De gedichten van Patty Scholten

Vooromslag van Patty Scholten, Het dagjesdier (1995)


Het dagjesdier (1995)

De debuutbundel Het dagjesdier (1995) bevat sonnetten over dieren in gevangenschap, de zogenaamde 'zoonetten'. De dieren stellen de bezoekers regelmatig op de proef blijkt al uit het eerste gedicht 'De vale gier':

Zijn scherpe ogen turen rond naar lijken,
maar dagjesmensen vallen niet vaak dood.
Hij trippelt driftig als in hoge nood
en gaat mij dan maar dood of ziek staan kijken.

(p. 7)

Gelukkig zijn er ook vrolijker dieren, zelfs dieren die amoureus zijn, zoals de 'Verliefde olifanten', die door Scholten worden vergeleken met 'grote zakken tederheid' en wier getrompetter klinkt als een cirkelzaag:

Hij duwt zijn kop tegen haar zachtste zijde.
Zij zet zich schrap tegen haar muzikant
en houdt zo tegen al die hartstocht stand,
of tracht ze slechts om vallen te vermijden?

Ze staan nu boekensteunend kop aan kop
en vlechten liefelijk hun slurven samen
alsof twee slangen 't minnen overnamen.
Dan meet zijn slurf haar schedelbulten op.

(p. 23)

In een ander gedicht, 'De bizons', wordt de oeroude soort beschreven in ongebruikelijke termen, gelardeerd met een vleugje humor.

Bemoste rotsblokken die bizons heten,
zo oud en onverzettelijk als hun baard,
massieve schouders hellend naar de staart,
staan bij de hoge ruif van 't hooi te eten.

(p. 33)

Dit gedicht is voorzien van een voetnoot voor verdere lectuur over het gruwelijke lot dat de bizon in Amerika trof waarbij de soort uiteindelijk met uitroeiing werd bedreigd. Ook minder bekende diersoorten passeren de revue, zoals 'De halsbandpekari's'. Al deze dieren worden voorgesteld alsof ze een menselijke kant hebben, maar Patty Scholten laat ook hun verwantschap met gebruiksvoorwerpen zoals bezems zien.

Een meute zwartbehaarde everzwijnen,
hun lange snuit geaard met stopcontact,
de hoefjes opgewreven en gelakt,
tonen hun rug (ze laten me verdwijnen).

De redenatie van de zwakbeschaafden,
schrikachtig in het stugge bezemvel.
Ze graven met hun neus - in zand nog wel
met de bezetenheid van drugsverslaafden.

(p. 38)

In het echt zijn dieren heel anders dan op film. Vooral 'De kolibri' (eigenlijk: kolibrie gespeld) blijkt zo'n vogeltje, dat tamelijk geflatteerd is in technicolor.

In films zie je hem altijd met behulp
van de techniek vertraagd. In 't echt lijkt hij
een door de verf gevlogen reuzenbij
of anders een te heet gewassen wulp.

(p. 39)

Vooromslag van Patty Scholten, Ongekuste kikkers (1997)


Ongekuste kikkers (1997)

De tweede bundel Ongekuste kikkers (1997) bevat vier afdelingen: 'Zestien kooien, zes aquaria', 'Glazen trommelstokken', 'Zeven mensen en een draaiorgel' en 'Een moeder'. Er is meer variatie in de onderwerpen van de gedichten, er komen nog veel dieren in voor, maar ook meer mensen dan in de eerste bundel. In de eerste afdeling komt bijvoorbeeld een 'klas in de dierentuin'.

Jonge primaten van het mensenras.
Te druk, te veel. Ze roepen, rennen, klimmen.
De juf vraagt of ze even kunnen dimmen.
Dan komen brood en zoetwaar uit hun tas.

(p. 18)

Dit in tegenstelling tot de prinsen: 'De pijlgifkikkertjes'.

