Hoofts heldinnenbrieven


De heldinnenbrief: geen echte brief en ook niet altijd een heldin

Een heldinnenbrief is, ondanks de naam, geen echte brief. Hij wordt namelijk niet geschreven door de afzender en ook niet aan de geadresseerde gestuurd. Een dichter kruipt in de huid van de afzender en schrijft in poëzie wat de afzender in proza aan de geadresseerde had kunnen schrijven. Een dergelijke brief heet heldinnenbrief, omdat de afzender vaak een vrouw uit de mythologie was, een heldin. De dichter doet zich echter niet altijd voor als heldin, maar ook wel eens als held. De zogenaamde afzender is wel altijd een algemeen bekende literaire of historische persoon, maar kan een man of een vrouw zijn.

Heldinnenbrieven gaan bijna altijd over de liefde. De verzonnen correspondentie vindt dan ook vaak plaats tussen twee geliefden die van elkaar gescheiden zijn. Er is een probleem en daarvoor probeert de ene geliefde met deze brief een oplossing te zoeken. Vaak gaat dit gepaard met een emotionele klacht.

Portret van Janus Dousa, uit KB hs 132 F 13/2, fol. 99r: Album amicorum van Johannes le Francq van Berkhey (1775)


Hooft en zijn klassieke voorbeeld

Het klassieke voorbeeld voor de heldinnenbrieven zijn de Heroides van Ovidius. Dit werk bestaat uit eenentwintig heldinnenbrieven, waarvan er achttien 'geschreven' zijn door vrouwen uit de Griekse en Romeinse mythologie. De andere drie brieven zijn reacties van hun mythologische geliefden. De navolging van de Heroides begon in de Nederlanden in de vijftiende eeuw, maar pas in de zestiende eeuw werd het genre populair dankzij de rederijkerskamers. Begin zeventiende eeuw brachten de dichters Janus Dousa en Hugo Grotius een nieuwe ontwikkeling in het genre teweeg door het mythologische personage als afzender los te laten. Zij begonnen heldinnenbrieven te schrijven met historische personages als 'auteur' (Marion, 2005, p. 92). Hooft hield zich echter bij het oude genre en koos Griekse helden als 'auteurs' van zijn heldinnenbrieven. Hij begon wel een andere vernieuwing door als eerste sinds Ovidius weer heldinnenbrieven onder de naam van mannen te schrijven.

Heldinnenbrief in een tragedie

Hooft schreef zijn eerste heldinnenbrief op naam van Achilles, een Griekse held in de Trojaanse oorlog. Deze is te vinden in Hoofts eerste tragedie, Achilles en Polyxena, van rond 1598. Achilles was verliefd op de Trojaanse prinses Polyxena, die hij had gezien toen ze met haar moeder een offer aan Apollo kwam brengen. Hij stuurde zijn dienaar Automedon met een brief voor haar naar het hof, waar de broer van Polyxena, Paris, de brief voorlas. Achilles schreef dat zijn liefde voor Polyxena net zo min geblust zou kunnen worden door haar afwezigheid als een brandende stad geblust zou kunnen worden door de toorts die haar aanstak weg te halen:

Maer laes! ghelijck een stadt, die na lang wederstant,
Snachts overrompelt en, ghesteken wert aen brant,
Oft de verwinner schoon, de toorts te rug gaet trecken,
Den brandt laet daerom niet, zich zelven voorts te strecken,
De vlamme voedt zich zelfs, en hem rontomme went, *
*Zoo lang daer huys oft kerck, oft muer is over ent,

Alsoo der minnen vlam, hoewel ick u ontbeerde,
En ghinck daerom niet uyt, maer dagh’lijcx zich vermeerde.
(Hooft, 1972, dl. 2, p. 135)

Dit klassieke thema van de liefde als brand komt ook terug in het vervolg, waarin Achilles Polyxena om haar liefde vraagt. Haar liefde kan voorkomen dat Achilles’ hart in de liefdesbrand wordt vernietigd:

Dus zalft *Achillis hert, Princes, met u ghena,*
Op dat het in het vyer, gheen asch wert en verga,
(Hooft, 1972, dl. 2, p. 135)

Aan overtuigingskracht ontbrak het deze brief niet, want de Trojaanse koning Priamus besluit in Achilles en Polyxena direct zijn dochter aan de vijand uit te huwelijken. Dit ishet vernieuwende aan Hoofts heldinnenbrieven: 'de heldinnenbrief werd aangepast aan de retorisch-didactische functie van poëzie, waarin de dichtkunst gestoeld moest zijn op overtuigingskracht' (Marion, 2005, p.143). De heldinnenbrief werd zo meer een 'wervende redevoering' in plaats van een les of voorbeeld in de liefde, zoals in de zestiende eeuw.


