1889: Mei: 'Een nieuwe lente en een nieuw geluid'

Begin van het gedicht Mei in de eerste druk (1889)


Een nieuwe lente en een nieuw geluid

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht -
In huis was 't donker, maar de stille straat

Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
(p. 11)

Zo luidt het begin van het grote epos Mei van Herman Gorter, dat in maart 1889 verscheen. De eerste versregel is misschien wel de allerberoemdste regel uit de Nederlandse literatuur.Herman Gorter had maandenlang in eenzaamheid aan zijn Mei gewerkt. Het grote verhalende gedicht Mei telt maar liefst 4381 versregels. Hoewel hij al enkele gedichten en een korter epos, 'Lucifer', had geschreven, was de Mei zijn officiële debuut. Het werd voorgepubliceerd in De nieuwe gids, het tijdschrift van de Tachtigers, en maakte een toen een enorme indruk.

In deze eerste regels verklaart een dichter, de Ik uit regel twee, dat hij een nieuw lied zal brengen, maar tegelijkertijd zal dat lied moeten zijn zoals de oude herinnering aan het gefluit van een jongen tijdens een zomeravond. Van dat soort paradoxen wemelt het in de Mei en het toont aan hoe hoog Herman Gorter de lat voor zichzelf had gelegd: Mei moest helemaal nieuw zijn, maar ook vergeten herinneringen weer tot leven wekken en het moest vooral de lente en de zomer, de natuur en de zintuigelijke indrukken zo beeldend mogelijk uitdrukken.


Boek I van Mei

Mei is verdeeld in drie afzonderlijke 'boeken', waarbij deel II, de kern, het langst is. Deel I en deel III zijn daar als de panelen van een drieluik omheen geflankeerd en spiegelen elkaar. In deel I wordt de dag van de komst van Mei verteld, de dochter van de Zon en de Maan en de brengster van het voorjaar. De dichter aanschouwt vanaf het strand hoe de zee in woeste beweging komt en de komst van Mei wordt aangekondigd door mythische zeewezens. Het meisje Mei wordt dan in een gele boot aan land gebracht:

            Daar
Werd alles zwijgend. En een geele boot
Kroop uit den nevel en daarin school rood,
Vooraan en vóór het linnen zeil, een kind...
Wee, wee mij, nu mijn hart mij overwint,
En mijn stem stom slaat nu dit nieuwste woord
Geboren werd...
(p. 14-15)

Mei komt aan land. Ze danst ze door het duinlandschap en wekt de natuur tot leven en ze ontmoet allerlei toverachtige wezen, zoals de stroomnimf. Ook ontmoet ze de dichter, die zich onmiddellijk had verliefd op Mei en bijna met stomheid was geslagen door haarkomst. Bijna, want toch is hij het die het 'nieuwste woord' vertelt. Maar Mei verlaat de dichter na een kort liefdesspel en vervolgt alleen haar weg. Aan het einde van boek I slaapt ze, gelegenin een duinpan, in. Boek I is een euforische zang van het voorjaar, maar Mei heeft wel moeten aanschouwen hoe haar zuster April op een doodsbaar wordt terruggevoerd naar de zee. Het is een vooraankondiging van de dood van Mei in boek III.

Boek II van Mei

In boek II wordt alles anders. Het relaas over de tocht van Mei door het landschap wordt voortgezet, maar dan verschijnt plotseling de jonge god Balder:

Daarop verscheen midden in het sneeuwijs
Van blakend stof en rots, blank-rood lichaam
Van een jong God, zijn voeten liepen saâm
Vooruit om beurten, om zijn hoog hoofd woei
Het bossig haar met zonvonkengesproei.
Er lag om nek en hals een keten waard
Van goud, zijn neus blies adem als een paard.
(p. 65)

Balder kan Mei niet zien, want hij is blind. Hij barst uit in een zang die Mei ademloos aanhoort. Balder zingt hoe hij eens als zoon van oppergod Wodan en god van het licht de zon en de maan bestierde, maar eenmaal wakker werd met 'dicht omwonden' oogen. Balder was blind geworden en kent daarom alleen nog de muziek als troost:

      Henen is
    Heugenis
Van lust en droefheid die ik immer droeg,
    Over is
    Lafenis,
Drank van muziek altijd en nooit genoeg.
(p. 70)

Mei is verloren: ze is in één klap verliefd op de blinde Balder en kan niet meer zonder hem. Terwijl ze naar Balders zang luistert, wordt ze ook een beetje zoals hij:

En ze werd blind met open oogen
(p. 68)

Balder verdwijnt weer naar het hemelrijk en Mei volgt hem. Ze stijgt op van de aarde om Balder terug te vinden. De dichter, die in deel I optrad, blijft nu op de achtergrond. Wel is hij de verteller van de tocht van Mei door de hemelse sferen.

