Het leven van Piet Paaltjens


Leeuwarden, 1835-1852

François HaverSchmidt werd op 14 februari 1835 in Leeuwarden geboren. HaverSchmidt had drie broers en drie zussen;hij was de op één na jongste. Vader Nicolaas Theodorus HaverSchmidt was apotheker en wijnhandelaar in Leeuwarden, moeder Geeske Bekius kwam uit een domineesfamilie. Grootvader François Bekius was een ouderwetse plattelandspredikant in Dantumawoude en het grote voorbeeld voor de kleine HaverSchmidt, die als kind al op een stoof stond te preken. De bewondering voor zijn opa was doorslaggevend bij zijn keus om zelf dominee te worden.

Opvallend is de schrijfwijze van de naam HaverSchmidt waarbij de letter s opzettelijk in kapitaal geschreven is. De reden hiervan is dat het eigenlijk twee afzonderlijke namen zijn. De overgrootvader van HaverSchmidt had als achternaam alleen Haver. De grootvader van HaverSchmidt werd opgevoed door een oom die Schmidt heette, uit dank voegde hij Schmidt achter Haver,zodoende ontstond de naam HaverSchmidt.

Portret van François HaverSchmidt (uit: Dyserinck, 1908)

Al vroeg in zijn jeugd begon HaverSchmidt met schrijven. Het oudste gedicht dat van hem bewaard is gebleven dateert van 1848, HaverSchmidt was toen nog geen veertien jaar oud. Uit 1849 stamt ‘Barend Krul, grotesk-komisch gedicht’, dit gedicht is door Hans van Straten opgenomen in Nagelaten snikken (Paaltjens, 1961, p. 10-31). In 1850 schreef HaverSchmidt een verhaal met de titel ‘Leven en sterven van Jelle Gal’, hierin komt de kat Jelle op een afschuwelijke manier aan zijn eind. Dit verhaal is gepubliceerd in de bundel Winteravondvertellingen (HaverSchmidt, 1994a, p. 7-20). Dat HaverSchmidt tijdens zijn jonge jaren erg gelukkig geweest is kan worden opgemaakt uit zijn werk Familie en kennissen (1876) waarin verhalen over zijn jeugd zijn opgenomen. HaverSchmidt droeg de bundel op aan zijn ouders en schreef dat hij ‘een recht gelukkige jeugd’ heeft gehad. Meer van zijn jeugdwerk in handschrift is te vinden in de Collectie HaverSchmidt, onderdeel van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die is ondergebracht in de Leidse Universiteitsbibliotheek.

HaverSchmidt ging in Leeuwarden naar het gymnasium en in 1851 deed hij in Delft staatsexamen,het toelatingsexamen voor de universiteit. Zijn ouders vonden hem nog te jong om te gaan studeren, hij was toen pas zestien, en daarom bleef HaverSchmidt nog een jaar in Leeuwarden. In die tijd las hij veel, vooral werken van Heine, Goethe, Schiller, Hugo en Dickens. Ook hield hij veel redevoeringen in Leeuwarden bij de gymnasiastenvereniging Minerva Nos Jungit. Na dat jaar ging hij in Leiden theologie studeren (Mathijsen, 2003, p. 69-70).

 

Titelpagina van de Leidse Studenten-almanak voor het jaar 1857


De studentenjaren in Leiden,1852-1858

Tijdens de studentenjaren in Leiden woonde HaverSchmidt aan de Hogewoerd boven de doodbidder Van Ewijk. (Een doodbidder maakte aan buren en vrienden bekend dat iemand was gestorven.) HaverSchmidt was lid van de studentenvereniging Minerva, waarvan de sociëteit zich bevond aan de Breestraat. Hier klom hij in een vrolijke bui wel eens op de tafel om gedichten voor te dragen (Mathijsen, 2003, p. 73). Zijn beste vrienden in zijn studententijd waren Adriaan van Wessem, Willem van der Kaay,Jan Bouman en Eelco Verwijs.

