De gedichten van Anna Enquist, 2000-heden

Vooromslag van Anna Enquist, De tweede helft (2001)

De tweede helft (2000)

De titel van de bundel De tweede helft (2000) slaat op de tweede helft van het leven van de dichter: het eerste was afgesloten met de verzamelbundel uit hetzelfde jaar. Het achtervolgen, najagen, speelt wederom een belangrijke rol.

Haas ik wil je niet jagen, ik wil

je onbedekt huis met je delen, ik

wil lezen wat je schreef op de akker.

Ik wil je grijsgouden vacht voelen

maar bedrog en vernieling persen

zich tussen hand en haas, telkens.


(p. 9)

Evenals het afscheid nemen, het omgaan met de dood. Enquist zei eens in een interview: 'Ik voel me wel eens de Nel Benschop van de intellectuelen'. Een dichter van de emotie:

De dood, zegt men, heeft genomen.

Ik zat op de grond met een dode

maar niemand kwam om te nemen.


(p. 12)

De dood komt onverwacht als een overval op straat. Wellicht refereert Enquist hier aan de dood van Herman De Coninck, die, op weg naar een optreden in Lissabon (Portugal), op straat onwel werd en in haar armen stierf.

Een overval trof mij op straat. Schielijk

liet ik een lichaam liggen op een oude krant,

mijn armen vouwden zich om een gezicht.


(p. 13)

Het lijkt of ze zichzelf onmogelijke opgaven stelt.

Kon ik de stad innemen, mij stellen

in de stenen cirkel op de markt, drinken

de bloedige schaduw van het stadhuis -

Laat naar je kijken. Ik bonk op de muren


(p. 14)

Er wordt in deze bundel in steden vertoefd en door straten geslenterd.

Door Wenen liepen we drie dagen

de koortsige muzikant achterna.

Maar de illusie van algehele aanbidding van Mozart (de bezoekers likken het stof uit de vloernaden) wordt ruw verstoord door de andere toeristen.

Japanse vrouwen lieten het Lacrimosa

uit koptelefoons knetteren, Spanjaarden

floten de Figaro, schoolkinderen renden

rond de vitrines.


(p. 15)

Dat culturen verschillen blijkt over de cyclus over haar zoon in Stockholm. Ze vertelt hoe de studenten een klein kwartier per dag uit het raam schreeuwen.

Dan vallen gaten in het grijs

en zwelt de schreeuw als een orkaan

uit duizend witte monden


(p. 21)

Maar ook de dochter claimt het schreeuwrecht.

Recht op de schreeuw, de laatste

boot, de smaak van brood?

Kijk: in de avond vloeit tijd

als een vlies over de dingen.

Ons recht. Ons raakt het niet.


(p. 24)

Moeders van zonen zijn collectief ongelukkig in 'Geef terug!'

De moeders, ach, moeders. Ze staan

te roken op het balkon, ze dreigen

met een voetbalshirt in kindermaat.

Ze schelden op de engel van de dageraad,

en huizen staan te vlammen in hun rug.


(p. 25)

Over excursies valt veel veel te zeggen. Vooral van een eiland met benige richel, heuvels met rozige toppen. Het wordt steeds avontuurlijker.

Een steilte. De volle vulkaan,

vlezige krocht achter kiezenwand.

Vervolgens de verstilling:

dit is de hoofdkaap. Nu turen.

Mateloos water, geen schepen geen

wind onder hemel van glas.


(p. 31)

Dit is een van de gedichten van Enquist met een tamelijk rustig einde. Veel gedichten vangen kalmpjes aan, maar na drie of vier regels beginnen de regels te kolken en lopen de emoties hoog op. Heftigheid troef. En uiteindelijk besluit het gedicht met gesomber of pijn. Hier is voor een verstild vredig eind gekozen.

Een voorbeeld van een letterlijk 'donkerder' einde, maar niet somber:

Thuis valt nacht als een ansichtkaart

door het venster, groet uit het zwarte.


(p. 32)

Een tandartsbezoek leidt tot vreemde gewaarwordingen.

