De gedichten van Lieke Marsman

Vooromslag van Lieke Marsman, Wat ik mijzelf graag voorhoud (2010)


Wat ik mijzelf graag voorhoud (2010)

Het eerste gedicht van de debuutbundel van Lieke Marsman heet weliswaar ‘Vasthoudendheid’, maar gaat over oneindige associaties van woorden. Van rijkoets naar lijkwagen en verder:

                                Je ogen zijn zo rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde van geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van.

(p. 5)

Vervolgens gaat het over ‘het mooie aan het woord stil’ – namelijk: het zegt iets over geluid – en ‘het bijzondere van het geluid is dat het bestaat uit beweging’ – waarna het gedicht verder gaat over het ‘fijne aan beweging’, een hele avond dansen, ‘het vreemde aan een hele avond’ en het ‘allermooiste aan het woord stil’. Deze associatie-keten toont de rusteloosheid die gevoeld wordt voor het slapen gaan, maar het is geen dreigende of negatieve onrust, het is de denkende en op woorden verzotte mens die niet kan slapen en in bed niet kan stilliggen. Het kunnen Engelse woorden zijn die rust brengen of Franse woorden die je van slag laten raken.

Er lijkt in die eerste gedichten geen vanzelfsprekende verbondenheid tussen de persoon en de omgeving:

Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd.
(p. 7)

- of die ruimte is juist het terrein van iemand die er is overleden, die er het langst niet ademde, maar zegt Marsman: ‘Hier kan mijn theorie niet tegenop.’ Elk gedicht is half gevestigd in de filosofie en half in de lyriek, waarin beelden als deze opdoemen:

De tijd lijkt maar niet verder dan drie uur te willen zijn, de stad
verlaat mijn stoep. Ik kijk haar door de brievenbus na
om te zien hoe fietsers als naaimachines haar straten aaneenrijgen.

(p. 9)

De theorie kan in het dagelijks leven niet op tegen de verwarring van gevoelens: verdriet, angst:

                               Zo keer ik wat ik denk om in cirkels,
alsof ik met mijn wijsvinger een kristallen glas laat zingen.

(p. 11)

Deze manier van denken en leven kan rust geven en lastige momenten veranderen in nuttige:

Er zijn verschillende manieren waarop
je iemand kunt ophalen van zwemles en
te laat is er één van.

(p. 16)

Maar de niet opgehaalde persoon kan intussen van alles doen: haren laten drogen, nadenken, zich juist geen zorgen maken.

                                            Zo is het niet erg om bang te zijn
als het een goed verhaal oplevert.
(p. 18)

Het veranderen van angsten, sarcasme en zorgen in woorden, gedichten en verhalen is een motief in deze eerste bundel. Maar niet alleen wordt het leven draaglijk door het in taal om te zetten; tegelijk veranderen de gedichten op die manier in porties levendigheid. De gedichten grijpen vaak terug naar momenten uit de kindertijd en verwoorden daarmee het verlangen naar volwassenheid, maar het tegendeel maakt daarvan ook deel uit: de wens een kind te blijven:

Laatst draaide ik me vastberaden om
om te zeggen dat ik vissen niet langer eng vond en keek recht
in de ogen van een middelgrote waterslang. Godallejezus
hoe bang ik ben voor slangen valt niet goed te praten.

(p. 19)

Dat omdraaien krijgt in de taal letterlijk een as om omheen te draaien – met twee keer het woord ‘om’ achter elkaar, eerst aan het einde van een regel en dan aan het begin van de volgende.

De gedichten in deze bundel hebben uiteenlopende vormen. Het gedicht ‘Kieren’ is op twee tegenoverliggende pagina’s gedrukt in vier kolommen:

Op mijn veertiende was ik
voor het eerst echt
sprakeloos. Ik wist nog niet
goed wat echt was, maar wel
dat het zat in de dingen die je
bij binnenkomst meteen
begrijpt.