Mei stijgt op door de wolken en komt eerst in het Walhalla, het Germaanse godenrijk dat wordt bestuurd door Wodan. Maar daar is Balder niet. De goden zijn verrukt als Mei vertelt dat ze Balder heeft gezien, vooral Balders eerste echtgenote Idoena. Maar ze weten niet waar Balder is. Mei stijgt dan nog hoger en komt uiteindelijk in het zielerijk van Balder. Mei verklaart haar liefde aan Balder en verlangt een kind van hem:

Gij zijt geheel in mij en ik behoorde
U al zoo lang, ik weet niet meer wat is
Uw of mijn leven, uw gelijkenis
Ben ik, gij mijn - wordt nu een kind geboren
Uit u en mij, dat zal ons toebehooren
Gelijkelijk, omdat wij beide zijn
Elkanders liefde waard, ik uw, gij mijn.
(p. 123)

Maar de trotse Balder weigert:

        En hij zeide hard
Als steenen, woorden: ‘Nooit, nooit, nooit’ en zwart
Trilde hij zoo als een verbrande boom.
Hij zei het nog eens: nooit, en als een doem
Viel dat van boven op de kleine Mei
(p. 124)

Balder heeft zich afgewend van de wereld van het zintuigelijke en lichamelijke en versmaadt daarom de liefde van Mei. Hij wil enkel nog ziel zijn:

Wie dùs zijn ziel is, is zichzelf een God.
Ik ben mijn ziel, ìk ben de een'ge God.
Er is nu niets meer dat mijn blindheid heelt,
Mijn God, mijn ziel, naast haar bestaat geen beeld.
'k Word stil en niets bestaat meer dan mijn ziel,
Geen ding, geen woord, en niets dat mij ontviel.
Haar wil ik hebben, hèb ik, en niemand
Dan zij, mag met mij wonen in dit land.
(p. 131)

Boek III van Mei

Diepbedroefd keert Mei weer terug naar de aarde. In deel III vindt ze de dichter weer, bij wie ze intrekt in zijn kamertje in de stad. Terwijl in deel I de bloeiende natuur en het platteland het decor vormden, is dat nu de stad met zijn kleine huisjes en bedompte smederijen. Wel zwerven Mei en de dichter over de stadsmuren en kijken ze uit over het land. In de dichter vindt Mei iets terug van Balder:

'Gij zijt als hij, als hij, in uwe stem.'
En toen kuste ze mij, maar kuste hem
Op mìjnen mond, en toen op mijne oogen,
Maar hare oogen waarden in den hooge.
(p. 146)

De dichter kan Mei niet troosten. Het gehele deel III is de opmaat voor de dood van Mei. De komst van haar zuster Juni wordt al voorbereid. Als Mei sterft wordt ze opgehaald door haar moeder de maan en begeleid door de wenende dichter wordt Mei in een baar weer naar de branding van de zee gebracht. Dan laten alle wezens de dichter met Mei alleen:

Ik groef een graf waar golven komen toe-
Dekken het zand en legde haar daar neer,
Daarover zand: de golven komen weer
En dalen weer met lachen of geschrei -
Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.
(p. 160)


De ziel en het zinnelijke

Aan het grote gedicht Mei zijn talloze beschouwingen gewijd. In 1974 verscheen zelfs een proefschrift over alle interpretaties van de Mei (Huyge, 1974). Een volledig sluitende interpretatie die met álle onderdelen en aspecten van Mei rekening weet te houden, is nog door niemand geboden. Waarschijnlijk maakt dat juist de grote kracht uit van het gedicht.

