rilke en Vladimir Nabokov. Beurskens gebruikt een citaat uit Een doodgewoon leven van de Tsjechische schrijver Karel Čapek, ‘het universum is een prima instituut’, om op sarcastische wijze ‘Godalsdiezoubestaan’ te bekritiseren:

Het universum

is een prima instituut,

waar geen kwaad in schuilt.

Dacht u soms dat Auschwitz voor

de Grote Aantrekker telt?


(p. 25)

Maar ondanks alles lijkt Beurskens diep van binnen nog altijd te verlangen naar een terugkeer naar het Hof van Eden:

– dat er vanzelf iets in sloop en daar bleef waar geen vinger

achter te krijgen is, zoals ofschoon je engel je niet mis

te verstaan zijn Eden uit gewezen heeft, de herinnering

aan zijn meisjesgelaat, dat een en al buiten was zo zonder

noodzaak van een binnen, dat je aldoor hoopt het weer

te zien wanneer ooit geen zicht meer door linnen dringt.


(p. 40)