Bij de eerste publicatie in de Studenten-almanak voor het jaar 1856 liet HaverSchmidt zijn medestudenten kennis maken met Piet Paaltjens in ‘Bloemlezing uit de dichterlijke nalatenschap van Piet Paaltjens’. In het ‘Voorberigt’, waarmee de bloemlezing begon, werd de nog onbekende dichter aan het publiek voorgesteld. Deze woonde, hoe toevallig, ook op de Hogewoerd boven een bidder. HaverSchmidt deed voorkomen of hij een ruime keuze kon maken uit het nagelaten werk van Paaltjens en dat hij daarvan slechts negen verzen heeft gepubliceerd (Almanak, 1856, p. 238-252). In de almanak van 1857 zijn het gedicht ‘Des zangers min’en komische tekeningen gesigneerd met FH opgenomen.

Tijdens de studiejaren van HaverSchmidt gaven de hoogleraren J.H. Scholten en A. Kuenen colleges theologie in Leiden. Zij hingen het 'modernisme' aan waarbij zij de studenten leerden om kritisch naar de bijbel te kijken. Zij wilden het christelijk geloof in overeenstemming brengen met de moderne natuurwetenschappen. Daarbij was geen plaats meer voor wonderen, Jezus werd niet gezien als de Zoon van God en de bijbel niet als openbaring van God aan de mens: het eigen geweten was de richtlijn. Hierdoor bestond godsdienst vooral uit 'oefening en onderzoek van het eigen geweten' (Jensma, 1997, p. 13). Zo werd HaverSchmidt opgeleid tot een moderne predikant in plaats van'een ouderwetse herder over een plattelandsgemeente' (Jensma, 1997, p. 20). Het was in deze tijd dat hij zijn kinderlijk geloof begon te verliezen. Uit al zijn latere preken blijkt dat hij veel twijfel kende en later zelfs een periode in een geloofscrisis verkeerde.

Titelpaginavan de Leidse Studenten-almanak voor het jaar 1859

Op 4 juli 1858 nam HaverSchmidt afscheid van Leiden omdat hij klaar was met zijn studie. Hij vertrok naar Leeuwarden en trok daar tijdelijk in bij zijn zus Adriana. In oktober legde hij zijn kerkelijk examen af, vanaf dat momentkon hij worden beroepen als dominee. HaverSchmidt heeft zijn studententijd in Leiden nooit kunnen vergeten. In een brief aan een van zijn studievrienden, Van der Kaay, sprak hij over deze tijd met de woorden: ‘Tóen was ik waarlijk gelukkig’. En aan zijn vriend Van Wessem schreef hij over zijn laatste avond in Leiden:

Ik gevoelde mij zoo diep ongelukkig, dat het waarachtig was of mij het bonzend hart zou barsten in den boezem. Ik bad om tranen en kon niet weenen. Zie, ik had mij zoo gansch en al met ziel en lichaam verpand en verkocht en overgegeven aan het studentenleven en bovenal aan de vrienden, die ik onder de studenten had gevonden, dat het voor mij was alsof ik moest sterven, neen, alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijn wereld. Goddank dat die ure voorbij is!
(Dyserinck, 1908, p. 52)

In 1859 leverde HaverSchmidt nog eenmaal een bijdrage aan de Leidse Studenten-almanak. Met het gedicht ‘De drie studentjes’ zei hij Leiden voor de laatste maal vaarwel (Almanak, 1859, p. 241-250).

Foudgum, 1859-1862

HaverSchmidt werd in juli 1859 predikant in Foudgum en Raard, vlakbij Dokkum. In deze kleine gemeenschap 'van nog lang geen honderdvijftig zielen' (Nieuwenhuys, 1994, p. 68) voelde HaverSchmidt zich niet op zijn plaats. Het verschil met Leiden was te groot. Hij woonde helemaal alleen in de pastorie en voelde zich eenzaam. Op de bruiloft van zijn vriend Adriaan van Wessem leerde hij zijn toekomstige vrouw Jacoba ‘Koos’ Osti (2 april 1841) kennen en in 1862 verloofde hij zich met haar. In het najaar van 1862 vertrok HaverSchmidt naar Den Helder.

