De gedichten van Wouter Godijn, 2010-heden
Wiegeliederen en blaaskikkermuziek (2010)
Vooromslag van Wouter Godijn, Wiegeliederen en blaaskikkermuziek (2010)
In Wiegeliederen en blaaskikkermuziek (2010) is Godijns ziekte niet meer een prominent gegeven. De melancholieke ondertoon is echter niet verdwenen. De bundel opent met de afdeling 'Blaaskikkermuziek'. Het eerste gedicht daaruit heet 'De hemelvaart van de keldermuis'. Er treden verschillende collega-dichters in op, bijvoorbeeld:
Ik kan niet kiezen. Daar is Peter Theunynck.
Broeierig rijmen zijn woorden door de kamer.'Catalogen van het ontschaamde.'
Zal ik hem afzuigen?
Daar is Ilja Leonard Pfeijffer. 'Zing!' roept hij. 'Zing!'
(p. 4)
In het gedicht 'Keldermuziek' is het ook een chaos, als in een droom:
In de kelder van het strijkkwartet: geen snaren.
Alleen een krijsend, brandend kind. Er omheen schemeringmet een paarse baljurk aan – die niets kan doven.
Beethoven graait gekweld in zijn haren: geen muziek
in zijn hoofd. Alleen darmen, darmen, darmen
(p. 7)
'Blaaskikkermuziek' bestaat uit veel van dit soort gedichten. Verrassende beelden worden aan elkaar geregen, de samenhang is daardoor niet meteen duidelijk. De scène intrigeert, maar wat heeft het krijsende kind met Beethoven te maken?
Een ander ongrijpbaar, absurd gedicht is 'Als de boter danst':
Daar rent een hond, de bek vol oma.
Je hoort haar krijsen achter de schrik verbleekte sofa
waarboven hondenstaarten gelukzalig kwispelend verrijzen.
(p. 13)
Dit gedicht zit vol agressie en pijn. Iemand wil de kamer ontvluchten, maar dat kan niet. Hij ziet een strop hangen, maar pleegt uiteindelijk geen zelfmoord:
Hèhè, daar is de strop. Maar ja – precies als je hem ziet
geven je handen op. Je valt
en valt en valt. Je bent er nog.
(p. 13)
Ook in het gedicht 'Berk, vrouw, monster (en terug)' is sprake van agressie en geweld. Een vrouw probeert zichzelf vergeefs te veranderen:
Zij snijdt
haar borsten af Brullend
als een storm vuur een windkind van vlammen snijdt zehaar borsten af. De berk
die verandert in een vrouw die verandert in een monster:Is dit alles? Is alles dit?
(p. 12)
De berk, de vrouw en het monsterachtige komen als motief vaak naar voren in de gedichten van Godijn. Het gaat hier dan ook over de scheppende krachten van de kunstenaar en tegelijkertijd over zijn beperkingen.
In het tweede gedeelte van de bundel 'De torrenhoeder vertelt' zijn de gedichten minder doordrenkt van agressie, maar niet minder absurd. In het gedicht 'Het land van dode dieren' bericht de dichter over zijn merkwaardige excursie naar dit land.
bereikte ik het land van de dode dieren
en zonder te rusten begon ik te troosten
en dat ging - bijvoorbeeld - als volgt:'Ach arm dood paard, worst
in wording met je gebrokendroevige glazen oog slaap nu maar
(p. 17)
Het dode paard wordt 'worst in wording' genoemd, een pijnlijke vergelijking die nog wordt versterkt door de klankovereenkomst. Ook door tegengestelde betekenissen te combineren ontstaan humoristische zinnen:
Kijk daar! Een echte luchtspiegeling!
(p. 19)
In het laatste gedeelte van de bundel, dat 'Wiegeliederen' heet, staan weer melancholische gedichten. Veel van deze gedichten gaan over ziekte en dood:
Eindelijk ging het dan gebeuren:
God keerde terug op aardeen werd opgevreten
door de muggen,
waardoor een enge ziekte
heerszuchtig, als een bloem, in hem openging.
(p. 28)
Hier filosofeert de dichter over de dood van God, maar uiteraard komt ook zijn eigen dood ter sprake. Hij is nu nog Wouter Godijn, maar waarin zal hij na zijn dood veranderen?
