De gedichten van Ester Naomi Perquin, 2007-2011

Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007)


Servetten halfstok (2007)

De eerste dichtbundel van Ester Naomi Perquin verscheen in 2007 bij uitgeverij Van Oorschot: Servetten halfstok. Het omslagontwerp werd gemaakt door de typograaf Gerrit Noordzij.

De 41 gedichten zijn, vrij traditioneel, verdeeld in vier afdelingen: 'Verloren schrift', 'Het minst geluidmakende', 'Los van namen' en 'Een zonderling spoor'. Enkele gedichten verschenen eerder in de literaire tijdschriften De tweede ronde en Tirade. Het eerste gedicht is in aftastende zinnen getoonzet, alsof het om onzekerheid gaat, maar het heeft ook iets nuchters en geamuseerds in de manier waarop het laat nadenken over 'Reïncarnatie':

Wil iemand in mijn benen lopen,
in mijn mond zijn woorden leggen
en in mijn handen stijve vingers
soepel strekken voor pianospel
of strelen - wie wil mij aan?

Word ik de eerste keus of heeft
een mooier lichaam niet gepast?
Lig ik opgevouwen achteraan of
hang ik breeduit in de etalage?

Hoe weten zij hoe ik mij was?
Welk nog onzichtbaar etiket
is in mijn nekrand vastgezet?

(p. 7)

Het gedicht begint met een strofe waarin het eigen lichaam als een kledingstuk is klaargelegd voor een ander, maar meteen wordt de onzekere vraag gesteld wie dat lichaam dan zou willen aantrekken. De metafoor van het lichaam als kledingstuk is niet nieuw, maar de wijze waarop Perquin die in dit gedicht doorzet is origineel. Impliciet is de vraag: wie vindt mij nu mooi? Zijn er geen betere lichamen te vinden? In de laatste strofe gaat het om de relatie tussen lichaam en geest en vraagt de dichter zich af hoe de eventuele nieuwe 'bewoners' van het lichaam kunnen beseffen hoe 'ik mij was', met andere woorden: welke sporen van de persoonlijkheid zijn blijven kleven aan dit nu tweedehandse lichaam? Is er een soort kledingetiket dat dit prijsgeeft?

'Niemand hoeft te zijn wie hij voorwendt', schreef Janita Monna over deze gedichten in een Trouw-bloemlezing uit 2013.

In andere gedichten gaat het om hoe huizen niet meer lijken te passen of juist met zeker geweld tot een eigen plaats moeten worden gemaakt. Over het wonen in een wijk met gerucht van radio's, stemmen en espressoapparaten gaat het gedicht 'De notulist', waarin iemand die geluiden kennelijk noteert:

Het is een steno dat geen mens herkent
en dat hem steeds afzijdig houdt.

Hun leven valt niet uit te praten.
(p. 10)

De meeste gedichten gaan over kleine gebeurtenissen, waarachter grotere gevoelens zoals angst schuilgaan: de terugkeer van een schoolreisje en in 'Ten ruste' schrijft Perquin dan ook:

Maar onverstoorbaar is er brood
en al hetgeen er dient geschreven,
de tafel met het kind daaraan,
schone was, dagelijks leven.

(p. 17)

In korte en beeldende karakteristieken vangt Perquin die momenten van het dagelijks leven en de:

terrasjesbrede ochtend van
een parapluloos leven.

(p. 18)

Tegelijk worden die dagelijkse zaken aan ernstige problemen gekoppeld en wordt bijvoorbeeld het nachtenlang wakker liggen van te sterke koffie gevolgd door een strofe over een te vroeg gestorven vader (in 'Verhalen'). De stap erna is er een de sprookjeswereld in:

Heb je al gehoord hoe ik een keer
de zee leeg goot en zeven heksen
heb verslagen, hoe ik over steden
sprong en het monster heb gedood
dat je toren moest bewaken?

Dat ik je moet verlaten
om verhalen van te maken?

(p. 19)

Er zijn gedichten in spreektaal ('Buurvrouw'), over het afscheren van een baard ('Bij volle maan') en alleen zijn:

Alleen zijn in de zin
van steevast eigen geur

(p. 30)

In het gedicht 'Bekeerling' komen de titelwoorden van de bundel aan bod. Het gaat over een streek waar men van 'staal noch steken' wil weten en waar alleen wat uit de eigen grond wordt gehaald op het bord mag belanden en waar een mes bedoeld is om het eten en niet om een hals door te snijden. Ze eten er aan ongedekte tafels:

Hier wapperen de witte vlaggen.
Thuis hingen na de maaltijd
servetten halfstok.