Wel kunnen enkele grote thematische lijnen in Mei worden aangewezen (zie ook de editie Gorter, 2002, door Enno Endt en Mary Kemperink). Evident handeltMei over de tegenstelling tussen het zinnelijke en de ziel, tussen lichaam en geest. Die tegenpolen worden gerepresenteerd door Mei en Balder. Mei is verbonden aan de lente, aan het vruchtbare en het lichamelijke. Maar daardoor is ze ook meteen verbonden aan het vergankelijke en daarom wordt met de dood van April in boek I ook de dood van Mei en de komst van Juni in boek III al aangekondigd. De blinde Balder representeert het eeuwige en de ziel, die niet aangetast kan worden door het verglijden van de tijd. Daarom wil hij ook geen kind van Mei: het tijdloze rijk van de ziel onttrekt zich aan de wetten van de natuur en de voortplanting. Toch zijn de tegenstellingen tussen Mei en Balder niet helemaal onoverbrugbaar, dat blijkt alleen al uit de felle liefde die de zinnelijke Mei voor de vergeestelijkte Balder opvat. Als Mei zingt 'en ik behoorde / U al zoo lang', dan betekent dat dat ze de verliefheid op Balder niet pas opdeed toen ze hem voor het eerst zag: ze werd al onbewust naar hem toegedreven. Ook beginnen Mei en Balder op elkaar te lijken als ze in elkaars nabijheid zijn. Mei vergeestelijkt: haar gezicht wordt bleek, op haar voorhoofd wordt een blauwe ader zichtbaar (p. 68). Blauw is in de Mei de kleur van Balder en het zielerijk. Ook wordt ze net als Balder blind, terwijl ze wel zijn zielsmuziek kan horen:

        haar handen dekten toe
Haar wange' en oogen die ook zelf dicht toe
Gesloten waren
(p. 72)

Balder wordt omgekeerd lichamelijker als hij met Mei samen is. Als hij aan haar verschijnt, heeft hij meteen een

        blank-rood lichaam
Van een jong God
(p. 65)

Rood is de kleur van het bloed en het zinnelijke. Ook de lente wordt door Mei op hem overgedragen:

Hij zelf werdals een lente en er kweelden
Vogeltjes in hem als in jongen boom.
(p. 118)

De vergeestelijkte Balder wijst de zinnelijke Mei af, maar helemaal vreemd voor elkaar zijn ze toch ook weer niet. Eenvoudige schema's zijn moeilijk op de Mei te leggen, want veel aspecten glijden in elkaar over. Dat blijkt ook als de derde hoofdpersoon van de Mei in ogenschouw wordt genomen: de dichter.

Een gedicht over dichten

De dichter is misschien wel de hoofdfiguur van Mei. Al bij de eerste regels laat hij weten dat hij dit nieuwe lied zal zingen: 'Ik wil dat dit lied klinkt'. Hij lijkt de touwtjes in de handen te hebben, hij is de schepper van Mei. In boek II zegt de dichter:

Waar drijft gij nù heen, gij Mei, die ik noem
Mijn eigendom
(p.113)

Maar almachtig blijkt de dichter niet te zijn, want Mei drijft van hem weg, naar Balder toe.In boek I en III neemt de dichter zelf deel aan de handeling, maar in boek II beschrijft hij alleen. In boek II moet de dichter toestaan hoe Mei opstijgt om haar Balder te vinden. In Mei doet zich het eigenaardige verschijnsel voor van een alwetende verteller, de dichter, die alles beschrijft, maar die zelf ook een personage is in het verhaal. Dit is mogelijk omdat de Mei ook een gedicht is over het dichten. (Kemperink 1989a;Gorter,2002). Mei is zowel de muze en de inspiratie van de dichter als zijn schepping. Daarmee stelt Herman Gorter op beeldende wijze de vraag aan de orde of de poëzie louter uit de dichter zelf komt of dat ze ook van buiten wordt opgewekt. Ook Mei zelf beseft dat. Zij vraagt zich af waar haar woorden eigenlijk vandaan komen:

        En ze voelde niet
Of ze van buiten kwamen als een vliet
Die uitstroomt in een meer, of of een bron
Ze uit haar zelve opspoot in de zon.
(p. 64)

Tussen de dichter en Mei bestaan grote overeenkomsten, maar ook met Balder heeft hij veel gemeen. Een grote gemeenschappelijke factor is dat ze alle drie zingen. In de Mei wordt voortduren gesproken over zingen en muziek. Muziek en zang zijn daarbij steeds synoniem voor het dichten.De overeenkomsten tussen Mei, Balder en de dichter komen tevoorschijn als wordt gelet op de band tussen de ziel en de muziek. Balder is wel bewoner van het zielerijk, waar de wetten van de natuur en de zintuigen niet gelden, hij verklaart toch ook dat muziek zijn enige troost is:

Drank van muziek altijd en nooit genoeg
(p. 70).