Hier zitten alle prinsen bij elkaar,
een groot terrarium hun kroondomein.
Met broekjes aan van nachtblauw bombazijn
vol gele verf, de schilderklus net klaar.

Die billetjes eet niemand per dozijn.
Drie milligram gif van zo'n bultenaar
doodt een volwassen man (nooit vrouwen, raar),
zodat het ongekuste kikkers zijn.

(p. 19)

In het sextet van het gedicht blijkt dat de kikkertjes tot meer in staat zijn: ze keren het sprookje om. Niet zij zijn betoverd zijn; zij betoveren de bezoekster:

Ik buig me naar de koningszonen over en
zie felgekleurde broches achter glas,
die me met spatelvingertjes betoveren.

(p. 19)

In de afdeling 'Glazen trommelstokken' is het gedicht 'Het huilende huis' opgenomen, waarin wordt verteld hoe de omgeving geteisterd lijkt te worden door klaaglijk babygehuil. Maar dat is niet zo:

Ik hoor de wee klagende baby weer,
terwijl ik me nu traag realiseer:
de buren zijn voor baby's veel te oud.

Rondom ons huis is deze winternacht
een bosuil naar een muis of mol op jacht.
Geen wurmpje, maar de klaaggeest van het woud.

(p. 37)

In het gedicht 'Vroege vogels' wordt iets over de werkwijze van Scholten gezegd - als we de passus tenminste als autobiografisch mogen opvatten:

Ik dicht graag 's nachts. Maar nu is het al laat en
ik word te duf voor rijm en metafoor.'

Tegen de ochtend beginnen de vogels met hun lawaai:

Een dwarsfluitist 's nachts zou men koppensnellen
maar voor de vogels hangt men pindaslingers
en luistert dwepend naar hun decibellen.

Waarom toch? Als ik de tv aanzet
en een artiest fluit net zo op zijn vingers,
dan zap ik haastig naar een ander net.

(p. 38)

In de volgende afdelingen 'Zeven mensen en een draaiorgel' en 'Een moeder' staan geen diergedichten meer, maar onder andere gedichten over ouder worden. Hier staan 'Oude dames' met zilverwitte krulletjes bij de bus, die naar doodsbloemen ruiken en wenkend zingen.

Dit is mijn voorland, zo zal ik verwelken.
Ik maak een praatje met ze over 't weer
en ruik een vleug parfum van aronskelken.

De bus vertrekt. Ze zingen zacht een lied:
sirenen met een lofzang op weleer.
Ze wenken naar me. Maar ik wil nog niet.

(p. 52)

In 1999 bracht uitgeverij Atlas een herdruk uit van deze eerste twee uitgaven van Patty Scholten. Die verzamelbundel heette Traliedieren. De vormgeving van de bundels was in handen van Marjo Starink.

Vooromslag van Patty Scholten, Een tuil zeeanemonen (2000)


Een tuil zeeanemonen (2000)

Een tuil zeeanemonen (2000) is een verslag van een reis door Ambon in de voetsporen van de natuurkundige Rumphius. De reisbeurs hiervoor werd verstrekt door het Fonds voor de Letteren. In een voorwoord legde Patty Scholten uit waarom ze een hele bundel gedichten over Rumphius schreef en waarom hij haar intrigeerde. Georg Everhard Rumpf (geboren in Duitsland in 1627, overleden op Ambon in 1702) was een natuurwetenschapper die via de VOC op Ambon terecht kwam, waar hij planten en dieren bestudeerde en beschreef. Ondanks tegenslagen - brand, een gezonken schip, blindheid - kwam zijn werk gereed, maar het werd pas na zijn dood gepubliceerd. Een portret van Rumphius, waarop hij is omringd door boeken en opgezette dieren en schelpen, is gereproduceerd naar de oorspronkelijke uitgave uit 1705. Ook zijn reproducties van gravures van botten en schelpen opgenomen. De dichtbundel is verdeeld in drie afdelingen. De eerste afdeling heet 'Indische Plinius', waarin onder andere een eerste indruk van het land wordt gegeven in het gedicht 'Aankomst in Indië':

Hier staat ook Georg Rumph. Hij neemt een bad
en laat de golven om zijn benen kabbelen,
kijkt naar die wereld in het glazen nat

en vraagt zich af welk lot hem hier zal vinden.
Er komen visjes aan zijn tenen knabbelen.
De tropenzon probeert hem te verblinden.