Zo valt vlees dood tussen aanwijzen

en gewaarworden. Rennende kinderen

in het brein staan reukloos stil;

stokstijf stollen denken en lijf, ogen

willen zich verwijden maar geen zenuw

die zich nog aan zenden waagt.


(p. 41)

Het gedicht 'In het bos' lijkt een vriendelijk bosbessengedicht:

Bosbessen blozen een welkom

met verdikte stelen. Beuken

wachten met hun lichtste groen.

Maar opnieuw is de vredigheid slechts schijn, de bittere pil is nooit ver weg bij Enquist.

Het rook hier als de wereld,

nu smaakt het bitter in je oude

mond. Zon rijt het bos open

Zo vriendelijk is de zon niet, de lichtstralen rijten het bos open en wijzen op het graf:

licht wijst naar de grond.

(p. 44)

Lachen is uitzonderlijk bij Enquist, maar in de cyclus 'Tuin, water, tuin' gebeurt het.

paddestoelen liggen als schuim

op het gras. Ik lach erom.

IJzig vocht kruipt in de kamers.

(p. 50)

Het is geen vrolijke lach over wat de natuur voortbrengt. Ook de rivier heeft zo zijn geheime bloederige leven.

bloed in een ader, zo klemt

de rivier zich aan koude vast.

Knisperend schurken de schollen

tegen elkaar, de wondranden

groeien ineen. Het sluit zich.

(p. 52)

Misschien wordt het in 'Een nieuw jaar' beter; zo heet tenminste een driedelig lang gedicht, bijna aan het slot van de bundel.

In de reiskist vouwt zij de avondjurk

(p. 54)

Hier wordt een prettig plan gemaakt denkt de argeloze lezer, totdat

Dit is hier, denk je, dit is nu.

Het dorre onkruid, de dode bereklauw

langs het asfalt. Begerig naar plaats

lees je de hemel als landkaart.

(p. 55)

Kortom, Enquist is niet optimistisch over heden, verleden of toekomst.

Van ons rest een voetstap in aarde,

een kus op een kinderwang. Wij moeten

lippen laten bevriezen, ogen ontsteken.

En toch wil ze zich niet laten kennen, niet toegeven aan de behoefte tot schreeuwen. Ze probeert op de been te blijven.

Hoe voorzichtig wij zijn. Hoe wij oppassen

ook dit jaar weer niet om te vallen, niet

te gaan liggen, niet schreeuwen, nog niet.


(p. 56)

In het gedicht 'Smaak' is ze kritisch over haar dichtactiviteiten. Ze dicht zoals ze dicht ondanks zichzelf, lijkt ze te zeggen.

Het gedicht van mij vreet zich vol

met rotzooi. Niet doen, zeg ik,

niet die bittere prak, dat droevig

rantsoen verzwelgen. Maar het vers

barst uit de krappe ceintuur

van de regels en smijt zich

tegen de bladzij, onder mijn blik.


(p. 57)

Vooromslag van Anna Enquist, De tussentijd (2004)

De tussentijd (2004)

In 2004 verscheen De tussentijd van Anna Enquist. Deze bundel was als geheel een reactie op het ongeluk van haar dochter, die op de Dam in Amsterdam werd geschept door een vrachtwagen zonder dodehoek-spiegel en overleed. De bundel is dan ook opgedragen 'In memoriam mijn dochter Margit (1974-2001)'. Er zijn zes afdelingen: 'Verloop van tijd', 'Op reis', 'Berichten', 'Intussen', 'Muziek, muziek' en 'Maak haar een plaats'.

Verbaasd merkte de moeder

dat zij een menigte werd.

De moeder van het gestorven kind voelt zich opgesplitst in verschillende moeders: de 'weerloos-blije' met mooie herinneringen, 'de verslagene' die het liefst dood wilde, 'de trieste', die het niet kon bevatten, de 'furie', die woedend was op iedereen en de 'wanhoopsmoeder', die zichzelf verwaarloosde.

Hoe hen te hoeden, te zorgen dat elk

de voeten in dezelfde richting sleept?

Ons is iets overkomen, kan ze zeggen,

wij zijn de menigte die moeder heet.

En zij die in de verte aan het water

staat, en wenkt, is een van ons.


