De gedichten van Erik Menkveld 1997-2005

Vooromslag van Erik Menkveld, De karpersimulator (1997)


De karpersimulator (1997)

In 1997 publiceerde Erik Menkveld zijn officiële debuutbundel De karpersimulator. De bundel werd meteen goed ontvangen door Nederlandse critici. In De karpersimulator beschrijft Menkveld een wonderlijke wereld, waarin vanillevla in bloei staat en mensen en fruit elkaar de liefde kunnen verklaren. In de gedichten identificeert Menkveld zich op een verrassende manier met andere mensen of dingen, waarbij hij zich bedient van eenvoudige taal en ongecompliceerde beelden.In het eerste gedicht, 'Even', vraagt hij de lezer om zijn gebruikelijke denkwereld drastisch uit te breiden met niet te bevatten gedachten:

Ga maar even zitten
denken aan zeer bepaald
maar willekeurig zand
ergens in de aarde,
een verloren compositie
van Anonymus, gevaar
dat iemand liep in 1860,
alle lucht die Coltrane
ooit heeft ingeademd

(p. 5)

En in het tweede gedicht ('Oude boxer') identificeert Menkveld zich niet alleen met een oude boxer, wat op zich al wonderlijk is, maar ook met voorwerpen:

en een jaar of dertig later
weet ik niet waar ik hem zag
op welke visite, bij wie,
alleen dat hij me aankeek
tot ik dacht: ik had hem makkelijk
kunnen zijn, en niet alleen
hem, dat kleed ook,
die clubfauteuil,
dat teakhouten buffet...

(p. 6)

In het gedicht 'Laatste bezoek' beschrijft Menkveldhet sterfproces van een oude vrouw. De ik-persoon die haar voor de laatste keer komt opzoeken beseft dat er een deel van hem zal verdwijnen als zijn moeder eenmaal dood is:

Misschien een kleine hand

nog in haar hand, het verre
lichten van een kus op haar wang

Meer is er niet van mij
met haar verdwenen

(p. 7)

In de gedichten van De karpersimulator weet Menkveld zich opbijzondere wijze te verplaatsen in de natuur. Hij doet dit op zo'n manier dat bijvoorbeeld een zomerlinde een eigen belevingswereldblijkt te hebben en, wanneer hij meent niet bekeken te worden, van zijn plek weg wil stappen:

in de blauwe duisternis op punt
een pas te doen, een sprong,
doordrongen van geen oog,
geen oor, geen wind.

(p. 12)

Ook in andere gedichten komt Menkveld verrassend uit de hoek. Zo hoopt een onontdekt voorwerp ooit nog eens gevonden te worden en is in een ander gedicht een wandelaar verbonden met de dieren in het bos waarin hij loopt.In het gedicht 'Strand'bedenkt Menkveld zich hoe het zand zich moet voelen onder het lichaam van een mooie, zonnebadende vrouw:

Wat moet het verrukken, zulke
maten zich met overgave in je
af te voelen drukken. Daarvoor
zal het graag zijn opgespoten.

(p. 17)

In het gedicht 'Hinniken' voert een paard het woord:

De vrouw ligt er al in. Deboer
in pyjama kijkt geroutineerd
zijn uitzicht na. Even in die
ondoorgrondelijk gemeubileerde
kamer mijn vertrouwde grazen, al
vergeten voor het licht uit gaat.

(p. 14)

Muziek speelt een belangrijke rol in Menkvelds bundel. Hij heeft een reeks van vier gedichten gewijd aan muziekstukken van verschillende componisten.Telkens laat hij personen aan het woord die indirect betrokken zijn bij het muziekstuk, wat eenverrassend perspectief biedt. Zo laat hij een architect aan het woord die een gebouw in Florence ontwierp waaraan de componist Dufay een motet heeft gewijd. De architectis niet erg verheugd over Dufay's werk in het gedicht 'Nuper Rosarum Flores (Dufay):

makkelijk 'het mooiste ooit gemaakt'
zogezegd. Cambio , Giotti, Talenti
en ik - al ons werk de marmeren huid
van zijn motet. Jaja. Dat zijn zerk
tot de jongste dag de beerput van de
eerste de beste kanunnik dekke.