(p. 30)

Verder in dit gedicht gaat het steeds over die ‘binnenkomst’, van woorden, feiten en ervaringen die je hoofd binnenkomen en daarmee van anderen die bij je binnenkomen:

Tegelijkertijd: pel mij open,
schik rang in deze zinnen.
Ik ben voor helemaal
niemand bang, maar wel
bang voor het woord
niemand. Wil steeds opnieuw
iets hebben uitgebracht,
maar liever nog dan dat
naar binnen.

(p. 30)

In een gedicht (‘Langzaam in vogels, 2) staat dat we misschien ‘nooit meer [zijn] geweest dan onze restanten’. In een ander (‘Kieren’) staat dat ‘we zijn opgebouwd uit lagen van woorden waar we niet langer aanspraak op maken’. En dat is problematisch: de achterblijvende woorden passen niet meer bij onze angsten en wensen. Daardoor worden we deels onechter dan we willen zijn. Maar, zegt Marsman dan, je kunt tussen de kieren van die lagen heenkijken en dan zie je:

dat wie woordloos ademhaalt
waardeloos geluister uitsluit

en dat ergens tussen ons afval ‘een munt van zilver’ te vinden moet zijn (p. 31), maar het zoeken daarnaar is bepaald niet eenvoudig vertelt de dichter in een ander gedicht (‘Rome’):

Ik word niet achtervolgd door herinneringen,
ik word achtervolgd door het tegenovergestelde
van herinneringen.

Dat is alles
wat ik vergeten ben, of
de toekomst.

(p. 37)

En dat terwijl droom en werkelijkheid regelmatig door elkaar lopen, net als taal en werkelijkheid, heden en verleden. De cirkelvormige gedachten, de zich aaneenrijgende associaties, komen in botsing:

Toen ik in mijn hoofd een vierkant tekende en het automatisch een cirkel werd
Toen de tijden niet in lijn leken te zijn, of de talen

Toen ik de cirkel wilde verbreken, nu ik het kan
(p. 42)

In het gedicht ‘Soms moet dat’ wordt haar gezegd: ‘ook als je fluistert wordt er naar je geluisterd’ (p. 50), maar het begint met sprakeloos geluk:

Ik sta met mijn open mond vol geluk
te wachten tot iemand het eruit pakt wil je
het geluk uit mijn keel pakken zodat ik er
niet langer over struikel tijdens het praten

(p. 50)

Dingen weglaten en tegelijk achter alle dingen iets zien, vergeten en verzinnen is wat in het titelgedicht ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ als een credo naar voren komt.

De behoefte om ook geluk in woorden te vangen kan in het gedicht ‘Soms moet dat’ alleen met behulp van een ander, een geliefde, bevredigd worden. De dichter moet gedichten schrijven, zoveel is duidelijk:

als men vraagt waarom schrijf je
in hemelsnaam nog gedichten antwoord dan
omdat mensen niet onder mijn tong
blijven liggen omdat je gedichten stil
kunt laten staan als een luisterend oor

(p. 51).

Vooromslag van Lieke Marsman, De eerste letter (2014)


De eerste letter (2014)

Vier jaar na de debuutbundel verscheen De eerste letter, dat voorafgegaand wordt door een citaat van de Duitse dichter Rainer Maria Rilke uit Het dagboek van Malte Laurids Brigge. Het bestaat uit dertien regels vol angsten, waarvan de ergste overeenkomen met die van Lieke Marsman:

de angst, dat ik mijn zou kunnen verraden en alles zeggen, waarvoor ik bang ben; en de angst, dat ik niets zou kunnen zeggen, omdat alles onzegbaar is.
(p. 5)

In de debuutbundel werd veel over slaap en droom geschreven, en het eerste gedicht in deze bundel zet dit thema voort. In die dromen komen angst en daadkracht met elkaar in botsing, de dromer als held legt het af tegen de dromer als gestorvene:

en ik ben bang dat ik in deze dromen zelf gestorven ben, aan
het begin, noch voordat het verhaal begonnen is.

