De gedichten van Astrid Lampe, 2010-heden

Vooromslag van Astrid Lampe, Lil (zucht) (2010)

Lil (zucht) (2010)

In 2010 verschijnt de dichtbundel met de raadselachtige titel Lil (zucht). Lampe gebruikt deze titel regelmatig in haar gedichten:

waf waf papier
een maagdelijk vel
een dode mus

de dichter in ons hijst zich al in safaripak

Lil (zucht)
(p. 15)

En:

dit leerde haar de lama
bloedstollend mooi je ziel
een roos gestold in lava
niks
bah!
juist mooi en diep

Lil (zucht)

diep en mooi! blafte hij
leer lijden aan dit leven

(p. 27)

Mogelijk is deze titel afgeleid van het werkwoord ‘lillen’, dat officieel ‘trillen, m.n. van ingewanden, vlees, schuim’ betekent. Het kan echter ook een afkorting van de meisjesnaam Lily zijn, zoals het achteromslag van de bundel vermeldt. In verscheidene woordenboeken en encyclopedieën zijn nog talloze definities terug te vinden. De multi-interpretabele titel weerspiegelt zo het associatieve karakter van Lampes poëzie. De vormgeving van de gedichten springt ook in het oog. Naast vetgedrukte tekst en opengelaten ruimte binnen een woord krijgt de lezer een keuzemenu aangeboden:

dwarsgestreept is m u s c u l a i r de juiste spierspanning de ideale tonus
hier aanvinken:

  • concentratie

  • contemplatie
(p. 21)

Hier en daar maakt Lampe gebruik van een experimentele typografie die sterk doet denken aan de concrete poëzie(link is external) van Paul van Ostaijen. Dit houdt in dat Lampe haar typografie inzet om de betekenis van een woord visueel te maken. In dit voorbeeld ziet het woord ‘draadje’ er door het toevoegen van accenten en leestekens ook daadwerkelijk uit als een zijden draadje:

De grove rijgsteek of het zijden dr~~~~~aa~~~~~~~
dje~ð

(p. 55-56)

Lampe wisselt soms ook van lettertype, bijvoorbeeld als ze een paar Engelstalige regels in een Nederlandse context plaatst:

de lucht zal ik zandstralen
deze Hollandse zucht voor hem strippen of er zwaait wat
zinnen stroom!
verbreed de bedding verhoog en verzwaar je dijken
stroom zinnen stroom

Paint the town red! Whoop it up

jaag! klok! lok! (ontroostbaar)
(p. 56)

Halverwege de bundel staan enkele prozaïsche regels waarin Lampe de lezer direct aanspreekt:

je wilt in het gedicht blijven en niet steeds zaken lopen opzoeken (zaklopend
op zoek ja) ik altijd
je wilt aan lippen blijven hangen niet eerst knokken blokken afzien, liefde is toch
geen strafkamp (aan de oever van de Seine) liefde is toch geen e x e r c i t i e

(p. 25)

Lampe lijkt de lezer op lichtelijk sarcastische wijze te vertellen dat die moet genieten van haar poëzie in plaats van proberen deze te begrijpen. Wanneer de lezer te veel zou gaan interpreteren, dan zou het lezen voor hem of haar een onaangename ervaring worden.

Vooromslag van Astrid Lampe, Rouw met diertjes (2013)

Rouw met diertjes (2013)

Rouw met diertjes is de titel van de bundel die in 2013 verschijnt. Deze titel en het donkere voorplat suggereren een wat soberder en ingetogener werk dan gebruikelijk. Dit blijkt in ieder geval al uit de opmaak die geen opvallende afwijkingen of verfraaiingen kent, afgezien van enkele cursiveringen. De gedichten zijn ondergebracht in drie afdelingen die onderling nogal verschillen in lengte. In het grootste gedeelte, dat ook ‘Rouw met diertjes’ heet, staan deze regels:

de einder stroomschok de stilte hardrock aan gene zijde de zelfkant
je bleef het herhalen: ongeneeslijk (dit ook) en more
de stilte hardcore

(p. 21)

En:

een foto van de sloop kan me rustig maken

jouw foto van de sloop
die zenuwslopend was

op de pup na geen hond hier
(p. 22)

Lampe bedient zich in dit gedeelte rijkelijk van woordspelingen en dubbelzinnigheden. Dit sluit goed aan bij het motto van de bundel, ‘Gravity sucks!’, ontleend aan de Italiaanse astronaut Paulo Nespoli. Ook onlogische en schijnbaar onmogelijke tegenstellingen als ‘stilte hardcore’ en ‘een foto van de sloop kan me rustig maken’ komen vaak voor. ‘Rouw met diertjes’ is overigens niet het centrale thema: in dit gedeelte staan weinig verwijzingen naar dieren en van rouw lijkt ook geen sprake te zijn:

dood is dood
(p. 33)

Dat is een nogal droge en nuchtere constatering. Verderop in deze afdeling wordt ook vrij laconiek gesproken over de dood:

zelfs de dood
met iedere vlucht naar voren
legt het zijn stekels af

nog even en de grond
hoest een wit werveltje op

(p. 40)

De afdelingen ‘Dronken jol / een requiem van stills’ en ‘Maar geen kunstje gaat zo ver / stills’ lijken sterk op elkaar. In beide gevallen gaat het om wat Lampe omschrijft als een ‘gesamplede bloemlezing’. Het achteromslag doet vermoeden dat dit neerkomt op het knippen en plakken van dichtregels. Hierdoor ontstaan passages als deze:

Nee. Het was geen toeval.
We vielen beiden.
Tien stompjes kaars en niets meer heel.
De beweging van de
bomen.
van de toevalligheid van compositie.
Ik ben geen Caesar.
mijn handen jeukten –

(p. 99)

Door te ‘samplen’ creëert Lampe fragmenten die inhoudelijk niet helemaal op elkaar aansluiten, maar wel samen een nieuw verhaal vormen. Ook kan het, vanwege ‘de toevalligheid van compositie’, voorkomen dat een dichtregel niet begint met een hoofdletter, terwijl de voorgaande regel wordt afgesloten met een punt. Achterin de bundel staat een passage die mogelijk een autobiografische bijklank heeft, maar ook kan verwijzen naar stereotiepe beelden van dichters in het algemeen:

mijn plicht te doen: ik geef college, schrijf.
volmaakte rol.
de symptomen. De eerste dag, ongemak.
in proza: ik ben een echte dichter. Mijn gedicht
heeft van zijn leven geen geld opgebracht.
overwintert als kluizenaar in haar Spartaanse huisje;

(p. 106)