(p. 24)

En in een gedicht 'Intieme brieven (Janáček)', over de kamermuziek van de componist Janáček, laat hij diens muze, waaraan het stuk 'Intieme brieven'is opgedragen aan het woord:

Alleen door mij ontstegen
deze melodieën het hout
van zijn herinnering en laaien
op, de wind in een gordijn,
spreeuwen die een iep in kolken
op een plein.

(p. 25)

In het laatste gedicht van de reeks is het tenslotte de dichter zelf,die zich vereenzelvigt met de muziek van Skrjabin:

En even later sloeg ik
de bekkens en de maat,
floot ik trompetten
en fluiten.

(p. 27)

Het ongewone perspectief dat Menkveld in zijnmuziekgedichten kiest, komt ook in andere gedichten tot uiting. Het gedicht 'Lego', bijvoorbeeld, gaat over de jeugd van de dichter. Maar inplaats van zijn herinneringen direct te beschrijven,komen ze slechts terloops aan bod en blijkt het uiteindelijklego te zijn die hem doen terugdenken aan zijn kindertijd:

bouwwerk met erkers, kantelen,
bedachtzaam in elkaar gestoken
door kleinekeurige handen, ooit
een laatste keer opgeborgen
en vergeten, in deze doos,
deze kast, donker van jaren.

(p. 8)

En in het gedicht 'Belichter' blikt een man terug op zijn glorietijd in het circus.Nu hij oud is en niet meer kan optredenzorgt hij voor de belichting van denieuwe circusacts. Hij lijkt enigszins jaloers te zijn op de nieuwe lichting van het circus en vindt alsnog een manier om zichzelf tot een van de belangrijkste onderdelen van de show te maken:

De nieuwe acts?
Zijn we snel uitgepraat.
Al vindt het luchtnummer
zich heel wat.

Over de verrichting zeg ik niks,
maar zonder belichting
zijn ze onzichtbaar

(p. 21-22)

Vooromslag van Erik Menkveld, Schapen nu! (2001)


Schapen nu! (2001)

In 2001 verscheen Menkvelds tweede bundel bij De Bezige Bij, Schapen nu!, opgedeeld in vier afdelingen. Hiervan was de ontvangst minder enthousiastdan van zijn debuutbundel.Ook in deze bundel observeert Menkveld veel en op een vaak verrassende wijze. In de eerste afdeling staat een serie van vijf gedichten waarin Menkveld bijzondere 'aankomsten' beschrijft. Inhet eerste gedicht van de reeks wil de dichter gaan vissen als hij op vakantie is:

Toen ze uiteindelijk al dat water
tot de einder hadden liggen zijn ze
waarschijnlijk devissenvergeten.
Maar, werd in tijdnood besloten,
dat heeft 'ie toch niet in de gaten.

(p. 10)

Ook in de andere gedichten wordt alles snel opgebouwd als deik-persoon de plaats van bestemming nadert. Als hij bijvoorbeeld op vakantie is in Duitsland en onderweg andere schoenen aandoet, wordt hij verrast met een geheel nieuw landschap:

Na de heilbronnen, dennenwouden,
bakstenen boogbruggen en Moezelruïnes
de dagelijke Duitse realiteit.
Wat hebben ze daar een werk van gemaakt!
Volcontinu verkeerssituaties!
Grasvelden op de raarste plaatsen!

(p. 11)

En als de ik-persoon een plek verlaat maar er even later weer terugkeert, ontstaat er onder de afbrekersgeen paniek:

Hadden ze net alles afgebroken,
keer ik terug op mijn schreden!
Maar van overhaaste werkzaamheden
of paniek geen spoor: rustig
welkom wordt ik weer geheten

(p. 14)

Zoals de titel al doet vermoeden komen er in Menkvelds tweede bundel een aantal keren schapen voor. De schapen staan in een geheimzinnige en bij tijd en wijle wat dubieus en ongemakkelijk aandoende relatie tot de ik-persoon. In het openingsgedicht brengt de ik-persoon een opblaasschaap tot leven:

Adem die ik morgen onze opblaaskrokodil
hoop in te blazen, stroomt nu in een schaap
dat zich niet vaak laat horen

maar vannacht met routineus geschoren
banen over zijn buik vanaf de dijk de
sterren toe gaat blaten.