Den Helder, 1862-1864

In Den Helder was HaverSchmidt slechts anderhalf jaar predikant, van december 1862 tot juli 1864.Zes maanden na zijn aanstelling vroeg hijal zijn ontslag aan omdat hij dacht niet te kunnen voldoen aan de eisen van Den Helder. Zijn medepredikanten konden hem ervan overtuigen dat hij zichzelf te laag inschatte,tot na de dood van HaverSchmidt bleef dit voorval geheim. Toch verliet hij nauwelijks een jaar later Den Helder omdat de werkdruk hem te hoog was, zowel geestelijk als lichamelijk. Tijdens zijn predikantschap in Den Helder trad hij in het huwelijk met Jacoba Osti op 6 augustus 1863. Zij was een evenwichtige vrouw van wieHaverSchmidt veel steunondervond.

Schiedam, 1864-1894

Van augustus 1864 tot zijn dood op 19 januari 1894 was HaverSchmidt predikant in Schiedam. Voor het beroep naar Schiedam had waarschijnlijk een van HaverSchmidts vrienden, F.C.A. Pantekoek, bemiddeld. Zij kenden elkaar al van het gymnasium in Leeuwarden en hadden beiden in Leiden theologie gestudeerd. Pantekoek was in Schiedam zeer populair bij de kerkgangers en trok volle kerken. HaverSchmidtheeft hem daarin nooit kunnen evenaren.

In september 1865 schreef HaverSchmidt een gedichtje voor ‘één van zijn beste vriendinnen’ :

Dit heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger;
Maar sinds het die witte das omheeft,
Minnedicht het niet langer.

Nu preekt het en doet huisbezoek,
En voor de variatie,
Houdt het ’s winters, driemaal in de week,
Lidmatencatechesatie.

Ik bezweer u, mijn allerliefste vriendin,
Den draak hier niet mee te steken,
Er zit wezenlijk iets zoo aandoenlijks in,
Dat een hart er wel van mogt breken.
(HaverSchmidt, 1994, p. 115)

HaverSchmidt had de minnedichter en student Piet Paaltjens vaarwel gezegd en was een serieuze dominee geworden. In zijn werk als schrijver was hij veranderd in een echte domineedichter waarbij hij voordrachten hield,gelegenheidsverzen maakte en stukken voor almanakken en tijdschriften schreef (Mathijsen, 2003, p. 79).

Zijn drie kinderen werden in Schiedam geboren: Margot (1864), Nico (1866) en François (1869). Op 29 juli 1868 overleed Nico, hij was nog geen twee jaar oud geworden en deze gebeurtenis greep HaverSchmidt erg aan. In de voordracht ‘De geschiedenis van den kleinen Bob’ bracht hij zijn gevoelens over het verlies van Nico onder woorden. Deze voordracht is in 1983 voor het eerst gepubliceerd in Met gedempte stem, samengesteld door Rob Nieuwenhuys (HaverSchmidt, 1983, p. 43-49).

HaverSchmidt was een kwetsbaar, gevoelig mens, had aanleg voor zwaarmoedigheid en was geobsedeerd door de dood. In zijn preken kwam regelmatig het onderwerp 'zelfmoord' aan de orde, HaverSchmidt stelde zich de dood voor als een 'worgengel'. Maar toch kon HaverSchmidt ook heel vrolijk en geestig zijn.
In de jaren 1870 en 1871 had hij gedurende zeven maanden een depressie en kon niet werken. Om te herstellen bracht hij samen met zijn gezin de zomer door in Beekhuizen.
De depressies bleven terugkomen en rond 1890 kreeg hij er steeds vaker last van. Vooral na het overlijden van zijn vrouw in juni 1891 ging het niet goed met HaverSchmidt. Vanaf de zomer van 1893 leed hij aan een depressie. Op 19 januari 1894 gaf hij de strijd met de worgengel op, hij hing zichzelf op aan het gordijnkoord van de bedstee.