(p. 15)

De tweede afdeling 'Van gemengd fatzoen' handelt voornamelijk over de dieren. Zo is Ambon het land van de 'Komodo varaan':

Hij tijgert door het zand, de poten wijd,
waarna hij vadsig in de zon verpoost.
Een omgevallen boomstam uit de Oost,
zijn bast een kleurig korstmossentapijt.

Hij lust een buffel rauw, een mens, een geit
en heeft de grote draak nog trek, dan troost
hij zich met wat hij kent: zijn eigen kroost
en hapt ze weg als toetje, zonder spijt.

(p. 38)

De derde afdeling heet 'Op zoek naar Rumphius' en geeft een indruk van het land en van de zoektocht naar Rumphius. Het gedicht 'Tjitjak' speelt zich af in insectenkringen rond een lamp:

Al gauw zit er een groepje gastronomen
al handjeplakkend tegen het plafond.
Tevreden smullen ze zich kogelrond
aan muggen en hun bloedbeluste dromen.

(p. 51)

Op Ambon ziet Scholten onder andere een eendenhoeder aan het werk (beschreven in het gedicht 'De stok').

We kijken uit op spiegels vol met water
bij ons ontbijt met rijst en met banaan,
en zien hem roerloos in de sawa staan.
Een man met hoed, omringd door veel gesnater.

(p. 52)

'Laatste dag te Latuhalat' biedt een terugblik op de ontdekkingsreis door Ambon:

Ik zocht naar Rumphius bij 't monument,
in Ambon, Hila, fort, bibliotheek.
Ik vraag me af of ik hem heb gekend.

Ik weet het antwoord niet. Misschien heel even
als naar vissen, krabben, schelpen keek,
die, eeuwen overspannend, eender bleven.

(p. 57)

Vooromslag van Patty Scholten, Slapen zonder weerga (2002)


Slapen zonder weerga (2002)

De bundel Slapen zonder weerga (2002) opent met het gedicht 'Wandering position'. Door de positie, apart en voorin de bundel, wordt dit een programmatisch gedicht. Het gaat over een mier die zijn plaats niet kan bepalen en die zegt: 'Ik zoek alleen mijn nest. Het is hier niet' en die misschien het hem toegemeten terrein zou moeten verlaten, maar, concludeert het gedicht: 'Ik ben geen kunstenaar. Ik ben soldaat'.

Daarna volgt de afdeling 'Smakelijk!', waarin gedichten zijn opgenomen die eerder bibliofiel werden uitgegeven onder de titel Horecagedichten (2001). Het gaat niet altijd over gezellig, prettig eten, zoals de titel lijkt te suggereren. In 'Koffiehoek in bejaardenflat' staat de dood te wachten:

De leeftijd is hier: oud maar nog niet dood.
Ze hebben nog een roombroodje te gaan,
al is er weldra geen ontkomen meer aan.
Hun derde been rust bij een tafelpoot.

(p. 17)

En is het niet de dood, dan is het wel de overdaad die (in 'Een hapje') de lust laat verdwijnen:

Frambozenschuimtaart, vlaai, mokka-baiser,
brioche, knusperli, Berliner bol

Zo vult Patty Scholten het hele octaaf met zoetigheid en lekkernijen. Maar in het sextet gaat het drastisch een andere kant op, tot we bij de clou belanden:

Extractie, jacketkroon, apexfixatie,
retentiestift met tweevlaksrestauratie,
wortelkanaal van de derde molaar.