(p. 35)

In een ander gedicht wordt de wereld voorgesteld als een geheel ontworpen plaats ('Ontwerp'), met een verzonnen bos, een bedachte schemering en een voorzien hart, maar de angst om te verdwalen paste kennelijk niet in het 'design'. In het gedicht 'De minnaar' is er ook dat verschil tussen een ideale en een gevreesde gang van zaken:

Je zou kunnen blijven,
bijvoorbeeld morgen is een
hele goede dag om te blijven

en:

Maar ook kun je weggaan,
bijvoorbeeld vandaag.

(p. 47)

De bundel eindigt met het gedicht 'Gestrand', over een dier met een lijf dat 'haast te groot voor de dag' was en wie de laatste woorden van de regels op een rijtje zet, ziet hoe subtiele klankovereenkomsten de intimiteit van de gedichten van Perquin schragen: was, lag, zand, dag, van, afgekomen, glad, ogen, dicht, noorden, nacht, idee, Goden, is, zee. De laatste regel luidt:

Een zonderling spoor loopt naar zee.
(p. 55)

Ester Naomi Perquin, Namens de ander (2009)


Namens de ander (2009)

De tweede bundel van Ester Naomi Perquin, Namens de ander, verscheen op Gedichtendag, 27 januari 2009, bij uitgeverij Van Oorschot, met een omslag ontworpen door Gerrit Noordzij.

De 35 gedichten in deze bundel zijn verdeeld over drie afdelingen, 'Wat we dragen', 'Kans op inslag' en 'Bij wijze van kater'. Het eerste wat op opvalt is dat de meeste gedichten langer zijn dan die in de eerste bundel. Ook zijn de gedichten minder vormvast en is de stijl meer parlando. De thematiek is duidelijk: angst én de wetenschap dat men geheel iemand anders had kunnen zijn of worden.

De twee thema's komen samen in enkele gedichten die over de sleur in de liefde lijken te gaan, maar ook over gewenning en over gewoonten. De frictie tussen die verschillende aspecten geeft aanleiding tot overpeinzingen en waarnemingen die in een kalm tempo worden behandeld. Soms worden ze ineens doorsneden door kale conclusies, zoals in het openingsgedicht 'Risico's'.

Onze gebruikelijke kamer. Geheel volgens afspraak richten de muren
zich op. Het raam ontvouwt, compleet

met gesloten gordijnen. Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn
of het eind van de dag. Vormvast schemerdonker

In het gedicht wordt de kamer beschreven, het bed en de twee gasten die aan tafel gaan voor het diner:

We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels

iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar.
het grootste gevaar dekt ons toe

met dezelfde plek, dezelfde kamer. We wagen ons gewoontes in,
hebben ons lief. We herhalen.

(p. 7)

Het in die herhaling schuilende risico van sleur, van een teloorgaan van liefde, wordt expliciet aan de orde gesteld in een ander gedicht, 'Jij bent de verkeerde', een liefdesgedicht met een ongewoon gezichtspunt.

Jij bent de verkeerde altijd geweest
en je bent het, ontegenzeglijk, nog steeds.

Van liefde hou ik niet, dat heb ik nooit gedaan.
Ik ben bij je gebleven omdat ik dit zo zeker weet.

Daarna gaat het gedicht twee kanten op: die van het mislukkende begin van de relatie en die van de relatie die er ook had kunnen zijn. Enerzijds zijn er de 'goedbedoelde gesprekken' en het 'gedoe bij volle maan'. Anderzijds is er 'Parijs, het echte leven', maar dat staat gelijk aan 'de nachten en de hel'. Met de tussenvoeging 'de mensen in reclames' geeft Perquin aan dat dit echte leven ook zo echt niet is. Terug dus naar het dagelijkse leven waarin dat 'gedoe' opgehouden is. Die strofe staat tussen haakjes:

(Het hield op, het blijft maar ophouden, dagelijks
minder gevaarlijk, onverschilliger, taaier.)

En het gedicht eindigt met een soort middeling:

Misschien hou ik van je, zolang ik dit
nog onvervreemdbaar meen, dit
te allen tijde veilig stel.

(p. 13)

Het thema 'angst' komt in een ironisch gedicht als 'De laatste onbekende' naar voren. Eigenlijk gaat het over de laatste niet-bekende Nederlander, die aan de greep van televisiecamera's of iphone's ontsnapt is en zich kennelijk doelbewust heeft verborgen. Het gedicht beschrijft de omsingeling van deze laatste onbekende vanuit het standpunt van de kijker, de cameramensen, en die lijken geen begrip te hebben voor die wens van anonimiteit:

Dus u heeft in het geheim geleefd, werd ondergronds
geboren, u bent nooit in beeld geweest.

En aan het slot:

Hield u zich ergens voor iemand verstopt?
Leek het voor u andersom - raakten wij weg
zolang u geen deel had aan ons?