Thematisch: De worgengel

HaverSchmidt was als klein kind al geobsedeerd door de dood. In de verhalenbundel Familie en kennissen is 'Wij gaan de heelen dag uit rijden'opgenomen. In dit verhaal maakt HaverSchmidt met de hele familie een rijtoer. Je zou verwachten dat hij als kind genoot van deze rit, maar HaverSchmidt hield zich bezig met de vraag wie van hen het eerst zal moeten sterven. Hij sprak daarbij in een gebed de wens uit dat hij toch maar als eerste zou mogen gaan:

als er dan toch spoedig een doodgaan moet, ik het maar zijn mag, of anders (want ik zie er toch, alles welbeschouwd, erg tegen op om bij de overigen weg te moeten) dan, en liever nog, als 't wezen kon... tante!
(HaverSchmidt, 1973, p. 63)

Ook in het verhaal 'Leven en sterven van Jelle Gal' uit Winteravondvertellingen speelt de dood een rol. HaverSchmidt eindigt het verhaal met een hoofdstuk waarin de kat Jelle vermoord en begraven wordt. De obsessie met de dood en HaverSchmidts zwarte kijk op het leven hingen misschien samen met een biologische aanleg. De familie van moeders kantleed onder buien van zwaarmoedigheid en depressie.

Volgens Brouwers is HaverSchmidt niet de belangrijkste of invloedrijkste, maar wel de 'populairste' zelfmoordenaar in de Nederlandse literatuur (Brouwers, 1983, p. 40). Brouwers vindt het markant dat de enige zelfmoordenaar in HaverSchmidts oeuvre zich door ophanging van het leven heeft beroofd en niet op een andere manier (Brouwers, 1983, p. 92). HaverSchmidt dichtte namelijk al vele jaren voor zijn doodals zijn alter ego Piet Paaltjens over 'De zelfmoordenaar'. In het gedicht verhangt een man zich in het bos:

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.
(Mathijsen, 2003, p. 46)

Zelfmoord was voor HaverSchmidt een manier van sterven die hij beschreef als het 'zich blindelings werpen in de armen van de worgengel'. Hij stelde zich de dood voor als een worgengel, waaruit blijkt dat hij de dood associeerde met 'worging'. In een preek uit 1885 sprak HaverSchmidt openlijk over zelfmoord:

Hij, de worgengel, verstaat geen scherts. Wie hem spelend de hand reikt, die laat hij niet meer los, die sleept hij mede tegen wil en dank, om kon het zijn, in het eind hem neer te storten in een eigenwillig gedolven graf.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 176)

In andere preken en voordrachten maakte HaverSchmidt regelmatig toespelingen op de dood, zelfmoorden zijn eigen neerslachtige gemoedstoestand. Hij deed dit vaak door middel van beeldspraak waarvoor hij beelden uit de natuur gebruikte. Een voorbeeld hiervan staat in een preek uit de herfst van 1889, vier jaar voor zijn dood:

Soms is het overal nevel; het houdt niet op zachtjes en doordringend te motregenen. O, een orkaan met al zijn verwoestingen is zoo vreeselijk niet als die eentonige dagen en weken kunnen zijn, wanneer de schepping alle kleur mist en waar men zich heen wendt, het is alles even vochtig,guur, naargeestig. (Nieuwenhuys, 1994, p. 202)

Begin 1893 ging HaverSchmidt nog eenmaal naar Leiden' op bedevaart 'samen met zijn dochter Margot en zijn vriendin Jeanette Klein. Hij bezocht daar enkele oude vrienden en ging naar zijn voormalige woning aan de Hogewoerd. Daar zong hij uit volle borst het 'Iö Vivat', het is zijn 'zwanenzang'. Op deze wijze beschreef Dyserinck,in de eerste biografische schets van HaverSchmidt, Fr. HaverSchmidt (Piet Paaltjens), de laatste tocht naar Leiden (Dyserinck, 1908, p. 167).