(p. 7)

De parlando-toon, de cirkelende associaties en de vorm van het prozagedicht maken ook hier aanvankelijk het instrumentarium uit; al verandert dat in de loop van de bundel, waar herhalingen minder een rol spelen en de gedichten kariger van vorm worden. Sommige gedichten lezen als brieven, andere als zelf-analyse en -receptuur:

De ochtenden waarop er zich muziek in mijn hoofd bevindt, iedere minuut een ander liedje.
(p. 9)

In die kakafonie van het eigen hoofd wordt gezocht naar rust, naar een bestaan zonder teveel woorden:

                                                                              De mooiste mens
is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen
woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje
thee. Die alles opnieuw leert.

(p. 9)

De angsten maken dat de ‘ik’-persoon gaat ‘denken dat alles op mij betrekking had’, maar elke angst kent een overtreffende trap en in dit geval is het deze: ‘Als alles op mij betrekking had’. In deze gedichten klinkt de roep om een einde aan rituele woordenrijtjes luid op, rijtjes zoals ‘de Staten van Amerika op alfabetische volgorde’ (p. 14), of, meer spelenderwijs, het dooreenhalen van titels: ‘Honderd jaar cholera, Liefde in tijden van eenzaamheid’ (p. 19). Het ritueel als bezwering van de angsten, vaak in de vorm van gezang of aanrakingen. Want zegt de dichter: ‘ik ben een denker, dus ik heb een probleem’ (p. 19).

De liefkozingen of pogingen tot liefde spelen in deze bundel meer een rol dan in de vorige, waarin gezelschap minder naar voren kwam:

en je bent zo ontzettend vergeten
als je denkt dat je gelegen komt

maar je was zo verschrikkelijk sexy
dat ik de hemel
uit de hemel wilde tillen
(p. 21)

Niet alle gedichten over liefde stralen vrolijkheid of geiligheid uit. In ‘Ruimte’ zijn de rituele noodzakelijkheden inperkend voor de partner:

nu ga ik een ijsje voor je kopen
nu moet je met meelopen naar mijn huis
en me kussen op een moment dat mij uitkomt

De lezer weet in dit gedicht echter niet welke partner aan het woord is:

we raken steeds meer van elkaar verwijderd

ze heeft het over een kamerplant
ik denk aan een wagenpark
(p. 31)

Enkele gedichten verwijzen naar ruzies en geweld met ‘blauwe plekken’ die ‘me niet tot mijn recht doen komen’ (p. 32) en wraakoefeningen: ‘Toen we friet gingen eten heb ik mijn patatzak met de mayonaissekant je gezicht in geduwd’ (p. 37). De relatie lijkt in elk geval steeds ook op een complexe relatie met het zelf:

Jezelf aan iemand geven heeft tot gevolg
dat jij diegene wil zijn: degene
die jou krijgt.

(p. 40)

De cyclus ‘Een kus’ toont de regelmatige vormen die in de tweede helft van de bundel de prozagedichten uit het eerste deel verdringen: vijf gedichten van twee strofen van drie regels. Ze behandelen niet de angst uit de eerste helft, maar de tweespalt van de liefde die als een soort constante sfeer bijna gevaarloos lijkt te zijn:

Zijn we toch maar mooi uit eenwording
twee gewonden geworden

(p. 54)

En in plaats van oeverloze gesprekken en ondanks gebrek aan overzicht dit te willen doen:

Alleen je toe te willen trekken
naar het zwijgen van mijn mond
die op een kiertje staat; je daar te laten.

(p. 55)

Het dagelijkse huishouden wordt in sommige gedichten gezien als een geneesmiddel tegen angst:

maar oh, word maar niet bang van een
zich opnieuw aankondigende ochtend
die je mogelijk onbeantwoord lief laat hebben

(p. 56)

En de voorlopig bevredigende conclusie luidt dat de blik op de toekomst gericht moet worden, dat er plannen komen:

mooi en onuitputtelijk zijn, als woorden, als worden
(p. 58)

Waarbij woorden niet langer als beperkingen worden ingezet, maar als mogelijkheden, ze niet inperken, maar ruimte scheppen.

