Anneke Brassinga en de kritiek


"Ongebreidelde verbale ornamentiek"

De dichteres Anneke Brassinga (1948) debuteerde relatief laat, in 1984, maar daar staat tegenover dat zij daarvoor al tal van vertalingen had gepubliceerd. Haar poëzie is van meet af aan gunstig onthaald door de meeste critici. Veel poëtisch werk van Brassinga verscheen in het circuit van bibliofiele margedrukkers.

De kritiek tussen 1987 en 2005

De 'gewone' poëzie-publicaties van Brassinga, alle verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij, omvatten de bundels Aurora (1987), Landgoed (1989), Thule (1991), Zeemeeuw in boomvork (1994), Huisraad (1998), Verschiet (2001), Timiditeiten (2003), IJsgang (2006) en Ontij (2010).Een bundelmet verzameldwerkverscheen in 2005onder de titel Wachtwoord.Voor Timiditeiten ontving ze in 2005 de Anna Bijns Prijs. Eerder won zede VSB Poëzieprijs en de Ida Gerhardt Poëzie Prijs (2002), beide voor Verschiet, in 1990 de Herman Gorter-prijs voor Landgoed en in 1985 de Trevanian-poëzieprijs. Gerrit Komrij selecteerde voor zijn toonaangevende bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de 19e t/m de 21e eeuw drie van Brassinga's gedichten.

Peter de Boer kenschetste in Trouw van 5 juni 1998, in een bespreking van Landgoed, Brassinga's werk als volgt: 'Deze poëzie, met haar wonderlijke legering van ernst en kolderieke humor, is buitenissig en exuberant [...]. Hongerige poëzie, de aan heil vuur ontstoken pen voortdurend in de aanslag, brandend van verlangen naar taal, klank en beeld. Hier regeert een ongebreidelde verbale ornamentiek van woordspelingen, stijl- en registerwisselingen, tot nieuw leven gewekte archaïsmen, bizarre beeldspraak, klingklang, toespelingen op andere teksten en wat dies meer zij. Het is gemaakte, maar door de bank genomen virtuoos gemaakte poëzie'.

Rogi Wieg schreef op 17 juli 1998 in Het parool een bespreking van Huisraad. Hij zei: 'Ik vind dit erg mooie stukken poëzie. Het geconcentreerde taalgebruik, de verdichte beelden, het bloed dat door de aderen van zo'n fragment stroomt. En dat is het vreemdste in deze gedichten: ze zijn volstrekt niet gekunsteld, maar juist heel natuurlijk, terwijl ze doordrenkt zijn met een archaïsch mengsel van inkt en bloed'.

Piet Gerbrandy over dezelfde bundel, in De Volkskrant van 28 augustus 1998: 'In welluidende zinnen die bol staan van de homoniemen worden twee of drie verschillende woordvelden in elkaar geschoven, zodat de gedichten altijd op ten minste twee niveaus gelezen kunnen worden [...]. In het heelal van Brassinga heeft alles met alles te maken, want in alle processen die wij kunnen waarnemen, blijken steeds dezelfde krachten aan het werk te zijn: bloei en seksualiteit, dood en verrotting, en wedergeboorte in een andere gedaante'.

In De morgen van 4 april 2001 ging Koen Vergeer in op Verschiet en hij viel meteen aan het begin van zijn recensie leuk in huis: 'Anneke Brassinga is een van de leukste dichters van ons taalgebied. Zij schrijft nu al drie bundels lang over de dood, over rouw, over verdriet en echt vrolijk word je daar niet van, maar het gaat natuurlijk om de manier waarop'. Vergeer eindigde zijn bespreking trouwens overtreffend: 'Verschiet mag op het oog wat minder extremistisch zijn, wie leest zal merken dat er in wezen niets veranderd is: van de bedrieglijke eenvoud van Bloem schakelt Brassinga net zo gemakkelijk door naar de ingenieuze driestheid van Lucebert. De onverminderde poëtische kracht in haar poëzie maakt Brassinga niet alleen tot een van de leukste, maar ook een van de beste dichters van deze tijd'.

Het grootste compliment voor Brassingas bundel Timiditeiten (2003) kwam in 2005 in de vorm van de Anna Bijns Prijs. De jury schreef in lovende bewoordingen overeen dichter'die beschikt over zoveel fantasie, geestdrift en registers dat zelfs het simpelste beeld door haar taal kan worden omgevormd tot een ervaring'.De juryleden warenvan mening dat het lijkt 'alsof letters, woorden, zinnen vergeten dat ze alleen gelezen kunnen worden; ze kunnen ook stralen, schitteren, bulderen, huilen, worden betast en geliefkoosd. Ze kunnen, kortom, alle zintuigen aanspreken.'