De muziek, en dus de poëzie, is in staatde brug te slaan en aan de zinnen iets kenbaar te maken, want muziek moet gehoord worden, van het rijk van de ziel:

Muziek lokt van een ziel muziek weer los,
Die treedt in wondere gedaanten uit
De zielepoort, zoekend dat lokgeluid.
(p. 42)

Pas als Balder het huwelijksaanzoek van Mei afwijst, wijst hij ook de muziek af, dan kiest hij volledig voor de ziel. De grenzen tussen het rijk van Mei en het rijk van Balder zijn op de keper veel minder scherp dan het lijkt, maar echt overbrugbaar zijn ze ook niet. En daarom weent de dichter aan het eind van het gedicht bij het graf van 'zijn' Mei: de ware synthese tussen ziel en zinnen heeft hij niet bereikt.

De taal van Mei

De Mei van Gorter kent rijmende versregels. Dat was voor een epos geen noodzakelijke voorwaarde. Episch werk van andere Tachtigers, zoals Okeanos van Willem Kloos, rijmde niet. Gorter volgde echter zijn grote voorbeeld John Keats en diens Endymion uit 1817. Evenals Keats in zijn epos hanteerde Gorter in de Mei gepaard rijm (aabb). Maar binnen dat schema van het gepaarde rijm gunde Gorter zichzelf de grootst mogelijke vrijheden. Het basispatroon van het metrum in de Mei is een vijfvoetige jambe, maar ook hierin permitteert Gorter zich vele vrijheden. Soms draait hij de jambe (onbeklemtoond – beklemtoond) aan het begin van de zin gewoon om, waardoor toch meer nadruk kwam te leggen op het eerste woord. Ook maakt Gorter in de Mei veelvuldig gebruik van enjambementen: de syntactische eenheid of de woordeenheid wordt verbroken en verdeeld over de versregels:

Het was een heele kudde, maar niet schuw
Steigerden ze of schudden hunne koppen.
Langzaam dreven ze voort, zij met hen, open
Hemelen door, gelijkend op de rook
Die niet de schouw ingaat, maar waar ontlook
De houtvlam, daar ook wijlt en hangen blijft
(p. 83)

Herman Gorter maakte veel meer gebruik van enjambementen dan de andere Tachtigers in hun poëzie. Het is een beproefd middel om zaken op de voorgrond te plaatsen. Enkele keren wordt de regelmaat van de vijfvoetige jambe doorbroken, namelijk op die plaatsen waar Mei en Balder zingen. Voor die zangen gebruikte Gorter het Germaanse heffingsvers, dat willen zeggen: geen regelmatige verdeling van versvoeten, maar een regelmatige verdeling van beklemtoonde lettergrepen, twee tot vier per regel. Het aantal onbeklemtoonde lettergepen wisselt. De zangen van Mei en Balder worden er op deze manier uitgelicht en tegelijkertijd krijgt de inhoudelijke, thematische rol van de zang zo nog meer nadruk:

Luistert, luistert mannen, ziet mij aan,
Luister o koning van het eind der zaal.
(p. 100)

Eén van de meest kenmerkende aspecten van de Mei is het gebruik van de 'homerische vergelijking'. Gorter was classicus en daarom goed thuis in de klassieken en zeker in Homerus. De homerische vergelijking wordt vaak duidelijk ingeleid met 'als' of 'zoals', waarna een vergelijking volgt die vaak veel uitgebreider is dan het eerste aspect dat moest worden vergeleken met iets anders. De vergelijking neemt het dan helemaal over. Herman Gorter was hier in een grootmeester in. Beroemd is bijvoorbeeld de homerische vergelijking van twee goden met twee wielrenners:

Twee jonge goden over zee genaakten
Wedijverend, met flikkerende voeten.
(p. 91)

Zooals twee wielrijders: die doen hun stalen
Raderen wieleren dat licht rondspat,
De cirkels draaien en het witte pad
Glijdt weg: ze loeren op elkanders wielen
En trappen vastberaden, in hun zielen
Is nijd en haat, voor 't doel de ééne wint,
Maar de ander haalt weer in en rijdt verblind
Van wanhoop hem voorbij. De laatste trap
Slaakt los menschengejuich en handgeklap -
Zoo snelden ze verder en het zonnelicht
Bedaarde weder.
(p. 92)

Willem Wilmink beschreef deze vergelijking als 'het eerste wielerverslag uit de Nederlandse literatuur' (Wilmink, 1996, p. 15).