In de laatste maanden van 1893 ging het niet goed met HaverSchmidt, hij was depressief. Maar toen hij in december bij zijn vriend Dr. Kros logeerde beleefde hij een bijzonder moment. Hij schreef daarover op 3 december in een brief aan Jeanette Klein:

Vanmorgen werd ik om half zes of vijf uur wakker. Ik wist eerst niet hoe ik het had. Ik was volkomen gelukkig. Ik dacht aan al mijn bezwaren, maar ze bezwaarden mij niet, of zij schenen als het ware opgeruimd. Ik kon niet geloven dat ik waakte, maar een blik door de kamer overtuigde mij daarvan. Zo lag ik wel een paar uur te genieten van een vrede en een blijdschap die ik niet meer voor mij mogelijk achtte. Ik stond op als in verrukking en het eerste woord dat ik uitte was: 'ik ben gelukkig'. Spoedig ontbeet ik, tramde naar den Haag en ging ter kerk. Ik was wat vroeg en het koor zong enkele liederen vooraf. Daarop speelde het orgel en zachtjes daalde in mijn hart de onrust en de droefheid, waaraan ik voor enkele uren ontkomen was. Bij het uitgaan der kerk was ik bitter bedroefd. Ik moet nu niet denken aan de zalige morgen die ik doorleefde en die zo kort duurde. Alles was in orde. Misschien verbeeldde ik het mij en was het maar een wakende droom. Nu is het weer als altoos.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 243)

Uiteindelijk pleegde HaverSchmidt zelfmoord, niet als wanhoopsdaad, maar na jarenlange strijd met zijn worgengel en 'uit langzaam gegroeide overwegingen' (Nieuwenhuys, 1981, p. 46). Op 19 januari 1894 verhing hij zich in Schiedam aan het gordijnkoord van zijn bedstede. HaverSchmidt was niet direct overleden, maar heeft nog gestreden. De naaister van de HaverSchmidts, mevrouw J. Donkhorst, schreef in een brief dat de tekenen van zijn doodsstrijd zichtbaar waren geweest:

er was een bedstede in dat huis en daar in heeft hij zijn laatste strijd gestreden de tekenen waren zichtbaar doordat hij met zijn schoenen aan het beschot heeft bekrast.
(Nieuwenhuys, 1981, p. 76)

Thematisch: Paaltjens versus HaverSchmidt

In de 'Levensschets' werd Piet Paaltjens als medestudent van HaverSchmidt geïntroduceerd. De overeenkomsten tussen Paaltjens en HaverSchmidt waren opvallend: beiden kwamen uit Friesland, studeerden in Leiden en woonden boven een bidder. Nieuwenhuys formuleert het als volgt: 'Paaltjens is HaverSchmidts tweelingbroeder die op hem lijkt zoals een karikatuur sprekend kan lijken - zonder dat hij het is'.Paaltjens is het deel van HaverSchmidt dat in overdreven vorm de melancholie weergeeft: de jongeling gekweld door Weltschmerz. Voor HaverSchmidt was de overdrijving een vorm waarmee hij de betrekkelijkheid van zijn eigen angst, smart en wanhoop kon zien, aldus Nieuwenhuys (Nieuwenhuys, 1994, p. 12).

Om de echtheid van Paaltjens' bestaan te suggereren dateerde HaverSchmidt de gedichten van Paaltjens eerder dan zij daadwerkelijk geschreven waren. Daarmee wilde hij aangeven dat hijzelf de gedichten niet schreef en Paaltjens niet was. Volgens Mathijsen wilde hij daarmee de afstand tussen hem en zijn alter ego vergroten (Mathijsen, 1981, p. 19). Ook liet HaverSchmidt in de tweede druk van Snikken en grimlachjes het voorwoord door Piet Paaltjens verzorgen. Hierin vertelde Paaltjens de lezer dat hij 'reeds gelukkig man en vader' is. Ook 'zingt hij nog steeds, maar geen sombere, bittere liedren meer' (Paaltjens, 1878, p. xv-xvi).