(p. 11)

Dat de wereld intussen niet veranderde, schokte haar:

De trom roffelt dof in de oren;

het gemis is een toestand, er ging

niets verloren. Alles voltrekt zich

volgens afspraak: een raadsel.


(p. 12)

En geen dooddoener verandert iets aan dat gemis:

Koket geweld van woorden. Over

zinloosheid is het zwaar zingen. Wij

zullen blijven en zwijgen maar

zij zal niet.


(p. 13)

Zinnen worden in deze bundel niet voltooid als een leven dat niet ten volle geleefd kon worden:

Voorover tegen de volmaakte muur,

of achteruit in de suizende leegte.


(p. 12)

Wat ze niet ervaart is 'een zwart gat' dat in de moeders achterblijft wier dochter gestorven is:

Radeloos lopen ze rond, de moeders.

Ik niet; stil als steen bewaak ik

de felgele glimlach, de blauwe

kus, roze woorden uit haar mond.


(p. 15)

Maar het is alsof de dochter ook de moeder koestert dan wel achtervolgt:

Zij stormde naar de volgende vallei,

naar de nieuwste hoek van de zee.

Onopgemerkt, zwijgend, holde

het kind met haar mee.


(p. 19)

Maar ze holt mee in de vorm van het gemis:

Hoe zij mij bitter en volstrekt ontbreekt.

(p. 22)

Missen is een werkwoord, rouwen dus hard werken:

ja ik weet ze is weg

maar wellicht wacht ze

toch overal op mij dus

ik zoek en ik kijk en ik

slaap niet maar blijf

buitengewoon waakzaam


(p. 24)

Het gedicht 'Voorjaarsbrief' is geschreven voor Gerrit Kouwenaar, die zijn vrouw verloren had:

het schrijnt waar zij weggescheurd werden,

de onzen, we staan nog te trillen; veel

vocht verloren, pijn onder de kleren.


(p. 31)

Schrijvers hebben zo hun favoriete, soms modieuze onderwerpen:

Wij schrijven zo graag over hersens,

wij dichters. We klemmen het brein

in de handen; woorden druppen op tafel.

Maar ook al schermt de dichter met wetenschappelijke termen als 'ventrikels' en 'synapsspeleten', en al ziet de lezer tevreden dat de dichter 'beheerst verdriet' toont over de teloorgang van al dat moois:

we zouden de woorden wegvegen,

voor altijd zwijgen, als we konden.


(p. 38)

Sommige gedichten in deze bundel zijn cynisch van toon, zoals 'Over het begraven van dochters'. Het moet warm zijn, er moet gezongen worden alsof er feest is:

Daarna gaan wij vastberaden de poort uit,

een wereld in vol krentenbollen, laarzen

en letters. In ons begint een eeuwige

draailier te zoemen: zij zijn er geweest.


(p. 39)

Over de 'Essentie van het missen' zegt Enquist:

Ik mis de linkshandige, schitterend

spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis

haar tot brakens toe dagelijks.
(p. 41)

En wat men daarover zegt is 'Geleerde onzin, schandalige troost' en de essentie doet er niet: het gaat om het missen van 'het vlees, haar linkshandige lichaam'. En naar dat lichaam wordt gezocht, zowel binnen als op straathoeken. Ze weet dat haar eigen vermaningen niet helpen:

Geef op. Laat gaan.

(p. 43)

Maar ze blijft aanwezig, in dagdromen, in herinneringen, in nachtelijke bezoekingen:

Het geheugen niet overvragen.

Blijf op afstand. Laat de blik bijten

in de bolling van haar bovenarm.

Bidden wij dan het geheugen

bij ons te blijven. Het is wat wij

hebben. Zonder haar zijn wij niet.


(p. 58)

Het is alsof er vivisectie wordt gepleegd op het eigen lichaam, een anti-geboorte:

Het is een groots werk, het neemt

al onze uren, het losmaken

van de dochter uit ons.