Ik zie de doden komen, half dwarrelend, half
vliegend, oplichtend, een zwerm
vuurvliegjes. Wij zijn
de doden. Nee zo moet het niet. Het is misschien wel waar,
maar té – (Te wat? Wat bedoel je nou?) Dat we goddelijk zijn in zo verrehet menselijk is? Hoe het voorbij buitelt en door ons heen
haasje-overt? Vandaag Wouter Godijn en morgen... Ben ik morgenGerbrandy?
(p. 36)
Godijn schrijft in 'Wiegeliederen' ook uitgebreid over het dichten zelf, over het eigen leven dat zijn gedichten gaan leiden of juist niet leiden:
Met een feestelijk loopje keerde hij terug naar de huiskamer.
Het bestond niet meer,
het gedicht,
het was weg,
helemaal weg,
alsof het nooit had bestaan.Er was niets gebeurd.
(p. 30)
De bundel eindigt zo:
Je noemt niks geen naam en eindigt kuis als wit. Als dinges op een s.
Nooit ben je hier geweest. Niemand was hier.
(p. 45)
Ondanks alle inzet blijkt de poëzie aan het einde van de bundel nooit te hebben bestaan. Toch bestaan deze gedichten, ook al ontkennen ze zelf hun bestaan.
Hoe H.H. de wereld redde (2012)
Vooromslag van Wouter Godijn, Hoe H.H. de wereld redde (2012)
De bundel Hoe H.H. de wereld redde uit 2012 is opmerkelijk typografisch vormgegeven. Godijn was altijd al de dichter van de gedachtestreepjes en de cursieve woorden, maar nu komen daar nog een aantal kenmerken bij. Zo gebruikt hij in Hoe H.H. de wereld redde verschillende lettertypes door elkaar. Ook zijn woorden of zelfs hele delen van een gedicht vet gedrukt. De gedichten lijken visueel op een mengeling van proza en poëzie. Soms zijn er tekeningen en pijlen aangebracht tussen de regels. De typografie is van Melle Hammer.
De bundel opent op een ongebruikelijke manier, de lezer wordt direct aangesproken:
Sinds ik ziek ben (zie mijn vorige bundels, koop ze, o, koop ze toch, lezen kan
desnoods achterwege blijven, als u ze maar, o, u zo dankbaar, lebber, lebberleb-
ber -
(p. 9)
De dichter doet hier een oproep om zijn voorgaande bundels te kopen, de dichter en de lezer staan dus direct centraal. Het gedicht heet dan ook 'Een - wat is dit eigenlijk - een soort brief aan de lezer'. Niet alleen staat de relatie tussen dichter en lezer centraal, ook Godijns ziekte neemt een belangrijke plaats in.
Dit gedicht is ook het eerste van de eerste afdeling van de bundel. Die heet 'Een spoor van punaises'. Het openingsgedicht sluit ook af met een tekening van een spoor van punaises. De lezer mag de dichter volgen, maar het wordt hem niet gemakkelijk gemaakt: geen spoor van broodkruimels maar een spoor van venijnige prikkers. De lezer die bereid is Godijn te volgen, zal hoe dan ook gepijnigd en geprikkeld worden. In 'Het gedicht over het vergeten gedicht' schrijft Godijn dan ook:
kuntudaarnazonderpijnwegscheren kan wel zijn
hoor ik u zeggen – met u bedoel ik u, poëzieconsument – hoe een golf van poep
steeds dichterbij komt wat je vergeet een droom een koor – maar de kérn
wat was de kern van dat gedicht?
(p. 27)
Inderdaad, in deze bundel komt er meerdere malen een grote woordenstroom op de lezer af, een overrompelende veelheid aan woorden en beelden.
Bijzonder is het gedicht 'Alles'. De titel staat namelijk niet alleen boven het gedicht, maar ook in een groter lettertype in de rechterbovenhoek van de pagina. Op de volgende bladzijde met het gedicht 'De toekijkende man' is in de linkerbovenhoek 'alles' in spiegelbeeld te lezen. Het in een groot corps gezette titelwoord 'Alles' wekt de indruk zo vet te zijn gedrukt, dat het aan de andere kant zichtbaar is, maar in feite is het aan beide kanten gedrukt (en dus een keer in spiegelbeeld). Zo worden deze twee gedichten met elkaar verbonden:
Perspectief is alles. Zie mij razen
over de stad. Nou ja – noem je dat stad? Dat?
Mijn grijze opgeblazen kop. Ik flikker pannen
de daken af. Lekker, laat het regenen
uit mijn gat. En dan?
(p. 21)
Een fragment uit 'De toekijkende man':
De dood liet de stad vol krekelgeritsel achter.