U kunt niet meer weggaan zoals u hier kwam,
in het donker, als een geheim. Blijft u
zo zitten dan zoomen wij in.

Dit is uw kans om aanwezig te zijn.
(p. 11)

Een kans, die van de andere zijde gezien, waarschijnlijk als een groot gevaar wordt beschouwd. In andere gedichten gaat het niet zozeer om de eis van de buitenwereld om aanwezig te zijn, als wel om bepaalde eigenschappen te hebben of om te blijven wie je vroeger was (zoals in 'Vanmorgen werd ik opgebeld'):

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
- kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen -

(p. 18)

In andere gedichten wordt men 'tot de juiste proporties samengebracht' (p. 20) of 'bijeengeraapt tot 'handzame herinnering' (p. 21). Hoe dan ook lijkt het leven te bestaan uit een reeks ongemakkelijke ervaringen en botsingen tussen binnen- en buitenwereld, tussen het leven zoals het geleid wordt en zoals anderen denken dat men het ondergaat of zou moeten ondergaan. Zijn dat in de eerste afdeling nog vooral relationele ongemakken, in de tweede sectie loert meer een dreiging van lichamelijk geweld:

Zelfs al zou je in een droom nog wijzen naar de verre schim
die achter zwarte struiken naar je kijkt: je rok kruipt op.

Een losse dij valt als een drumstick in het licht.
(p. 25)

In deze sectie komen gedichten voor die teruggaan op Perquins ervaringen als gevangenbewaarder:

's Nachts hoort de vrouw van de oude cipier
de grendels verschuiven en slaapt ze niet meer.

(p. 27)

Maar ook de verhouding tot anderen wordt in straffere termen verwoord, zoals in het gedicht 'Vreemden':

Zoals je jezelf op een foto waarop je ruggelings staat afgebeeld
herkent maar omdat het onnatuurlijk blijft
liever niet meer bent - zo is de ander

precies zoals je zelf al denkt: het is niet goed teveel te weten,
geheimen tekenen verstand, geven iets om handen.

Leg tussen jezelf / de ander een diepe zee en verf je haren,
hou je onhoorbaar voor elke poging tot elkaar, verzet je
tegen nadering met rostvast uitgesproken namen.

Geef volle ruchtbaarheid en ga een oorlog aan, wees
te allen tijde onveranderbaar. Val met niemand samen.

(p. 33)

Is dit een advies of is dit wat toch al gebeurt en juist voorkomen moet worden?

De laatste sectie bevat enkele gedichten die wellicht zijn geïnspireerd op de in Zeeland doorgebrachte jeugd van de dichter. Er is sprake van 'braakliggend land' en van 'jaren na de ramp'. De bundel eindigt met het gedicht 'Hier tekenen alstublieft', dat lijkt te gaan over een arrestatie tijdens de oorlog, of over de dood:

Anderen haalden ze doorgaans 's nachts, hun wagens verduisterd.
Jou haalden ze, zelf wat verwonderd, zomaar, op klaarlichte dag.

De laatste regels luiden:

maar jij nam ze hun strenge papieren uit handen, lachte
nog even en zette toen uiterst zorgvuldig een
kruis achter datum en naam.

(p. 46)

Ester Naomi Perquin, Aftocht (2011)


Aftocht (2011)

De Jo Peters PoëziePrijs is vernoemd naar de in 2001 overleden uitgever van uitgeverij Herik in Landgraaf (Limburg). De prijs wordt iedere twee jaar uitgereikt aan een dichter die niet meer dan twee bundels heeft gepubliceerd. Het eerste deel van de prijs wordt direct bij de prijsuitreiking uitgekeerd. Voor het tweede deel krijgt de dichter de opdracht een nieuwe bundel te schrijven die wordt uitgegeven door de Stichting Poëziefestival Landgraaf. In 2010 won Ester Naomi Perquin deze prijs met haar bundel Namens de ander (2009). In opdracht van de stichting schreef zij tien nieuwe gedichten onder de titel Aftocht (2011).

De gedichten lijken te gaan over een relatie en vooral over een relatiebreuk. In een aantal gedichten wordt teruggekeken op die relatie. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Op een dag zul je alles begrijpen’:

Het was nog donker toen, het hele land, we zagen er geen hand voor ogen,
het natte gras, de boom waar wij ons huis van maakten, niets
stak ergens tegen af – waarom zaten we hier, we lachten,
tastten naar elkaar, we doolden zenuwachtig rond.

