Gedichten van P.C. Hooft in modern Nederlands


Aan de kamer 'In liefde bloeiende'

Onz' oud' Latijnse taal van voor tweeduizend jaar
en week de Griekse niet in geen manier, noch haar
wijkt onz' Toscaanse nu; in die en deze tijden
mijn geesten kloek in schrift met heel de wereld strijden.
p. 59.

Noodlot

Elk' oorzaak heeft haar moederoorzaak weder.
't Gaat al zo 't moet en daalt van Gode neder.
Zijn goedheid wijs vermogen is de bron
daar 't al uit vliet als stralen uit de zon.
Hij kon en zou waar 't nutst ons helpen reder.
p. 96.

'Sinds dat meelijdenlooz’ en overbolgen ramp'

Sinds dat meelijdenlooz' en overbolgen ramp
aan haar, die was mijn dag, de lichten heeft ontloken,
en dat mijn zoete brand verkeerd' in bitter smoken,
bestelpt van wichtig wee en dodelijke damp

die willen dat ik krimp en rouw op rouwe klamp,
en heeft mijn geest nooit lucht van lichtenis geroken,
voordat, Arbele, gij in ’t hart mij vuur kwam stoken,
hetwelk ontstoken schijnt aan mijn geleste lamp.
p. 49.

Klacht van de Prinses van Oranje

'k Hoor elke dag van verse doden,
geveld in hol of galerij.
Elk overlijdt aan eigen loden,
maar aller kogels moorden mij,
want ik mij elkmaals voel bezeren,
als door een punt,
en denk: op 't hoofd met witte veren
was dat gemunt.
p. 82.

Galathea, zie de dag komt aan

M. Galathea, zie de dag komt aan.
G. Nee mijn lief, wil nog wat marren, 't zijn de starren,
nee mijn lief, wil nog wat marren, 't is de maan.

M. Galathea 't is geen maneschijn.
G. Hoe? 't Is nog geen één geslagen, wat zou 't dagen?
Hoe? 't Is nog geen één, het kan de dag niet zijn.

M. Galathea, aanschouw de hemel wel.
G. Laas! ik zie de dagerade, t' onzer schade,
laas! ik zie de dageraad, de tijd is snel.

Waarom duurt de nacht tot d' avond niet?
Dat wij vrolijk met ons beiden, zonder scheiden
blijven mochten, totdat ons de dood verried.

G. Nu adieu, mijn troost, en blijf gezond.
M. Wil mij nog een kusje geven, och mijn leven,
gun mij nog een kusje van uw blijde mond.

G. Och mijn leven, komt gij t' avond weer?
M. Laas, uw moeder mocht het horen en zich storen,
maar al zou ze haar storen, ik kom evenzeer.

G. Och mijn hart, hoe raak ik van uw hals?
M. Laas, de dag en wil niet lijen 't langer vrijen,
dank heb van uw zachte kusjes en van als!
p. 11.

Amaryl, de deken zacht

Amaryl, de deken zacht
van de nacht,
met zijn blauwe wolkenbuien
maakt de sterren sluimerblind
en de wind
zoekt de maan in slaap te suien.
[…]
Amaryl, ik sta hier veur
deze deur;
zal de dans nog langer duren,
waar gij binnen aan krioelt,
en niet voelt
deze koude buiten-uren?
[…]
Maar ziet ginds, of 't oog ook mist?
Nee, zij is 't.
Amaryl, mijn lieve leven!
'Cephalo, vanwaar komt gij?'
Vraagt gij 't mij?
Troost, ik zal u antwoord geven.
p. 17-18.

Zang 'Periosta, die met trage stromen glijdt'

Periosta, die met trage stromen glijdt
door d' akkers vet, en 't immergroene veld,
die spiegel voor de lage bomen zijt,
wel dicht op uw begraasde kant gesteld,
ach, stond ik ook op uwe oever groen,
dan groeid' ik ook zoals uw elzen doen.
[…]
Electra, sinds der goden waarder min
Iphigenia ons allen heeft ontschaakt,
zag ik hun noodgeboden nader in
en vond u erve' haars machts op mij gemaakt;
o brave, die uw braaf geslachte slacht:
door vromen worden vromen voortgebracht.
p. 26-27.