(p. 9)

In het gedicht 'Schapen nu!' ontstaat er een ongemakkelijke situatie als de ik-persoon het tegenover zijn gastenover schapen heeft:

Voor ik het wist was het eruit.
Pijnlijke stilte.
Iedereen in verlegenheid.

Ik ook altijd
lach ik nog.

Maar het is al te laat.

Achter de beslagen ramen
groeit het geblaat.

(p. 15)

Ook in Schapen nu! kruipt Menkveld geregeld in de huid van voorwerpen of dieren die een eigen verhaal vertellen, wat een humoristisch effect heeft. Zo voelen 'ongehoorde waaibomen' zich weinig gewaardeerd door mensen als ze eenmaal tot bouwmateriaal zijn verwerkt:

Nu we kozijnen zijn
in deze keuken, kijken
ze wel naar de leuke
overbuurvrouw op haar
balkonof een bescheiden
lijnvlucht die over komt,
maar niet naar ons
die alles omlijsten.

(p. 33)

En doen duiven uit de doeken hoe je moet leven zoals zij:

Eerst klapwiek je recht omhoog
om overzicht te krijgen

en indruk te maken. Laat je niet
afleiden door zilvergroen wiegende

duivinnen aan de einder (knotwilgen)
of door de boer met voer bij het hok:

hou je symboolwaarde steeds in het oog.
Cirkel vervolgens traag weer omlaag

(p. 35)

Menkveld maakt soms gebruik van ongebruikelijke enjambementen, zoals ook in het citaat hierboven. Niet zelden brengt hij een enjambement aan tussen twee strofes, waardoor het nodig is om aandachtig te lezen. Zo schrijft hij in het gedicht 'Allesdier':

Gehuld in de grijsbruine vlieghuid
die tussen mijn ledematen spant

hang ik in schuren of verlaten groeven
ondersteboven in slaaptoestand

(p. 27)

Of in een ander gedicht:

Laat de intieme ovalen van jullie
longen zich enkele malen vullen

met avond en onverrichterzake
leeglopen door keel en mond.

(p. 38)

Vooromslag van Erik Menkveld, Prime time (2005)


Prime time (2005)

In januari 2005 verscheen de derde dichtbundel van Erik Menkveld: Prime time. Niet bij zijn eerdere uitgever De Bezige Bij, maar bij Van Oorschot. De bundel ziet er ook uit als een typische Van Oorschot-bundel: geen omslagillustratie, geen portret van de auteur achterop, geen wervende teksten, maar auteursnaam, titel en uitgeverslogo in de traditionele layout van Gerruit Noordzij.

Maar de dichtbundel bevat wel drie illustraties (in Schapen nu! was ook één illustratie afgebeeld): drie foto's bij het gedicht 'De kinderbrug' gemaakt door Karla Gilberg. Een aantal gedichten in deze bundel werd eerder gepubliceerd in litearire tijdschriften: Het liegend konijn, Onze taal, Raster en Tirade. Andere gedichten werden speciaal geschreven voor bepaalde uitgaven, zoals Overgangen. Gedichten bij figuren uit Ovidius' Metamorphosen (2004), of gemaakt in opdracht van commerciële bedrijven, zoals NUON Corporate Communicatie: Bijzondere energie. Bijzondere mensen (2004).