Van Vloten's bloemlezing Dicht en ondicht der negentiende eeuw uit 1862 bevatte heugelijk nieuws: Piet Paaltjens was gesignaleerd op het strand bij Holwerd, 'op de uiterste punt van een ver in zee uitstekend hoofd.' HaverSchmidt herkende hem: 'Hij was het zelf, de verdwenen, maar onsterfelijke Piet Paaltjens.' HaverSchmidt ging hem achterna, maar: 'Te laat. Toen ik het paalwerk bereikte, was Paaltjens reeds in een boot gedaald en gleed weg in de richting van Schiermonnikoog' (Van Vloten,1862, p. 623-624).

HaverSchmidt voerde het bestaan van Paaltjens ver door. Hij stelde een eigen handgeschreven bloemlezing samen en noemde deze Verspreide poëzie. Hierin nam hij gedichten op van Beets, Hofdijk, Tollens, Ter Haar en anderen. Opmerkelijk is dat hij tussen de gedichten verschillende Paaltjens-gedichten plaatste, alsof hij zelf tot de groep dichters behoorde. Voor deze bloemlezing ontwierp hij zelfs een titelblad, compleet met vignet en het volgende rijm:

Zietdaar dan alles bij mekaêr
Wat in den tijd van drie à vier jaar
De droeve zanger heeft gezongen.
Bewaart het trouw en bepeinst het goed,
Want in lang is er niet zulk zuiver bloed
Uit een brekend dichterhart gesprongen.
Bepeinst het goed en vergeet het niet,
Want verstomd is van nu af Piet Paaltjens' lied.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 13)

En in september 1865 schreef HaverSchmidt het veelbetekenende gedichtje:

Dit heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger;
Maar sinds het die witte das omheeft,
Minnedicht het niet langer.
(HaverSchmidt, 1993, p. 115)

Daarna schreef HaverSchmidt op4 december 1870 als Piet Paaltjens nog een brief aan zichzelf.Hij verdraaide zijn handschrift in dat van Paaltjens en vertelde:

Ik leef nog altijd op kamers; nu bij een doodkistenmaker; 's morgens ontwaak ik onder het tikken bij het bekleden der doodkisten. Ik slaap in een doodkist o zo heerlijk. In één woord ik ben thans in mijn element en verlang dan ook niet langer naar het einde.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 130-131)

Hierna was Paaltjens onvindbaar en keerde niet weer. HaverSchmidt schreef een gedichtje in het album van een jong meisje dat helemaal weg was van Piet Paaltjens:

Piet Paaltjens, de bleke poëet van weleer,
Die snikt en grimlacht al lang niet meer.
Meer verrukt u het schrift van zijn vriend HaverSchmidt,
Zo neem het, mejuffrouw, voor lief dan met dit.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 14)

In de 'Levensschets' voerde HaverSchmidt zichzelf op als bezorger van de studentenpoëzie van Piet Paaltjens. Dit wekte de suggestie dat HaverSchmidt en Paaltjens twee personen waren. Kees Fens betoogt in zijn artikel 'De dominee achter de dichter' dat beiden, zowel HaverSchmidt als Paaltjens, in de poëzie aanwezig zijn. Daarbij maakt Fens een onderscheid in wat hij 'grondtoon' en 'tegentoon' noemt. Met de 'grondtoon' bedoelt Fens de verwoording door HaverSchmidt, op een vrij traditionele manier,met zware melancholie, gevoeligheid en dichterlijkheid. Fens stelt dat Paaltjens daarbij zorgt voor een 'tegentoon', vaak door zakelijk taalgebruik, waardoor de zwaar aangezette gevoelens als het ware geneutraliseerd worden. Fens ziet dit als een duel tussen HaverSchmidt en Paaltjens. Als voorbeeld geeft hij de eerste strofe van 'Des zangers min', waar grondtoon en tegentoon ieder twee regels krijgen (Fens, 1966, p. 111):