Vooromslag van Lieke Marsman, Man met hoed (2017)


Man met hoed (2017)

In de eerste bundel van Lieke Marsman staan twee gedichten met de titel ‘Man met hoed’ en in de tweede staan er nog eens twee: ‘Man met hoed’, 3 en 4. In 2017 werden de gedichten uit beide bundels samengevoegd – Marsman was inmiddels overgestapt van uitgeverij Van Oorschot naar Uitgeverij Atlas/Contact en nam haar gedichten mee. In de verantwoording achterin schrijft Marsman dat die bundels bij Van Oorschot ‘niet meer in druk’ waren. De verzameluitgave heet Man met hoed en verscheen als gebonden uitgave. Hieraan zijn gedichten uit de jaren 2005-2008 toegevoegd, waarvan de eerste ‘Man met hoed’ (zonder volgnummer) heet:

Op een dag zal er een man aan de deur zijn geweest,
die niet vroeg om van God te houden of te denken
aan alle mensen met een hartkwaal die je toch niet kent,
[...]

De ik-persoon tegenover deze man herkent hem als iemand uit de jeugd, uit een dorp, maar:

Als hij zijn hoed afzet ben ik het.
(p. 119)

Het raadselachtige van sommige van Marsmans gedichten is dat de lezer nooit zeker weet wie er aan het woord is. In dit jeugdgedicht, geschreven in 2005, toen zij vijftien jaar oud was, is dat niet anders.

In een later gedicht, waarvan alleen de delen benoemd zijn als ‘A’ en ‘B’ blijken dit twee sprekers te zijn, wier telefoongesprek gesplitst is. Je kunt ze weer samenvoegen tot een (chrono)logische conversatie, maar het is nog een hele puzzel omdat de ene spreker soms meer regels aan het woord blijft dan het lijkt.

Dit is een van de niet gebundelde gedichten uit de jaren na 2008, de ‘Nieuwere gedichten’. In totaal zijn er achttien gedichten bijgekomen. Aan het slot van de bundel zijn Marsmans vertalingen opgenomen, waaronder gedichten van Wendy Wilder Larsen en Adam Clay, dichters die zij bewondert. Veel van die gedichten gaan over angst, zoals dat van Katie Ford:

Dit is hoe het is met wie angst heeft. Wat niet zal gebeuren
gebeurt de hele tijd.

(p. 171)

Vooromslag van Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens (2017)


Het tegenovergestelde van een mens (2017)

Op de titelpagina van Het tegenovergestelde van een mens staat dat dit een ‘roman’ is, maar in de ‘Verantwoording’ achterin spreekt Marsman over ‘essays en gedichten’. Het verschil tussen die twee genres is hier moeilijk scherp te stellen. De eerste tekst, ‘een ochtend’, ziet eruit als een gedicht en zal dus wel een gedicht zijn.

deze ochtend
die een bedreigende tijdloosheid
uitstraalt

Niet bedrieglijk, dus maar bedreigend. Het licht lijkt uit het verleden te komen,

alsof er daar iemand een spiegel vasthoudt
en het naar ons toe kaatst [...]

Terwijl die spiegel probeert het licht vast te houden. Marsman vergelijkt deze visie van het heelal met twee mensen die elkaar verlaten,

omwille van wat het betekent
twee mensen te zijn

(p. 7).

Daarbij zou een tweede spiegel ze misschien weer bij elkaar kunnen brengen.

In de volgende hoofdstukken is een 29-jarige ik-persoon aan het woord die luistert naar de naam Ida en klimaatwetenschapper is. Het verhaal is geen essay. Ze ontmoet Robin die haar geliefde wordt. Na hoofdstuk 16 volgt eerst ‘Het verschil’ en dan pas hoofdstuk 17. ‘Het verschil’ is ook weer een gedicht, één dat de verschillen tussen partners of ouders en kinderen aanduidt.