(p. 60)

Vooromslag van Anna Enquist, Nieuws van nergens (2010)

Nieuws van nergens (2010)

Anna Enquists zevende bundel, Nieuws van nergens (2010), verscheen zes jaar na de voorgaande bundel De tussentijd (2004). Enquist had het schrijven minder nodig, gaf ze toe in een interview met het blad Opzij, dat abusievelijk bekend maakte dat Enquist gestopt zou zijn met schrijven. In de voor Enquists doen lange periode van stilte verschenen twee verzamelbundels van haar werk. In 2005 publiceerde De Arbeiderspers Alle gedichten, een voorlopig verzameld werk. Twee jaar later werd een pocketuitgave gepubliceerd van haar eerste drie bundels - Soldatenliederen, Jachtscènes en Een nieuw afscheid - onder de titel Kerstmis in februari: de vroege gedichten (2007). In datzelfde jaar kwam ook een bibliofiele editie uit van Drie gedichten, met hierin 'Hier', 'De straatstenen van Amsterdam' en 'Boordevol', die ook in Nieuws van nergens te vinden zijn.

Ondanks de periode van stilte sluit Nieuws van nergens naadloos aan bij Enquists voorgaande werk. Enquist opent de bundel met het vierluik 'Januari'. De gedichten hierin dragen de ondertitels 'Tussen vuren', 'Tussen oevers', 'Tussen talen' en ook 'Tussentijds'. Met die laatste titel koppelt Enquistdeze bundel aan haar vorige. De gedichten betreffen het verlies van een dochter - Enquists dochter verongelukte in 2001 - zoals dat ook in De tussentijd het geval was. Hierin blijft de moederfiguur achter met de artefacten uit een voorbij leven:

Hoe kan je leven vol vaart en rumoer

die uitroepen, zuchten, vertalen in stilstand?

Onwrikbaar, een kunstwerk, een vlammende

goudvis gevangen in glas. Het begint met de foto's,

gestold in hun lijst. Dan: wat zij niet meer

ter hand neemt, serviesgoed, de jurken,

klein puin in haar tas. Na zes jaar moet zelfs

de taal van gemis omgezet, je grijpt

naar het woordenboek, zoekt

naar het stilstaande beeld. Een tafel,

waar ook ter wereld, drie plaatsen gedekt

en één lege stoel. Dat zielig embleem

van verlangen is na vertaling alleen maar

aanwezig, de droom van bezetting voorbij.


(p. 11)

Hoewel Enquist nog steeds haar rouw beschrijft, lijken de gedichten afstandelijker geworden en is er meer aandacht voor de vormaspecten. Het verlies is een gegeven geworden, waaromheen weer andere dingen kunnen gebeuren.In de gedichten klinkt iets van acceptatie en afronding door. De eerste afdeling, met de titel 'ademloos razen', sluit af met een uitnodiging voor een nieuw begin:

Kerst op het land, het vriest dat het kraakt

onder felle sterren. Binnen zwijgzaam en zoet.

Waar wacht je op, wat houdt je tegen?

(p. 16)

Deze retorische vraag - 'wat houdt je tegen?' - laat Enquist in de lucht hangen. Ze zet de bundel niet voort met gedichten die het verlies achter zich laten, maar belicht in de tweede afdeling, onder de titel 'ga je verzitten ben je verloren', nieuwe aspecten hiervan.

Hoewel Nieuws van nergens niet zo doordrenkt is van verse emotie als haar voorganger, deinst Enquist ook hier niet terug voor stevig aangezette taal, waarin geemotioneerdheid doorklinkt. Zo schreef Enquist, in opdracht vanHet Parool,een aanklacht die zeexpliciet richt aande gemeenteraad van Amsterdam, getiteld 'De straatstenen van Amsterdam':

Zij houden de wacht bij stoplichten,

op straathoeken waar vrachtwagens

en bussen de meisjes neermaaien.

Zij dragen lijdzaam de stervenden,

met hol, onhoorbaar hijgen. Hun geheugen

is versleuteld, maar wat zij weten

gaat nooit verloren. Soms zetten zij

het in de nacht op een onmachtig,

gruwzaam krijsen. Baksteen en basalt.

Gelukkig kunnen wij dat zelden horen.