Fixatiekap, marsupialisatie,
Composiet inlay, vitaalamputatie.
Volledige prothese. Hapt u maar.

(p. 18)

Hiermee toont Scholten haar aandacht voor het vakwerk van de sonnettenschrijver, die gebruik wil maken van eeuwenoude modellen. Het is een staaltje onvervalst rederijkerswerk, dit sonnet van opsomming en tweedeling. De tweede afdeling van de bundel heet 'Noem mij dier' en daarin komen - als steeds bij Scholten - de dieren volop aan bod. Zo zijn er bijvoorbeeld de 'Rendieren' in een gedicht dat eerder bibliofiel uitgegeven werd.

Het gras is ze te mals, ze eten takken.
Hun bek vol ruwe vezels; dental floss.
De lippen bruin fluweel als toendramos
en platvoeten om niet door 't ijs te zakken

(p. 31)

'Verschuivend leven' heet de derde afdeling van deze bundel. Hierin komen herinneringen en zelfreflectie aan bod in het gedicht 'Campingman/campingvrouw'.

Ik moet meer potjes hebben, minder vet
en veel meer tutteren bij het toilet,
bepeins ik bij een kritisch onderzoek.

En geen gedichten maken, maar naar bed.
Mijn campingman drinkt fris en leest een boek.
Ik hou van hem als hij de tent opzet.

(p. 40)

Het gedicht 'De zwerver' werd in 2003 apart uitgegeven in een kleine oplage, gedrukt door De Uitvreter in Zoeterwoude:

Hij draagt een baseballpet tegen de kou.
Een jas vol vlekken, er ontbreekt een mouw.
Maar hij heeft goede zin, ook zonder bad.

Misschien denkt hij aan 't walk-in-kerstdiner.
'Een kindeke trala boemdiee...
zo'n goeie hebben we nog niet gehad.'

(p. 50)

Patty Scholten schreef naar aanleiding van de dood van vertaler James Brockway (1916-2000) een sonnet. Brockway vertaalde de bundel Traliegedichten in het Engels als Elephants in love and other poems, dat door London Magazine Editions - na zijn dood - in 2001 gepubliceerd werd.

Beloftes worden niet door hem gedaan
en hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.

Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: 'Je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, die doen er niet meer toe.

(p. 51)

Vooromslag van Patty Scholten, Bizonvoeten (2004)


Bizonvoeten (2004)

De vijfde bundel van Patty Scholten, Bizonvoeten (2004), vermeldt op het omslag dat het om 'reisgedichten' gaat. Er zijn twee afdelingen: 'Reissonnetten' en 'Gezangen van ontheemding'. In sommige gedichten staat een schilderij centraal, zoals in 'Edward Hopper, Hotelroom 1931':

Ze is net aangekomen en ze zit
- de koffer nog onuitgepakt - op bed.
Haar blauwe dophoed heeft ze afgezet.
De lakens ongekreukt en hagelwit.

(p. 15)

Ook dicht Patty Scholten over natuurgeweld in 'Geyser'.

Er hangt een vieze lucht, al zijn we buiten,
want dit is wit en weeïg zwavelland.
Coyotes sluipen langs de canyonwand
met opgestoken oortjes, waakse snuiten.

Ik schrik me wild. Met bulderend gedonder
schiet een kolom heet water in de lucht.
Als er een hel bestaat, zit hij hier onder.

(p. 17)

In 'New Orleans' moet de lezer voor het rijm de Amerikaanse uitspraak van Franse woorden aanhouden:

Ik drink espresso bij The French Café.
Een dame zit te zonnen op 't terras en
twee kaketoes die schor 'I love you' krassen,
bij haar op schoot. Ze voert ze 'n French beignet.

(p. 23)

Naar aanleiding van de film 'The bridges of Madison County' schrijft ze over de brug die in werkelijkheid bestaat en ooit dienst deed als gelegenheidsgever aan verliefde koppels.