De morgendamp hangt over 't veld,
En kleurt den herfstdraad wit.
Voor 't venster op de Hoogewoerd
*Een minnedichter zit.
(Mathijsen, 2003, p. 42)

Was de poëzie van Paaltjens alleen bedoeld voor zijn Leidse medestudenten, het proza van HaverSchmidt was voor een breder publiek bestemd. Van zijn proza, dat uit verhalen bestaat, is slechts een klein deel tijdens zijn leven gepubliceerd. In 1876 verscheen bij uitgeverij Roelants in Schiedam de enige verhalenbundel van HaverSchmidt, Familie en kennissen. In 1881 verscheen een tweede, uitgebreide druk. De derde druk was in voorbereiding toen HaverSchmidt overleed.

HaverSchmidt liet het publiek kennismaken met het proza in zijn voordrachten. In Schiedam en Vlaardingen begon hij met voorleesavonden. Later kreeg hij daarmee landelijke bekendheid en hoorde hij bij de bestbetaalde sprekers uit zijn tijd. Soms trad hij in de winter wel meer dan zestien keer op. HaverSchmidt gebruikte,ook in de voordrachten, de persoon van Piet Paaltjens. Regelmatig voerde hij ook een andere dubbelganger van zichzelf op: Mr. Franciscus Haas. Deze rechter uit de provincie verzon onderwerpen voor de spreekbeurten van HaverSchmidt (Mathijsen, 2003, p. 81-82). In de bundel Winteravondvertellingen(1994) hebben Marita Mathijsen en Dik Zweekhorst de niet-gepubliceerde verhalen van HaverSchmidt bijeengebracht en van een nawoord voorzien.

Thematisch: Leiden in de woorden van Paaltjens

De poëzie van Paaltjens was oorspronkelijk bedoeld voor de Leidse student. Dat is vooral te merken aan alle verwijzingen naar bestaande personen en plaatsen uit het Leiden van die tijd. In de 'Levensschets' in Snikken en grimlachjes vertelt HaverSchmidt dat Paaltjens in Leiden op de Hogewoerd boven een bidder woont. Het is de 'stads-noodiger ter begrafenis' H.J.P.F. van Ewijk (Van Zonneveld, 1989, p. 73). Een doodbidder wordt ook genoemd in het gedicht 'Immortellen XCVI':

Als ik een bidder zie loopen,
dan slaat mij 't hart zoo blij.
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.
(Mathijsen, 2003, p. 28)

Ook vinden we HaverSchmidt zelf, zijn vrienden en de plaatsen waar zij de tijd doorbrachten terug in de gedichten van Paaltjens. In de eerste strofe van 'Immortellen LXXII' wordt Sand genoemd, daarmee werd HaverSchmidts vriend Adriaan van Wessem aangeduid. Met 'de tuin van de sociëteit' uit dezelfde strofe werd volgens Peter van Zonneveld niet de tuin van sociëteit Minerva bedoeld. Simpelweg omdat Minerva in de tijd va HaverSchmidt slechts over een piepklein tuintje beschikte. Van Zonneveld vindt het weinig aannemelijk dat het vers zich daar zou afspelen. Hij vermoedt dat'buitensociëteit Zomerzorg' de plaats van handeling is.Zomerzorg was een koffiehuis net buiten Leiden en beschikte over een grote tuin.Van Zonneveld denkt dat 'we ons het drankzuchtige viertal uit de Immortelle ook daar moeten voorstellen' (Van Zonneveld, 1981, p. 11):

Wij zaten met ons vieren
In den tuin van de societeit.
'Kijk, jongens!' riep SAND, 'wat passeert daar
Een eeuwige knappe meid.'
(Mathijsen, 2003, p. 25)

In de tweede strofe worden Kaai en Haas genoemd. Kaai was HaverSchmidts vriend Willem van der Kaay - later minister van justitie geworden - en Haas was de bijnaam van HaverSchmidt zelf. Deze bijnaam had HaverSchmidt te danken aan het feit dat hij altijd zeer snel liep.