(p. 21)

Enquists woede en wanhoop over haar dochters aanrijding door een vrachtwagen is onmiskenbaar en invoelbaar. Wat voor zinnigs valt er over zo'n voorval te zeggen? Enquist blijft proberen verschillende kanten ervan uit te drukken in poëzie, soms in grote woorden, aangekleed met alledaagsheid, zoals in 'Fantoom':

Het is een woord voor pijn die geen

bestaansrecht heeft; je lijdt aan

een afwezigheid, je snakt met hart

en huid naar wat er eerst nog was.


(p. 25)

De derde afdeling, toepasselijk getiteld 'met esdoornhout en paardenhaar', is volledig gewijd aan strijkinstrumenten en hun muziek. Hierin komt het verlies indirecter terug, met name in de koppeling van muziek en het verwerkingsproces. In het gedicht 'Vraag, antwoord, vraag', opgedragen aan Rutger Kopland, is Enquist toch persoonlijk:

We spelen. Waar luister je naar,

zegt Rudi, wat zoek je? Wij strelen.

Wij zetten voorzichtig kracht

op de snaar. De klank die past

bij haar stem zoeken we, de toon

die haar tevoorschijn tovert.

En wat je zoekt vind je?

Vraagt Rudi. Bijna. Hij knikt.

Bijna. Misschien morgen.


(p. 34)

Naast Kopland omgeeft Enquist zich met meer gerespecteerd dichterlijk gezelschap; andere gedichten in Nieuws van nergens zijn gewend tot onder meer Anton Korteweg, Leonard Nolens enRemco Campert.

Sommige van Enquists gedichten leunen op kleine opmerkelijkheden of alledaagsheden. Zo heeft ze in 'Woordenboek' genoeg aan de dubbele betekenis van het Engelse woord 'change':

In alle mij bekende talen is verandering

een woord waar weidsheid door blaast,

groots verschiet dat uitzicht biedt op vaart

en toekomst. Slechts het Engels weet

wat blijft: kleingeld dat rammelt

in je broekzak, zoekraakt in de voering

van je jas, waar het in duisternis

zijn geldigheid verliest.


(p. 41)

Met regelmaat maakt Enquist zulke koppelingen tussen kleinigheden en grote gevoelens. Hetzelfde doet ze in een aantal gedichten met voetbal. Deze sport keert als beeld opvallend terug inEnquists poëzie. Het gedicht '1974' is vernoemd naar het jaar dat Enquists dochter werd geboren en het Nederlands elftal het wereldkampioenschap verloor:

Dat ze verloren, die voetbalsoldaten, vijandig

vuur om hun oren floot - het betekende

niets, het raakte ons nauwelijks, we hadden

gewoon niet opgelet. Hoe dom, overmoedig,

onachtzaam wij waren. In dat feestelijk jaar

werd het scherpste verlies in gang gezet.


(p. 45)

In de vijfde en laatste afdeling, 'stoep noch plaveisel', is sneeuwhet centrale beeld. Het afsluitende gedicht, indrie delen,is dan ook getiteld 'Sneeuw'. In het eerste deel hiervan schrijft Enquist:

We stapten naar buiten in een nieuwe

stad; even was ik niet de enige met alles

kwijt. We herkenden stoep noch plaveisel,

liepen alsof we vielen, proefden de ijslucht

en hoorden een stilte, echo van de leegte

in ons. We grepen elkaars armen en lachten

onwennig. Zo is het goed, dacht ik, alles

toegedekt en tot zwijgen, niets te verliezen.


(p. 53)

De ironie is, in het bijzonder in het kader van het overlijden dat de bundel domineert, dat het verlies reeds heeft plaatsgevonden en dat dit maakt dat er niets meer te verliezen is. Hiermee maakt Enquist de bundel rond, door terug te komen bij de sfeer en leegte van het openingsvierluik 'Januari'.

In 2011 verschenen geluidsopnames van het gehele vierluik 'Januari' en de gedichten'Boordevol', 'Hier', 'Fantoom', 'Nieuws van nergens', 'Een lied voor de wasvrouw', 'Sneeuw I' en 'Sneeuw III' op de cd Uittocht, vergezeld door pianomuziek van Janacek en Schumann, gespeeld door Ivo Janssen.