Sonnet 'Wanneer de vorst des lichts slaat aan de gulden tomen'

Maar d' and're sterren, als naijv'rig van zijn licht,
begraaft hij met zijn glans in duisternissen dicht,
en van d' ontelb're schaar kan 't niemand bij hem houwen.

Al eveneens, wanneer uw geest de mijne roert,
word ik gewaar dat gij in 't heilig aanschijn voert
voor mij de dag, mijn zon, de nacht voor d' and’re vrouwen.
p. 34.

Aan mijn lieve Leonoor

In de bladen van een roosje
vindt gij, o mijn zoetste troostje,
kleine gift. Was zij zo groot
als de gunst: te klein een doosje
was de ganse wereldkloot.
p. 52.

Deuntje 'Als Jan Sijbrech zou belezen'

'Reine liefd' van d’ allerreinste,'
zei hij, 'Sijbrech, bolle meid!'
'Wel', zei zij, 'dat 's goed bescheid.
't Huw'lijk is op 't allerheinste,
Jan, ik wil 't met u bestaan:
reine liefd' kan niet vergaan.'

Vijftig builen in twee slagen
smeet hem laatst de boze feeks
met een wakk're sleutelreeks.
Als hij toen begon te klagen,
zei ze: 'Jan, wat gaat u aan?
Reine liefd' kan niet vergaan.'
[…]
'Wel, verdraagt dan ook mijn smijten,'
zeide Jan, en stelde doe
ook een bos met sleutels toe,
en als zij begon te krijten,
kreet hij weer daar tegen aan:
'Reine liefd' kan niet vergaan!'

Wilt gij reine liefd' doen duren,
voegt er reine liefde bij;
want de liefde aan ene zij,
kan in korte tijd verzuren.
Hangt ze beide zijden aan:
reine liefd' kan niet vergaan.
p. 29-30.

Grafschrift van Zijne Hoogheid

Nooit Holland baard' een held, zo goed, zo groot,
als Delft ontving, eerst op, laatst in zijn schoot.
p. 83.

Castigatio. Voor de poort van het Spinhuis

Schrik niet: ik wreek geen kwaad, maar dwing tot goed;
straf is mijn hand, maar lief'lijk mijn gemoed.
p. 79.

Aan een nieuwgeboren jongen

Met onversufte moed de zegenrijke God
geev' u te schutten af de pijlen, waar het lot
in zijn verbolgenheid u mede zal beschieten;

ook hare gaven, als 't u mildelijk bedenkt
en rijkdom, wellust, eer uit volle vaten schenkt,
met dankbare geneugt' voorzichtig te genieten.
p. 97-98.

Op het orgelgebruik van de heer van Zuilichem

Wie vlijtig 't oog op 't boek der wereld velt,
in elk soort van schepsels vindt gespeld
des Scheppers lof. De bijen en de mieren
getuigen 't met hun geest. De domme dieren,
van groot tot klein, ja d' allerminste worm
verklaren 't, door geschiktheid van hun vorm.
't Onroerend tuig, de levenloze dingen,
die zeggen 't niet alleen, maar leren 't zingen.
p. 73.

Een meiboom, aan Anna en Tesselscha Roemers Visscher gezonden

Orpheus met zijn stem en vinger
gaf eertijds de bomen voeten,
dat ze in gekroonde stoeten
liepen na de zoete zinger.
Is 't dan vreemd dat ik verslinger
op uw spelen,
op uw kwelen,
en loop achterna uw kelen,
ik, die ben van 't zelfde volk?
p. 65.

De meiboom, aan de juffrouwen Visscher gezonden, is overboord geraakt

Hier kom ik, meieboom,
gedreven met de stroom.
Omdat ik Visscherinnen
haar zang voor mereminnen
verkoos, mij smeten deez'
in 't diep des Zuiderzees,
p. 66.

Op de Beurs van Amsterdam

Godinnen slibberglad des Amstels, die de voet
van dit zwaarlijvig werk belikt, wilt u niet belgen
dat gij benauwder speelt met uw zwierende vloed
hier, waar vijf kelen haar (met kunst gemetst) verzwelgen.
De beurs verrijst er, tot ontvangst der volken vreemd,
door de langarmde zee, de vader aller meren,
en door uw maagschap dat aan 's werelds bodem zwemt
gezonden, om uitheems uw schelpen te stofferen.
p. 79.