'Ja,' zei KAAI, 'dat 's een pracht van een meisje!
Zoo zijn er geen twaalf in 't land!'
'Ik hoor,' zuchtte HAAS, 'ze is in stilte
Geëngageerd met een luitenant.'
(Mathijsen, 2003, p. 25)

Vervolgens wordt in de derde strofe Paal opgevoerd. Dit is uiteraard HaverSchmidts alter ego Piet Paaltjens. Deze krijgt na het horen van de verloving van de 'eeuwige knappe meid' een paar marmerwitte wangen. Daarop keert zelfs na het nuttigen van een 'glas rood' de rozengloed niet terug.

HaverSchmidts vriend Eelco Verwijs, zelf ook auteur en publicerend onder de naam Eligius van het Oversticht (Eelco uit Overijssel), komen we tegen in het gedicht 'Jan van Zutphens afscheidsmaal' (Colmjon, 1953, p. 216):

Aan het eind van den disch doet Eligius,
Dat sieraad der clerezije
Van 't Oversticht, zich te goede
Aan de tintlende malvezije.
(Mathijsen, 2003, p. 57)

De Leidse middenstand uit de tijd van HaverSchmidt is veelvuldig aanwezig in het gedicht ‘Immortellen LX’. Hierin staat in drie van de vijf strofen een verwijzing naar een Leidse middenstander.
In de eerste strofe duikt kapper Pieter Johannes Knaap op, in die tijd gevestigd in de Breestraat op nummer 118:

Toen KNAAP mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
“Wat wordt u al grijs!” sprak hij somber,
“Ik vrees, u studeert te sterk."
(Mathijsen, 2003, p. 24)

De tweede strofe bevat een verwijzing naar de firma Jongmans, die op Breestraat 93 een kleermakerij had:

En JONGMANS, toen hij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zóó op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
(Mathijsen, 2003, p. 24)

En in de derde strofe treffen we een Duitse restauranthouder aan, Muller,gevestigd op de Breestraat 175. In het restaurant gaat HaverSchmidt regelmatig uit eten met een groep vrienden. Zij noemen zichzelf 'De Leeuwerik', omdat zij na afloop van de maaltijd graag gezamenlijk een lied ten gehore brachten (Van Zonneveld, 1994, p.17).

Vater MULLER ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders helemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken,
Het eten was bij hem zoo schraal.
(Mathijsen, 2003, p. 24)

In het gedicht ‘Immortellen XVI’ verwijst Paaltjens naar Pieter Blaauw, tabakshandelaar en sigarenfabrikant op de Botermarkt:

Zelfs adem ik soms nog flauw
Den geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij BLAAUW.
(Mathijsen, 2003, p.20)

Ook in het gedicht 'De drie studentjes' wordt een Leidse middenstander genoemd, namelijk de wijnhandelaar W.H. Weydung, op de Nieuwe Rijn gevestigden bij iedere student uit die tijd welbekend:

Eerst om tien uur beloonde wat 'stokouds
En geurigs' van WEYDUNG hun vlijt
(Mathijsen, 2003, p. 61)

Tenslotte, in 'Immortellen IX' noemde Paaltjens twee Leidse straten en twee buiten Leiden gelegen herbergen:

Op 't hoekje van de Hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij, dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.

En halverwegentusschen
De Vink en de Haagsche Schouw,
Daar brak hij, zes weken later zoowat,
Den eed van vriendentrouw.
(Mathijsen, 2003, p. 19)

Elke Leidse student kende in die tijd de Hooigracht en Nieuwe Rijn in het centrum van Leiden. Ook had menig student wel eens een bezoek gebracht aan De Vink, dat was een herberg in Voorschoten, of aan de herberg vlak buiten Leiden: de Haagsche Schouw. Paaltjens' poëzie moet voor veel studenten een feest van herkenning zijn geweest.