En achter de stad zag de toekijkende man
vele meters hoge, boterkleurige duinen verschijnen,
die zich overgaven aan een zonnebad.
Hij was blind. Hij had niets gezien.
(p. 22)
Beide gedichten gaan over perspectief. In het eerste gedicht is een ik-figuur aan het woord, de afstandelijke 'toekijkende man' wordt in de tweede persoon beschreven. Beide gedichten lijken commentaar op elkaar te geven.
Godijn spreekt de lezer constant aan, zo ook in het gedicht 'Met een p'.
De poema's los
Waarover eerder meer dan u zou willen als u wist. Terug nu:
verstaat u uils? Zal ik vertalen wat oehoe ohoet?
(p. 38)
Maar daar blijft het niet bij. De poema's blijken te kunnen lezen:
Inmiddels buigen poema's poemasoepel
over een oude, in takkenklauw gevangen krant. Bespreken wat ze lezen
met zéér veel lugubere s-klanken: interesssànt
(p. 38)
De poema's laten de kranten achter en de lezer wordt opnieuw aangesproken. Dit keer mag hij bepalen hoe het verhaal afloopt:
Wat wilt u? Wat verschat u
het diepste genot? Dat u zwaar maakt en nat
en waar als rijp fruit. Weet u zeker
dat uw naam niet, als niemand kijkt, met een P begint?
(p. 38)
De dichter geeft de aangesprokene niet echt de kans, want hij confronteert hem met zijn eigen gedrag. Is hijzelf geen poema?
Ook het titelgedicht verloopt anders dan gedacht. 'Hoe H.H. de wereld redde' duidt op een superheldenverhaal, maar het tegendeel is waar. H.H. blijkt de befaamde jazzmuzikant Herbie Hancock te zijn, maar die blijkt allesbehalve met het redden van de wereld bezig te zijn:
Het was weer eens zover: Herbie Hancock moest de wereld redden.
Maar eerst was het tijd voor zijn ochtendgymnastiek.
Toen hij daarmee klaar was deed hij het
(p. 54)
Wat is 'het'? De wereld redden? De dichter vertelt niet of Herbie de aarde nu gered heeft of niet. De volgende strofe bevestigt ook niets:
en daarna vroeg hij zich af: heb ik nu tien diepe kniebuigingen gemaakt?
(p. 54)
De bundel eindigt met het gedicht 'Afscheid'. Godijn spoorde in het eerste gedicht de lezer nog aan om zijn bundels te kopen, nu neemt hij vriendelijk afscheid, maar niet zonder nog eens extra te benadrukken dat hij altijd zo afscheid neemt:
Hij is af, de bundel Hoe H.H. de wereld redde,
die indruk heb ik tenminste. En wij gaan af-
scheid nemen, lezer. Nou ja,
zo bijzonder is dat eigenlijk niet. Mijn bundels eindigen
allemaal met een, ahem, een soort afscheidsgedicht.
(p. 59)
Maar de punaises zullen blijven, ook als er geen nieuwe bundel meer verschijnt. De dichter sluit af met:
Dag lezer, dààààààg ...!
(p. 59)
De professor en de hyena (2015)
Omslag van De professor en de hyena
De bundel bestaat uit drie afdelingen. De eerste is ‘Hyena’ (vijftien gedichten), de derde ‘De professor’ (achttien gedichten). Hun afdelingstitels zijn bijna net zo afgedrukt als op het omslag, in kapitalen en in de curve van een ovaal. Daartussen is een tweede afdeling ingeklemd, waarvan de titelpagina anders is vormgegeven, in een soort schrijfmachineletter: ‘Dat ik nog steeds niet geloof’ (twaalf gedichten). Al met al vijfenveertig gedichten in een vrije vormgeving.
In het tweede gedicht buitelen de gedachten over elkaar. Het begint al omineus:
Na het optrekken van de rolgordijnen vastgesteld:
huis ’s nachts verplaatst!
naar onder zee, tuin vol haaien.
Toonden die starre, wezenloze grijns – had ik ook zoveel en uitbundig gemoord
zou ik waarschijnlijk ook zo lachen.
(p. 8)
Dan denkt de ik-persoon:
zou het nou niet beter zijn
als er niets bestond, geen heelal, geen parallelle universa – álles
schrappen, achterwege laten.
(p. 8)
Dat vindt hij bij nader inzien ‘sneu’ voor bepaalde dieren en mensen, zoals ‘Hollands next topmodel’, en daarom stemt hij toch maar in met de schepping, op één voorwaarde:
dat ik zelf niet mee hoefde te doen.