De thema's van deze bundel zijn algemener van aard dan die in de voorgaande twee uitgaven. Het gaat niet meer om het verrassende standpunt op zich, de bundel is ook minder lyrisch én minder geestig van toon. Meer dan in zijn eerdere werk staat hierin het lot van de mens centraal. Hoe te leven? Wat te doen? Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de cyclus 'Betrouwbaar' waarin drie stemmen iets zeggen over hun betrouwbaarheid. Delaatste strofen van de drie gedichten volgen hier onder elkaar:

Ik meen wat ik beweer. Over hetzelfde
beweer ik nooit iets anders. Meen ik
iets niet, dan laat ik dat merken.

(p. 6)

Ik beweer niets, heb geen mening, nooit.
Nu zeg ik dit, dan dat, en wat ik zeg
is gelogen, daar kun je van op aan.

(p. 7)

Heb ik een mening dan laat ik die horen,
dreig ik te kwetsen dan zwijg ik.
Zelf zou ik graag geloven wat ik zeg.

(p. 8)

De gedichten lijken een commentaar te zijn op de politieke en maatschappeijke situatie in Nederland sinds de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en vooral op de politieke geluiden die ingepolariseerde debatten te horen zijn. De derde stem vertegenwoordigt daarin de stem van de twijfel en dat die strofe, in tegenstelling tot de andere twee, de enige is zonder enjambement, betekent ongetwijfeld iets over de positie van de dichter in het debat.

De vorm van de gedichten in deze bundel wijkt niet af van die in de eerdere twee bundels. Het gaat om regelmatige strofen van twee of drie of vier regels, en soms om aangesloten strofen van een verschillend aantal regels. Deze bundel bevat wel enkele langere gedichten, waarvan de langste vier pagina's telt en in de vorm van een gedicht van Kees Ouwens is geschreven. Het is dan ook een 'Ode aan Ouwens':

Geen tokkelen meer zonder lier van besnaardheid.

Geen stoel meer bij de radio
zonder goedertieren hoer.

(p. 52)

De overeenkomsten in onderwerp met de eerdere gedichten zijn niet geheel verdwenen, maar het standpunt is in het gedicht 'Stroom' bijvoorbeeld niet dat van de stroom zelf, maar dat van 'we' en 'jullie', de positie van leerling en leraar die mag uitleggen hoe stroom werkt en wat het is en waarom je stroom niet kunt zien:

Oké we gaan er nooit met onze vingers in
ook niet met breinaalden schroevendraaiers spijkers

(p. 23)

De zintuigen krijgen daarnaast in deze bundel speciale aandacht, zoals in het gedicht 'Mooie zintuigen':

mooie zintuigen moet ik zeggen,
al heb ik ze liever ongemerkt
van binnenuit in gebruik
dan als deze schaamteloos
bekeken, doorschoten pose
op een gedeelde treinruit.

(p. 22)

Maar in dit gedicht over een toevallige ontmoeting in de trein, beleefd via de weerspiegeling van de auteur en zijn vrouwelijke medereiziger via het venster,gaat het uiteindelijk niet om die zintuigen, maar om waarneming engedrag.

Het titelgedicht van de bundel, 'Prime time', gaat over de zaken die de televisie op het uur met de grootste kijkdichtheid uitzendt:

Openbaar aanklager heropent na jaren de zaak
tegen vermeende moordenaars met nieuw materiaal.

Het aanhoudend warme weer, de mogelijke klimatologische
veranderingen. Duizelingwekkende luchtopnames

(p. 24)

In de tweede strofe speelt door het nieuws van vandaag het nieuws vanhet jaar nul heen:

Groots gladiatorentreffen bij neo-Romeinse nederzetting. Monsterlijke reus ontpopt zich als messias, wordt later

samen met ontsnapte gevangene voor homostel gehouden in Texaans dorp. De tomaten. Dompel ze in kokend water.
(p. 24)

Dan pas wordt duidelijk dat het hier geen weergave van het nieuws van het jaar nul betreft, maar dat de lezer zich bevindt in een kolkende stroom van gegevens die uit verschillende televisieprogramma's bij elkaar is gezapt en alles is:

op onze beeldschermen te volgen zolang we willen.
(p. 25)Maar de ongestelde vraag van Menkveld is natuurlijk: Willen we dat? Wat willen wij?