Het verschil is dat je werkt met wat voorhanden is. Doordat je een deel van wat voorhanden is afwijst, heb je het idee dat je invloed uitoefent.
(p. 46)

Maar niet alle niet-genummerde hoofdstukken zijn gedichten. Tussen het achttiende en negentiende hoofdstuk staat de tekst ‘Uit de kust’, over homoseksualiteit en identiteit en af en toe worden de genummerde hoofdstukken van het verhaal afgewisseld met hoofdstukken die net zo goed tot het verhaal horen, maar een aparte titel hebben meegekregen. De vorm van ‘Ik haat de storm, ik houd van de storm’, aan het slot van de eerste sectie van het boek, is opnieuw die van een gedicht waarvan het thema angst is:

mensen die bang zijn voor de dood vs. mensen die bang zijn dat het leven na de dood gewoon verdergaat
(p. 82)

In de tweede sectie is een gedicht ‘sneeuw’ opgenomen, in een afwijkende typografie, met maar een strofe per pagina. Over haardvuur en wilde dieren en sneeuw:

het is een vuur dat wilde dieren weg houdt
ware het niet dat de muren dat al doen

(p. 101)

Langzaam maar zeker gaan de persoonlijke angsten, voor verlaten worden, dingen te missen, over in de algemene angsten voor klimaatrampen. Het verhaal wordt allengs filosofischer: ‘Wij kunnen niets zonder de wereld. Maar zonder ons heeft de wereld geen enkel probleem.’ (p. 146) Ida vertrekt voor en onderzoek naar Italië en als Robin haar komt opzoeken is het om het einde van hun verhouding aan te kondigen. Een doorbrekende dam maakt met een vloedgolf een einde aan het verhaal.

Dan volgen er nog twee gedichten met een andere tekst ertussen, over taal en gevoelens, verlangen en gemis. De roman eindigt met het gedicht ‘Overal waar je komt voel je je sterker’, maar het klinkt niet als een overwinning van angsten:

Misschien kunnen we in de kano gaan zitten
en wachten tot de rivier alles wegneemt.

(p. 172)

De vraag is eigenlijk: drijven de gedichten in deze roman op het water van het verhaal, of zijn het bakens in een onstuimige rivier? Waarom zijn er gedichten in een verhaal dat soms een essay wordt? Wat zeggen die verschillende vormen over de idee die wordt uitgedragen?

Vooromslag van Lieke Marsman, De volgende scan duurt vijf minuten (2018)


De volgende scan duurt vijf minuten (2018)

Nadat in 2018 kanker bij Marsman was vastgesteld, schreef ze opnieuw een hybride boek, De volgende scan duurt vijf minuten met gedichten, autobiografische fragmenten en essays. De bundel opent met tien gedichten, gevolgd door dertig pagina’s proza en wordt afgesloten met twee gedichten.

Marsman schrijft over deze combinatie:

Er zijn een paar redenen waarom de gedichten in dit boekje over kanker en politiek gaan, en niet alleen over kanker. Allereerst had ik over politiek schrijven nodig om niet volledig door de kanker opgeslokt te worden.
(p. 35)

De tweede reden is toevalliger van aard: ziek op de bank liggend zag ze het complete debat over dividendbelasting op tv.

Nog een reden: naarmate je plek in je eigen leven ten opzichte van je geboorte en dood duidelijker wordt, wordt ook je plek ten opzichte van de maatschappij om je heen duidelijker.
(p. 37)

De gedichten zijn grotendeels genoemd naar de reeks scans die Marsman bij het onderzoek naar haar schouderpijnen onderging, scans die soms vier, soms twee, soms drie minuten duurden.

Weet jij eigenlijk wel wat het leven je te bieden heeft
(p. 7)

- of ben je teveel bezig met therapie om nog op te merken wat je lichaam zelf te vertellen heeft?

De gedichten gaan, net als het proza, in op identiteit, irrationaliteit, toeval en pech, waarbij actualiteit, politiek en filosofie worden besproken, zoals Wittgensteins Tractatus:

Waarover men niet kan spreken,
daarover maakt men gebaren
of barst men in huilen uit.