Menelaüs en Helena

Deze vernieuwing is ook terug te vinden in Hoofts tweede heldinnenbrief uit 1615, waarin hij in de huid kroop van Menelaüs, de Griekse legeraanvoerder in de Trojaanse oorlog en koning van Sparta. Menelaüs' vrouw, Helena, was geschaakt door de Trojaanse prins Paris (de broer van Polyxena). In deze heldinnenbrief probeert Menelaüs Helena terug te winnen door de verschillen tussen hemzelf en Paris te benadrukken. Hij noemt vier verschillen, waarvan de eerste Helena's onvrijheid bij Paris tegenover haar vrijheid bij Menelaüs stelt:

Maer datmen met ghewelt oft door bedroch vermindert
De vryheyt van sijn lief en haer haer kuer verhindert,
Dat achtmen hier oneel: en mijn ghedenckt de tijdt,
Dat ghy die vuylicheyt de name gaeft van nijdt.
(p. 244)

Menelaüs heeft het gerucht gehoord dat Paris Helena streng laat bewaken. Hij schrijft dat dit bij de Grieken wordt gezien als schandalig (oneel) en dat hij zich kan herinneren dat Helena het ook als jaloers gedrag (nijdt) beschouwde. Menelaüs wint het op dit punt dus al van Paris. De tweede tegenstelling is de overdreven luxe levenswijze van de Trojanen tegenover het sobere Sparta:

Ick houd' meer inden arm niet, dan ick kan bevatten.
Haer [Trojes] prael weecht over, en sloddert van dertelheen,
'T verquisten achtmen daer heerlijcker dan 't besteen.
(p. 248)

De Trojanen verkwisten hun rijkdom, terwijl Menelaüs zich beperkt tot noodzakelijke uitgaven. Zo weet hij zijn eigen relatieve armoede toch nog op een goede manier naar voren te brengen.

In de derde plaats laat Menelaüs zien dat zijn persoonlijke kwaliteiten niet onderdoen voor die van Paris. Hij is minstens net zo edel en aantrekkelijk en een stuk deugdelijker dan die vrouwenrover Paris:

Hy die soo ruw bestont te slaen handt aen uw leden,
Bewees wel, dat hy van de grootachtbare zeden
Vol Goddelijcker aerts (daer ick voor was bedeest)
Te weynich smaecks hadt in sijn smakeloose gheest.
(p. 250)

Ten vierde voert Menelaüs aan dat de Griekse legermacht sterker is dan de Trojaanse. Hij geeft Helena nog één kans om vrijwillig naar hem terug te keren, maar doet ze dat niet, dan zal hij haar met zijn speer komen halen:

En keerdy niet, soo houdt als Paris my ten besten
Dat ick mijn spiesse vell' op die Troyaensche vesten,
Die telckens houden op aen trouweloosen 't hooft,
En eerlijck winne 't gheen hy schellemsch heeft gherooft.
(p. 257)

Dit is meer een dreigement dan een argument. Menelaüs laat hiermee doorschemeren dat hij er toch niet zo zeker van is dat Helena volledig onvrijwillig meegeroofd is. Voor het geval dat Helena het goed naar haar zin heeft in Troje, dreigt Menelaüs met oorlog en probeert haar zo over te halen om terug te keren.

Een polemiek tussen heden en verleden

Deze laatste drie tegenstellingen (verkwisting tegenover zuinigheid, ondeugd tegenover deugd en een zwakke tegenover een sterke legermacht) komen precies overeen met de tegenstellingen die Ovidius in zijn zestiende heldinnenbrief noemt. In deze brief probeert Paris Helena ervan te overtuigen om zich te laten schaken (Haan, 1923, p. 69-76). Hooft laat Menelaüs dus een polemiek voeren met de Paris voor wie Ovidius meer dan vijftienhonderd jaar eerder het woord deed. Dit is duidelijk te zien aan een detail uithet tweede argument van Hoofts Menelaüs,tegen de Trojaanse verkwisting. Hij schrijft:

Gheschickte staetlijckheen mijn Hof oorbaerlijck cieren:
Van Marbor is mijn schouw, maer gheen kannele vyeren.
(p. 248)

Het marmer van zijn haard is zowel aangenaam om te zien als nuttig. Dit geldt voor alle mooie voorwerpen in zijn bezit: verspilling is niet aan hem besteed. In zijn haard brandt hij dus ook geen duur kaneelhout. Hiermee reageert Hoofts Menelaüs direct op een passage uit Ovidius' heldinnenbrief van Paris aan Helena:

ibis Dardanias ingens regina per urbes,
teque novam credet vulgus adesse deam,
quaque feres gressus, adolebunt cinnama flammae,
(Ovid, 1996, p. 42)

Je zult als een machtige koningin door de Trojaanse steden lopen, en het volk zal geloven dat jij als nieuwe godin aanwezig bent,
en waar je ook gaat, vlammen zullen er kaneel verbranden.

Jan Carel de Haan heeft er in zijn boek Studiën over de Romeinsche elementen in Hooft's niet-dramatische poëzie (1923)al op gewezen dat het branden van kaneel bedoeld is als offer voor goden en dus niet, zoals Hoofts Menelaüs beweert, als arrogante verspilling. De Paris van Ovidius wil alleen maar zeggen dat Helena in Troje als een godin vereerd zal worden. Hooft laat Menelaüs deze opmerking uit de context halen om Paris en de Trojanen negatief neer te kunnen zetten.