Brassinga verbaasde zich in een interview met De Volkskrant (18 november 2005) over het feit dat de jury van de Anna Bijns Prijs zo weinig aandacht had voor de foto's van Freddy Rikken. Volgens haar ging het 'om de wisselwerking tussen taal en beeld' en zoude bundel zonder de foto's niet geworden zijn wat hij nu is. Peter de Boer zag die wisselwerking wel: 'Zeer de moeite waard is de afdeling "Het warme zwart", dat de gedichten bevat bij ernaast afgedrukte foto's van Freddy Rikken.' Volgens hem leverden de foto's 'prachtige gedichten op.' Enno de Witt was in De stentor (23 oktober 2003)minder te spreken over de foto's. Volgens hem namen zij'de magie even weg', al zaten de foto's technisch goed in elkaar. Desondanks vond hij:ze 'slaan wel heel erg dood.' Hij concludeerde: 'Woorden schieten ook Brassinga hier tekort. De werkelijkheid is te sterk voor haar taal, de afbeeldingen overheersen en pletten iedere mogelijkheid tot dichterlijke subtiliteiten.'

In 2005 oogstte Brassinga ook veel lof voor haar verzamelbundel Wachtwoorden. Eric Kok schreef bijvoorbeeld in het Noordhollands Dagblad van 3 november 2005: ‘Ze schrijft sublieme gedichten, extravagant en lyrisch.’ Wat vooral opviel, was de manier waarom Brassinga omgaat met de taal: ‘Ze speelt met woorden, husselt ouderwetse en nieuwe bedachte woorden door elkaar.’ Dit spel met taal leverde volgens Dirk de Geest in De Leeswolf (1 september 2005) ‘pareltjes’ op, ‘de dichter stelt zich niet tevreden met een registratie van de werkelijkheid in een bestaande taal, maar gaat steevast op zoek naar taalvondsten’.

De kritiek vanaf 2006

Over de bundel IJsgang (2006) schreef Enno de Witt in De stentor van 14 december 2006: 'Het resultaat is zoals we dat van haar gewend zijn zeer afwisselend, in de positieve betekenis van het woord. Brassinga bespeelt al bundels lang vele registers, vliegt met enige regelmaat vrolijk uit de bocht, maar lijkt met het verstrijken van de jaren geconcentreerder te worden, zonder dat ze de speelsheid die haar gedichten zo aantrekkelijk maken kwijtraakt'. Hij huldigde Brassinga, omdat ze 'zich als dichter nooit in een hokje laat stoppen.' Peter de Boer (Trouw, 25 november) noemde IJsgang 'veelzijdig en op niveau' en roemde Brassinga om haar grote 'verbale en stilistische actieradius.'

Brassinga's bundel Ontij (2010) werd wisselend ontvangen. Volgens Peter Swanborn (De Volkskrant, 23 oktober 2010)is Ontij 'een waardige opvolger' van Brassinga's IJsgang, maar de gedichten die ze schreef over het dichten vond hij 'minder geslaagd'. Deze gedichten bevatten 'flauwe rijmen' en 'te makkelijke regels'. Eric Kok schreef in de Leeuwarder courant (14 januari 2011) dat de poëzie van Brassinga 'bruisende poëzie van een van de beste dichters van nu' is. Janita Monna (Trouw, 30 oktober 2010) noemde Ontij 'minder rauw dan haar eerdere werk'. Volgens haar weet Brassinga je 'nog steeds virtuoos op het verkeerde been te zetten.'

Mario Molegraaf was in het Brabants dagblad (13 mei 2011) een stuk minder te spreken over Ontij. Hij vroeg zich af wat Brassinga's woorden waard zijn: 'Ze vertedert en ergert, lijkt soms een te zelfbewuste virtuoos en dan weer een te argeloze zondagsdichter'. Het antwoord op die vraag was in zijn ogen'dat héél het oeuvre van Anneke Brassinga één grote hommagecollage lijkt. Eén duizelingwekkende optocht van geknipte en geplakte zinnen, al dan niet van anderen. De kater na de dronkenschap. Meer potpourri dan poëzie'.

De bundel Het wederkerige uit 2014 werd door Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer van 12 februari 2015 bestempeld als erudiet, door de vele intertekstuele verwijzingen naar andere dichters. Volgens Gerbrandy wordt Brassinga’s poëzie daar ‘des te persoonlijker van’, hij vervolgt: ‘haar regels zijn zeldzame, kleurige zwammen op de stronken van gevelde woudreuzen’. Luuk Gruwez is in De Standaard van 20 februari 2015 minder te spreken over de vele cultuurhistorische allusies, deze zorgen er volgens hem voor dat je ‘als lezer tot flink wat zoekwerk wordt gedwongen’. Hoewel dat niet direct een probleem hoeft te zijn, is Gruwez bang dat het de lezer ‘afschrikt’ en dat Brassinga zo ‘een wig tussen haarzelf en de lezer’ drijft.