(p. 12)

Kanker, zo schrijft Marsman, maakt alles ‘episch’, ‘magie’, ‘gedichtwaardig’ en ‘een sprookje’, maar uiteindelijk is er maar één wens:

Er is niets wat ik nog wil zien
Behalve steeds opnieuw, opnieuw
Een nieuwe dag

(p. 21)

Het laatste gedicht, met de titel ‘De volgende dag duurt vierentwintig uur’, bestaat daarom maar uit één zin:

De volgende vierentwintig uur zijn helemaal
van jou

De gedichten – zo pal naast het autobiografische proza – lijken misschien persoonlijk – in sommige gedichte wordt vriendin Simone bij de naam genoemd bijvoorbeeld. Maar tegelijkertijd kunnen ze juist als minder persoonlijk worden gelezen, minder individueel. Het woord ‘ik’ komt er minder in voor en sommige gedichten zijn in de jij-, men- of wij-vorm geschreven, zoals het eerste gedicht:

Voordat je wegzakt
In de morfinezoete onwerkelijkheid van alledag

(p. 7)

Vooromslag van Lieke Marsman, In mijn mand (2021)


In mijn mand (2021)

Bij haar aantreden als Dichter des Vaderlands in januari 2021 verscheen een nieuwe dichtbundel, In mijn mand, bij uitgeverij Pluim. In een interview door Thomas de Veen zei Marsman: ‘Als je me een paar jaar geleden had gezegd dat de thema’s van mijn derde bundel barmhartigheid, genade en het sublieme zouden zijn, had ik gedacht: hè, wat is er met me aan de hand? Maar ja, ik heb veel nagedacht over de dood, dat lijkt me evident. En dat is ook nog niet klaar.’ (NRC Handelsblad, 22 januari 2021).

Dat nadenken over de dood sinds een operatie aan kraakbeenkanker en verschillende chemotherapieën leidde tot andersoortige gedichten. De bundel, zonder inhoudsopgave, bevat eenentwintig gedichten in drie afdelingen: ‘Dit nieuwe leven’, ‘Lichamen/Kadavers’ en ‘Barmhartig vennetje’.

Het eerste gedicht geeft commentaar op het commentaar dat zij op haar gedichten kreeg. Een regel uit haar debuutbundel werd door een boekbespreker als ‘religieus ontwaken’ geïnterpreteerd:

Terwijl er natuurlijk niets meer gebeurt
dan een jonge vrouw in een vies café
die danst tot het ochtendgloren.

[...]

Een ander schreef
dat ik beter helemaal met dichten kon stoppen
en ik ben ook wel eens pathetisch genoemd
door mannen met verstand van de canon.
Kijk om je heen, door de hele geschiedenis heen
dat verdomde verdoemen en minachten van emoties…
Geen wonder dat we zijn aanbeland
waar we zijn aangestrand.
(p. 7)

Deze gedichten bevatten direct en nuchter commentaar, ook op de eigen gedichten, want als alles in de dichtregels zo gewoon is en niet symbolistisch of religieus – Marsman groeide op in een a-religieus gezin – hoe bereik je dan het sublieme, dat zij het ‘magische mooie’ noemt dat je steeds net ontgaat:

Wat als het ongrijpbaar is omdat het niet bestaat?
Wat als er tussen de regels door
alleen een peilloze leegte ligt, een stilte
waarin ik probeerde een gedachte te formuleren [...]

(p. 6)

Door de kanker is het perspectief veranderd:

Er is geen toekomst, alleen een lang
en stroperig hier en ik zijn. Het enige zwerven
door de tijd dat ik soms doe is terugblikken
op het verleden [...]

(p. 8)

Ze omschrijft zichzelf als iemand die rust vond in de gedachte ‘dat in de toekomst alles beter wordt’, maar nu is elke dag een dag ‘zonder doelen’ en is elk gevoel van zelfverzekerdheid ongefundeerd. Momenten van ‘genade’ kunnen opdoemen, bijvoorbeeld tijdens een wandeling in de natuur en de plotselinge confrontatie met ‘een barmhartig vennetje’.

Hoeveel rampspoed is er nodig
om een gewoontedier te veranderen?
Naar de maan met alle quasifilosofische opinies,
wij hebben geen meningen, enkel gevoel.