Want kussen op de brug ging ongezien.
De bruglengte de duur der vrijerij.
Een oud paard voor de koets hielp bovendien.

(p. 31)

De afdeling 'Gezangen van ontheemding' begint met 'Grenzen aan onderzoek'. Daarin wordt een dichter/passagier aan de controles van de luchtvaartmaatschappij onderworpen:

Mijn verzen zijn dynamisch, maar steeds fair.
Ik doe in poëzie en niet in mensenvlees.

If you don't mind, would you now walk through here?
(Let's see if the detector finds a weapon.)
Ik ben maar een gewone passagier
U kunt hooguit wat dropjes onderscheppen.

(p. 39)

In 'Poetry slam' woont deze zwaar gecontroleerde dichter een poëziemanifestatie bij, waarbij met de pet wordt rondgegaan voor de beste dichter:

Geen stille eerbied voor de poëzie.
'I'm catatonic, hooked on tonic, men!'
roept in 't gejoel de zwarte Tiffany.

De leitjes gaan omhoog. 'I got a ten,
I got an eight, I got a nine point three...'
Wat saai dat ik in Holland dichter ben.

(p. 49).

Vooromslag van Patty Scholten, Looiedetten (2006)


Looiedetten (2006)

In 2006 publiceerde Patty Scholten haar dichtbundel Looiedetten. Deze bundel is onderverdeeld in drie afdelingen: 'Kampeerreis door Kenia en Tanzania', 'Gesnorkel' en 'Afscheid'. De hele bundel bestaat uit sonnetten. In de eerste afdeling beschrijft Scholten hoe ze een lange reis maakte door Kenia en Tanzania. Zoals ook in haar andere bundels komen er veel dieren voor in de gedichten, bijvoorbeeld in het gedicht 'Contact met een leeuw':

Zijn ogen hebben alles al gezien.
Het sterven van de antiloop, de snelle,
haast opgeluchte dood van de gazelle
voordat ze vlees wordt voor een leeuw of tien.

(p. 10)

In twee sonnetten met de titels 'Safarikok' en 'Safarikok II' beschrijft Scholten hoe een kok en zij zich tot elkaar aangetrokken voelden:

's Nachts staat hij voor mijn tent, zwart in het zwart.
'I've come to make you happy!' fluistert hij.
Hij is zo trots en mooi, het breekt mijn hart

maar 'k heb hem toch de tent weer uit gezet.
Ik dacht aan aids en niet aan zoet gevrij.
Ik speel graag, maar geen Russische roulette.

(p. 13)

In de tweede afdeling van de bundel vertelt Scholten over haar snorkelvakantie in Egypte. Door het snorkelen leert ze verschillende onderwaterdieren kennen, zo blijkt uit de titels van de gedichten: 'Het zeepaardje', 'De zeekoe', 'Het zeedraakje', 'Het pygmeezeepaardje', 'De zeenaald', 'Octopus' en 'De haaien'. Het gedicht 'Vissengroet (met dank aan Paul van Ostaijen)' verwijst naar Paul van Ostaijens gedicht 'Marc groet 's morgens de dingen':

Dag vissen, dag koraal, ik kom weer even
in jullie natte wereld binnenwippen.
Om het koraal, dat lacht met wulpse lippen
van doopvontschelpen, kantwerk te zien weven.

(p. 35)

En in de laatste strofe:

Dag mensen, pootjebadend in de baai.
Ik zie ik zie wat jij niet ziet. Geen grapje:
om jullie voeten zwemt een babyhaai.

De laatste afdeling, 'Afscheid', speelt zich in weer een heel andere omgeving af: in Nederland en gedeeltelijk in een verpleeghuis. In het gedicht 'Lunch in het verpleeghuis' beschrijft Scholten hoe ze oude mensen helpt met eten:

Al zorgend ben ik voor mezelf aan 't zorgen.
Dit is mijn voorland. Morgen, overmorgen
ben ik wellicht op deze kust gestrand.