(p. 9)

Er wordt teruggeblikt op een onwennige situatie. De verteller spreekt van duisternis, tasten en zenuwachtig ronddolen. De twee personen lijken zich ergens te willen vestigen, maar het is donker en zij maken van een boom een huis. Zij denken een thuis gevonden te hebben, maar het klopt niet. Wellicht kan deze wil om zich te vestigen worden opgevat als het begin van een relatie. In dat begin zit dan ook meteen al een fout, want het huis is geen echt huis. Uit het vervolg van het gedicht blijkt ook dat er ergens al iets is misgegaan, een verkeerde afslag is gemaakt:

Ergens hadden we een bordje, een afslag, een briefje gemist, straks
kwam er iemand die ons bij zou praten, hij zou zwetend arriveren,
excuus maken, hoffelijk hoofdschuddend brood en soep
uitstallen, hij zou rekenen op ons begrip.

Zo logisch zou alles dan zijn: de horizon zo overzichtelijk, het gras
gemakkelijk te schikken, de boom een tastbaar silhouet

(p. 9)

Wanneer de verteller terugblikt op het begin, ziet ze daarin het einde. Het begin van de relatie wordt in dit gedicht gepresenteerd als onwennig, de twee personen in het gedicht zijn zenuwachtig. De verteller laat het overkomen alsof iedereen in het begin al wist dat het stel niet bij elkaar hoorde, dat zij zelf er alleen nog maar over bijgepraat hoefden te worden. Terugblikkend voorziet de verteller dat, wanneer dat zal gebeuren, alles plotseling op zijn plek zal vallen. De onwennigheid van het begin staat tegenover de logica van het einde. Zelfs zo duidelijk, dat het lijkt alsof hun samenzijn van tevoren al gedoemd was te mislukken:

Zo dus.
Voor aanvang klemgezet.

(p. 9)

De vraag is wel hoe betrouwbaar deze verteller is. Zij blikt terug op een relatie die ondertussen al voorbij is en voorziet het einde met terugwerkende kracht. Was het echt zo duidelijk als hoe de verteller het beschrijft? Had het stel het einde van de relatie echt in het begin al kunnen voorzien? Of is het met terugwerkende kracht makkelijk praten?

Uit de gedichten spreekt vaak verwondering over tijd die voorbijgleed en over een einde dat werd ingezet toen er even niet werd opgelet. Zoals in het gedicht ‘Het had geen verassing moeten zijn’:

Ze wist wel van vocht. Ze kende de vele gradaties, de vloeiende voortgang
van schimmels. Had verstand van alles dat achtergebleven in koffers
op zolders bleef wachten. Was niet verwonderd over slijtage
door spinrag of motten. Ze wist al wat roest doet.

(p. 13)

In deze eerste strofe worden enkele vormen van verval beschreven, zoals roest, vocht en schimmel. De vrouw in dit gedicht weet daar alles van. Uit de rest van het gedicht blijkt echter dat ze zich toch heeft laten verrassen:

Dat het gebeurde terwijl ze er was, een taal leerde spreken, contacten
legde met aardige buren, potten jam op planken schoof,
dat het gebeurde terwijl ze in de gezelligheid en haar
kijk-mij-eens-thuis-zijn een jaar of wat niet op- of omkeek.

(p. 13)

De vrouw is zich aan het vestigen. Ze leert buren kennen, richt een huis in, doet boodschappen, maakt het gezellig. Ze is daar zo druk mee bezig, dat ze even niet om zich heen kijkt. En dan blijkt het te laat te zijn en slaat het verval toe.

Uit de gedichten spreekt soms berusting, soms verbazing over het voorbijgaan van de tijd, soms het zoeken naar een verklaring. Uit sommige gedichten spreekt nostalgie over de tijd voordat deze relatie begon en alles nog mogelijk was. Zoals in het gedicht ‘Was dat nou zoveel gevraagd’.

Ik wilde een pannenkoeketende met manshoge schouders. Een felle
met iets te lang haar. Eentje die graag wodka dronk en luidkeels
liedjes zong van een paard in de gang, de kop van de kat.

(p. 19)

De verteller beschrijft haar oorspronkelijke verwachtingen, maar uit de volgende strofe blijkt dat ze vooral verlangde naar een partner die bij haar zou blijven:

Ik wilde er één die ik oud zou zien worden, koffie zou geven.
Eén die mij na kon vertellen. Eentje maar
die schokbestendig was en watervast.

(p. 19)

De titel Aftocht komt terug in een van de laatste gedichten en lijkt te slaan op de aftocht uit een relatie. Het is een breuk die één van de twee partijen al langere tijd had zien aankomen:

Dit is mijn gebed: vergeet niet wie ik was. Vergeet niet
hoe ik eerder dan jij deze aftocht voorzag
.
(p. 23)

Waarom wil de verteller dat het niet vergeten wordt dat zij de relatiebreuk eerder had voorzien dan degene tot wie zij zich richt?