De Blauwe Schuit: Zo dikwijls als ik dwalend

Sommige Blauwe Schuit-uitgaven kwamen relatief snel tot stand. Vóór Pinksteren 1944 moest een uitgave over het doopvont van de Hervormde Kerk in Hoogwoud verschijnen. Het idee werd zeven weken eerder bedacht.

In die zeven weken - tussen 15 april en 28 mei 1944 - moest alles gebeuren: kopij vaststellen, papier uitkiezen, formaat bepalen, foto voor omslag laten clicheren, zetwerk, proef trekken, correctie door de redactie én door de auteur, zetwerk voltooien, de oplage drukken, inclusief de versiering van Werkman op omslag en eerste tekstpagina, verzenden aan opdrachtgever. Tegelijk werd hard gewerkt aan andere uitgaven, zoals De doode zwanen met een gedicht van Vestdijk.

Titel of geen titel

Een titel voor de uitgave is wel bedacht, maar niet in het boek terecht gekomen. In de brieven tussen August Henkels en Hendrik Werkman wordt gesproken over 'Het Doopvont'. Er is een proef waarop de titel is afgedrukt op de eerste tekstpagina, maar het boekje zelf bevat geen titel. De tekst is een gedicht van Muus Jacobse. Jacobse was een pseudoniem van K.H. Heeroma (1909-1972). Ook de naam van de auteur blijft in de uitgave ongenoemd. Meestal wordt de eerste regel van de tekst als titel aangehouden.

Het gedicht bestaat uit 18 strofen, die niet allemaal op één pagina passen. Vandaar dat er voor een blad met 4 pagina's is gekozen. Dat liet ook ruimte voor het colofon achterin en voorin paste een korte tekst over het doopvont.

Het middeleeuws stenen doopvont had jarenlang in een berghok gestaan, maar was in 1942 gerestaureerd en opnieuw in gebruik genomen in de kerk van Hoogwoud (in de kop van Noord-Holland). De tekst verklaarde:

'Aan vier van de acht zijden bevinden zich gebeeldhouwde koppen, waarvan de betekenis niet vaststaat, maar die in het volgende gedicht worden opgevat als de vier evangelisten'.


Cliché en kleur

Het doopvont speelde zo'n belangrijke rol in het gedicht dat een afbeelding noodzakelijk was. Werkman had die illustratie kunnen maken, maar Henkels besloot dat er een foto moest worden gebruikt. Hij vroeg zich nog wel of er geschikt papier te vinden was voor zo'n reproductie. Die werd gedrukt in autotypie (rastercliché). De clichéfabriek maakte eerst een te klein cliché. In de uitgave meet de reproductie 12 bij 9 cm. Heeroma wilde er nog wat kleur bij hebben. Het geel van het omslagkarton vond hij niet genoeg, schreef hij aan Werkman (25 april):

'Ik vermoed dat het cliché het wel goed zal doen op de buitenkant, vooral als jij het met wat kleur gaat opwerken.'

Werkman gebruikte voor zijn omslagillustratie twee losse sjablonen. Het linkerdeel werd als eerste met de inktrol gedrukt, in rood; de groene vorm is daar deels overheen gedrukt. Maar de positionering van de twee sjablonen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de foto verschilt iets per exemplaar. De inktroller is niet in één beweging gehanteerd, vandaar de soms wat dieper rode of groene passages. Er is in alle exemplaren van beneden naar boven gerold.

Proef en tweede proef

De eerste proeven waren gereed op 27 april. De auteur bracht enkele correcties aan in de tekst, hij had 'eenige dingen [...] omgegooid'. Een tweede proef was dus nodig.

Bij het versturen van de tweede proef - het was inmiddels 9 mei - omschreef Werkman wat Henkels ontving:

'twee nieuwe drukproeven van het doopvont, een op licht-geel en een op donkergeel carton. Met een kleurtje op het blad van de cursieve opdracht'.

Daarmee bedoelde hij de illustratie op de eerste tekstpagina waar een uitleg bij het gedicht was afgedrukt. De tekst was gedrukt op een rode vorm, die lijkt op het zijaanzicht van het doopvont. In een enkel exemplaar (Koninklijke Bibliotheek) is de vorm donkerder van kleur, met een lichte schaduw rond de bovenzijde (links en rechts): waarschijnlijk is er twee maal gerold.

De auteur veranderde wéer een regel, gekozen werd voor het lichtgele karton en toen kon Werkman het drukken afmaken. Dat hoorde hij op 12 mei.


Gereed voor Pinksteren

Het hele boekje is gezet uit de Hollandsche Mediaeval, corps 10, van S.H. de Roos(link is external). De inleidende tekst en het colofon zijn gezet in cursief; voor het gedicht is de halfvette romein gebruikt. Zestig exemplaren werden verdeeld: 20 voor Ate Zuithoff, 20 voor Henkels, 5 voor Adri Buning en 15 voor de auteur, die ook het cliché ontving. De exemplaren konden op 16 mei worden verzonden. Het omslag was gelukkig snel gedroogd: het was op de papierzolder warmer dankzij de drogerij van het naastgelegen korenpakhuis.

Henkels schreef dat hij het 'heel mooi' vond. Werkman zelf was minder te spreken over de kwaliteit van het gedicht: 'Het is heelemaal niet slecht, maar wat saai en hier en daar een beetje gerijmel'.

[Auteur van deze bijdrage: Paul van Capelleveen]

Copyright

© De tekst van Muus Jacobse (K.H. Heeroma) wordt hier gereproduceerd met exclusieve toestemming van de Erven Heeroma.

Beschrijving van BS38

[Muus Jacobse (K.H. Heeroma)], [Tekst met beginregel:] Zo dikwijls als ik dwalend. [Druksels: H.N. Werkman].
4 bladen, gelijmd in omslag, 246x159 mm.
Mei 1944.
Letter: Holandsche Mediaeval, cursief en halfvet romein.
Oplage: 60.
Papier: Eenzijdig gesatineerd karton (aan de satinagekant geel gekleurd, waarschijnlijk geelgekleurde satinage) (omslag). Binnenwerk: lichtbruin gekleurd drukpapier (lichter en dunner dan papier in BS-25).
Colofon: 'Dit gedicht van een schepeling der Blauwe Schuit is opgedragen aan H. Kreb, predikant te Hoogwoud, en werd gedrukt en verlucht door H.N. Werkman in een oplage van 60 ex., die tegen Pinksteren 1944 verdeeld werden onder de vrienden van de Blauwe Schuit.’

Literatuur