Hoofts poëzie in de literatuurgeschiedenis

Hooft deed inspiratie voor zijn poëzie op in de klassieke, Franse en Italiaanse letteren. Maar ook de Nederlandse letterkunde, vooral het werk van de andere leden van rederijkerskamer De Eglentier, beïnvloedde Hoofts poëzie. 'Hooft is van goeden Nederlandsen huize, ook wat zijn kunst betreft; te eenzijdig valt soms het licht op zijn italianità of klassicisme, te weinig herinnert men zich soms zijn oorsprong uit de kamer […]' (Knuvelder, 1971,p. 231).


Kunst van goede Nederlandse huize: De Eglentier

Al van jongs af aan was Hooft lid van De Eglentier, waarvan zijn vader ook deeluitmaakte. In die tijd waren Hendrik Laurensz. Spiegel en Roemer Visscher de leidende figuren binnen de kamer. Hun poëzie was voornamelijk didactisch van aard. Het doel was daarbij het standaardiseren van het Nederlands en het laten zien dat de moedertaalzeer geschikt was voor het dichten. Hooft liet in zijn rijmbrief, die hij tijdens zijn *grand tour *door Europa vanuit Florence aan de kamer stuurde, zien dat hij achter deze opvatting stond. Ook in Amsterdam wordt goede poëzie gemaakt:

In Hollandt klimtmen ook tot lof langs deugdes trappen.
Ook tracht geleerdheit hier oudt Room verby te stappen.
Men vindt tot Amsterdam, die met zijn hoogh gedicht
De duistre wegh tot lof en waere deught verlicht.
(p. 39)

In 1601 keerde Hooft weer terug van zijn grand tour en een jaar later nam hij de letterkundige leiding binnen de kamer op zich. Een belangrijke bezigheid van Hooft en van de andere leden van de rederijkerskamers was het leveren van bijdragen in dichtvorm bij belangrijke gebeurtenissen in de stad. Zo schreef Hooft in 1608 een gedicht ter gelegenheid van de bouw van de beurs in Amsterdam. Een jaar later kwam er een prent van het nieuwe beursgebouw uit, waar ook Hoofts gedicht op afgedrukt was. In het gedicht vraagt Hooft de godinnen van de rivier de Amstel niet boos te zijn ('wilt v niet belgen', r. 2) dat het beursgebouw hun stroom beperkt, maar blij te zijn dat er dankzij de beurs veel mensen gebruik maken van de waterwegen om van ver naar Amsterdam te komen. Op de prent is ook te zien hoe de rivier de Amstel onder de 5 bogen ('vijf kelen') van de beurs doorstroomt.

Godinnen slibbergladt des Aemstels, die de voet
Van dit swaerlijvich werck belickt, wilt v niet belgen,
Dat ghij benauwder speelt met v swierende vloedt *
Hier, daerse kelen vijf met const gemetst verswelgen.*
De Burse rijst ’er, tot ontfang der volcken vremt,
Van de langarmde zee, den Vader aller meeren,
En van v maechschap dat aen ’s werelts bodem swemt,
Gesonden, om wtheemsch v schulpen te stofferen.
(p. 144 - zie ook versie modern Nederlands)


De Nederduytsche Academie

Binnen De Eglentier ontstonden intussen grote meningsverschillen. Een aantal nieuwe leden ging niet serieus met de literaire taak van de kamer om en stookte vooral onrust. Hooft probeerde nog verder verval te voorkomen door een reorganisatie en nieuwe statuten, maar dit bleek de problemen niet te kunnen oplossen. Uiteindelijk besloten Samuel Coster, Bredero en Hooft in 1617 uit de kamer te stappen. Coster richtte vervolgens de Nederduytsche Academie op, waar Hooft en Bredero zich bij aansloten. De doelstelling van de Academie was het opleiden van het volk op het gebied van wetenschap en kunst. Om dit te bereiken werden er docenten aangetrokken om colleges te geven in onder andere wis- en sterrenkunde, geschiedenis en wijsbegeerte. Ook werden er toneelstukken opgevoerd, waaronder Hoofts komedie Warenar.

Het bijzondere aan dit alles was dat men het Nederlands als voertaal gebruikte, in tegenstelling tot de Latijnstalige universiteit in Leiden. Hierdoor was het onderwijs van de Academie geschikt voor een veel groter publiek. Dit werd echter niet door iedereen op prijs gesteld. Een jaar na de oprichting werden de colleges al verboden op aandringen van contraremonstrantse predikanten. Zij waren het er namelijk niet mee eens dat twee van de docenten op de Academie doopsgezind waren. Uiteindelijk werden in 1622 ook de toneelopvoeringen verboden, omdat Costers Iphigenia werd beschouwd als beledigend voor de geestelijkheid en de overheid.

Hooft heeft uiteindelijk voor de Academie alleen de Warenar en de eerste 362 regels van de tragedie Isabella, die Coster vervolgens voltooide, geschreven. De Academie heeft dus niet veel invloed gehad op zijn oeuvre, maar laat wel zien dat Hooft veel belang hechtte aan het gebruik van de volkstaal en aan het didactische aspect van poëzie.

In dezelfde lijn als zijn tijdgenoten

Hoofts poëticale opleiding binnen De Eglentier en zijn rol binnen de Nederduytsche Academie vormen de belangrijkste achtergrond voor zijn poëzie. Hooft voegt zich binnen de recente ontwikkeling door het dichten in de moedertaal aan te moedigen. Niet alleen zijn voorgangers binnen De Eglentier, maar ook de Leidse geleerden Janus Dousa en Daniël Heinsius hadden zich hier al eerder mee bezig gehouden. Ook qua genre, vorm en thematiek volgt Hooft de lijn van zijn tijdgenoten: 'De genres die Hooft beoefende, zijn opvattingen over literatuur, de thema's en de vormen van zijn poëzie, betekenen geen breuk met zijn Amsterdamse omgeving. Zijn vroege toneelwerk voegt zich tussen andere dramatische produkten van de rederijkerskamer en zijn liedjes nemen in de liedboeken geen uitzonderlijke positie in' (Grootes, 1993, p. 185). Volgens dezelfde auteur (Grootes) onderscheidde Hooft zich wel van de anderen door de invloed die de Italiaanse en Franse cultuur had op zijn poëzie en de eigen draai die hij daaraan gaf. Dit leidde tot 'Hoofts onnavolgbare lichte toon in zijn liefdesliedjes, zijn taalvirtuositeit, zijn gevoel voor ritmiek en muzikaliteit [en] de brede versbeweging van zijn sonnetten die soms uit niet meer dan twee volzinnen bestaan'.