Een vrouw zegt huilend: ''t Is zo somber buiten.'
Toch schijnt er volop zonlicht door de ruiten.
Ik vlucht naar buiten, naar een lichter land.

(p. 48)

In het laatste gedicht van de bundel, 'Advertentie van een mus' biedt een mus een adelaar aan om hem training te geven:

Ik leer u kijken van dichtbij met ogen
als blij brutale kralen, het vermogen
te hippen zoals ik, uw vleugelpaar

-symbool op wapenschilden weliswaar-
wordt niet meer rafelig kapot gevlogen.

(p. 59)

Minder aardig wordt de mus in de laatste strofe:

Uw domme eerzucht moet worden verdreven.
U dient zich helemaal een mus te voelen:
dus klein en grauw zijn, groots en bont uw leven.

Vooromslag van Patty Scholten, Noem mij dier (2009)


Noem mij dier (2009)

In 2009 verscheen de bundel Noem mij dier. Ook in deze bundel komen weer talloze dieren op verschillende werelddelen voor, waarbij Scholten regelmatig verwijst naar actuele gebeurtenissen, bijvoorbeeld de tsunami in de Indische Oceaan (2004), het doodschieten van de mus die Domino Day verstoorde (2005) en de aanval van de gorilla Bokito op een bezoekster van de dierentuin (2007). Ze schrijft over olifanten in Thailand, Beloega in de Rijn, een kat die door de CIA als spionagemiddel wordt gebruikt, de Gouden Koetspaarden, kamelenmarkt in Egypte en honden en katten op Bali. Zo schrijft ze over Bokito een sonnet waarin in de eerste twee strofen een vrouw aan het woord is, en in de laatste twee de gorilla:

Bokito mooie aap, Bokito zoet.
Een bundel ongetemde oerwoudkracht.
En toch, je bruine ogen staan zo zacht.
Wat deed je fout met die Lombrososnoet?

Ik druk mijn hand tegen de ruit. Jij doet
hetzelfde aan de binnenkant en lacht,
de zilverrug die altijd op me wacht.
Mensaap en aapmens zijn van eender bloed.

Ze staat er weer, het witte kale wijfje.
Mijn harem heeft nog geen toelatingsstop.
Kom bij je alfaman, hier hoor en blijf je.

Ons nageslacht zal buitelen en stralen.
Ik trek mijn groetgezicht: waar wacht je op?
Ik spring mijn reuzensprong. Ik kom je halen.

(p. 8)

Vooromslag van Patty Scholten, De ziel is een pannenkoek (2011)


De ziel is een pannenkoek (2011)

In 2011 publiceerde Scholten De ziel is een pannenkoek. Een autobiografie in sonnetten. Zoals de ondertitel al zegt, beschrijft Scholten in deze bundel in chronologische volgorde haar leven. De titels van de gedichten spreken voor zich: 'Onder moeders vleugel', 'Leren lezen', 'Puberen', 'Eerste kus', 'Hippietijd', 'Huwelijk met de hippieridder', 'De psychiater', 'Scheiding', 'In rustig vaarwater'. Een van de laatste gedichten uit deze bundel heet 'Herinneringen':

Niets is bedrieglijker dan ons geheugen.
Je ziet jezelf niet in een spiegel, maar
je neemt alleen je goede kanten waar.
Terecht rijmt dit verschijnsel op 't woord leugen.

Je graaft in je verleden, vindt slechts vleugen
en flarden van herinneringen daar,
gekleurd door tijd, verbeelding, ouderpaar.
Deed je het goed of wilde je niet deugen?

De vrije wil: een grijsaard op een bankje
die tobt of hij de juiste keuzes maakte.
Van zelfbeschikking blijkt helaas geen sprankje.

Ik heb mijn best gedaan, beschreef mijn dagen,
gekleurd door weemoed die soms bitter smaakte.
Maar of het klopt, dat moet u mij niet vragen.

(p. 95)