(p. 13)

Een nieuw soort gedicht geeft vervolgens twee maal commentaar op het voorafgaande gedicht, onder de titel ‘Bij het vorige gedicht’ (p. 17 en p. 21). Het eerste daarvan gaat in op een citaat over de hel:

stel me de hel heel anders voor.
[...]
zonder zelfverzonnen talismans
ligt je geluk er in andermans handen.

(p. 17)

De behandelingen in het ziekenhuis dringen de gedichten binnen:

tien jaar lang speelde ik voor extravert
toen pinden ze me vast op een ziekenhuisbed
en mijn bloedvaten nietten ze dicht
nu ken ik mijn bloedgroep
en mijn vriendengroep
die met de maand kleiner wordt
en weet ik wat ik al die tijd gemist heb
toen ik bang was iets te missen:
mezelf [...]

(p. 18)

De vrije val van een dodelijke ziekte wordt in het gedicht ‘Koningen, kuikens’ beschreven als ‘dit fladderend vallen’ en het gebeurt tussen dagelijkse dingen door, bijvoorbeeld bij het stapelen van conservenblikken en het versturen van ‘de acceptgiro’. Deze woorden verwijzen niet naar het heden van de ziekte, maar naar jeugdherinneringen en illustreren dat het fladderend vallen niet richting toekomst, maar naar het verleden voert.

Een thema dat al in de eerste bundel voorkomt, de oneindigheid van het heelal, of het tegendeel daarvan, de implosie van het heelal, krijgt in In mijn mand een andere bewerking:

Gelukkig is verdwijnen onmogelijk
zolang het niets geen grenzen kent:
in wat alles omvat geen plek voor residu.

Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu.
Hoe lang de dag ook leek, het was een snipper.
Hoe kort de dag ook lijkt, er is nog tijd.
(p. 23)

De nieuwe toon van de gedichten van Marsman ondersteunt het wijdere perspectief en de actualiteit en politiek krijgen erdoor een vanzelfsprekende plaats. In mei 2020 schreef zij over effecten van corona – arme versus rijke landen, grote bedrijven versus individuen, kunst versus politiek – en komt ze tot de samenvatting:

we dachten
dat liefde
het belangrijkste
in het leven was, blijkt
dat in leven blijven
het belangrijkste
in het leven is

(p. 31)

Een gedicht over homoseksualiteit stelt emancipatie voor als een spel. Ronde na ronde worden vrijheden ingeperkt onder het mom van vrijheid.

Maar nu spelen we het spel opnieuw.
Alleen nu moet je eerst bewijzen dat je homo bent
of homo genoeg
maar je bent altijd te homo
om het spel mee te spelen
en jouw speelsheid is trouwens nichterigheid.

(p. 33)

De essentie van het spel is dat rechten steeds ontzegd worden. De zogenaamde ‘oer-Hollandse waarden’ bestaan ‘nog geen twintig jaar’. Dat geldt bijvoorbeeld voor het homohuwelijk. Discussies daarover vermijden de werkelijke problemen:

zolang ze ons de frontlinie in schuiven
als schild tegen andere minderheden
eindigt het spel steeds weer bij start.

(p. 34)

Het samenleven met haat vriendin wordt aangeduid in het laatste gedicht in de bundel: ‘In mijn mand’. Ze weigert daarin pijn te zien als de belangrijkste ‘kracht’, maar de pijn die ze bij het bukken voelt, die haar gezicht ‘als een harmonica’ ineenduwt is niets vergeleken met het licht:

maar ik kijk op en zie de zon
weerkaatst in de nieuwe koelkast
die van jou en mij samen is,
wat betekent pijn dan nog?

(p. 48)

In dit gedicht wordt de regel ‘Is dit mij sterfdag?’ vier keer gesteld. Haar geliefde zal een nieuwe liefde vinden, schrijft ze:

Maar voor nu ben je boos
dat ik dit opschrijf
Veel te vroeg
zoals ik altijd overal
veel te vroeg voor ben
Maar juist daarom hou ik van je
omdat mij ziekte soms
voor jou een bron van boosheid is.

(p. 50)

Hoeveel emoties in die regels niet worden benoemd, maar wel meespelen, is niet te tellen.