(p. 8)
De haaien komen naar binnen, hij vlucht naar het toilet en blijft een gevangene van zijn eigen tegenstrijdigheden. In het ‘vervolg’ van dit gedicht schrijft hij dat het niet door hem geschreven lijkt te zijn, want ‘ik wilde immers leven’, maar, zegt hij, dat hindert niet. Tegen de tijd dat hij boodschappen had gedaan, zou hij wel weer van personage veranderd zijn.
In het gedicht ‘Teddy’ gaat hij (‘man ondergedompeld in een zinvol bestaan’) naar bed, waar hij een hyena aantreft die (naast zijn vrouw kennelijk, maar die wordt pas weer genoemd als hij aan de ontbijttafel plaatsneemt) klaagt dat er nergens anders plek voor hem was. In de nacht vermengen man en hyena zich:
de hyena fröbelde aan gedichten terwijl ik onvermoeibaar rende
over door de zon gegeselde Afrikaanse vlakten
achter allerlei beeldschone, slanke, vredelievende, vegetarische dieren aan
(p. 10)
Die ‘bevallige lijfjes’ rijt hij aan stukken, waardoor hij bij het ontbijt weinig trek heeft en zijn vrouw ‘ons wilde liefdesspel’ nog voelt naschrijnen.
Intussen toont het gedicht vetgedrukte letters met het gegrom en gekef van de hyena. In meer gedichten worden typografische interventies gepleegd. In ‘Verhelderingen’ zijn twee regels als het ware met een pen doorgestreept (p. 13). Er staan in ‘Over kennis en hoeren’ zinnen gereproduceerd naar een handschrift (als graffitti), waarvan een met een tekening van een engel (p. 19-20). In een ander gedicht staat een woord groot en vetgedrukt als ware het een een citaat uit Bezette stad van Paul van Ostaijen: ‘BOEM’ (p. 22). Ook de derde afdeling wordt opgesierd met dit soort afwijkende belettering. Woorden worden vaak aaneengeregen, zoals ‘stamstamstammen’ (p. 21) en ‘kleffekwijlklept’ (p. 53).
In het gedicht ‘Levensvlam’ wordt een visioen gegeven van een telraam dat zo groot is als een flatgebouw ‘behangen met de fine fleur | der Nederlandse poëzie’, dat er ‘uitgelaten’ op ‘schaffert, wijnbergt, bruinjaat’ (p. 17), toespelingen op zijn tijdgenoten en collega’s, de dichters Alfred Schaffer, Nachoem Wijnberg en Tsead Bruinja.
De gedichten zijn steeds voorzien van interventies door andere personages dan de ik-persoon:
Aanwijzing van de regisseur: de volgende regel langzaam, beetje slepend voordragen
(p. 24)
De tweede afdeling gaat over aspecten van de klimaatveranderingen, met opmerkingen – allemaal tussen aanhalingstekens – over tanden en bijen, een ‘lichtgegevende roofvogel’ en hitte op pleinen:
Dan twee mannen die een kleine god hebben gevangen.
Drijven de god voor zich uit, plein over.
Goed is te zien: de angst van de god en hoe
de mannen genieten van het slaan.
(p. 33)
Voordat alles ‘wat niet wilde deelnemen’ aan de in licht badende natuur, ‘werd gesloopt’, zien we het beeld van een geleerde:
‘De in opwarming van de aarde gespecialiseerde professor roerloos voor zijn uitgedoofde beeldscherm,
zijn wijsvinger vastgevroren aan de delete-knop.’
(p. 36)
Die professor – en de eigenaardige woordverbindingen van Godijn – komen terug in de derde afdeling van de bundel:
Hoeihoeifoei is me dat lachen:
bedenkt prof dat hij alleen kan instemmen
met het universum door te denken
dat er elders betere werelden bestaan
[…]
heeft een wereld die niet bestaat nodig
om de wereld die wel bestaat te aanvaarden
(p. 42)
Hier vallen de professor en de dichter, die de schepping eigenlijk niet wilde accepteren, samen. Dit lijkt de kern van de bundel te zijn: de aanwezigheid van de wereld waarin wij leven kan ons niet met het bestaan verzoenen. We leven (soms) liever in een imaginaire wereld.
Van de professor worden allerlei aspecten belicht: zijn openstaande gulp, zijn gedachten over de noodzaak van een utopie, zijn slokdarmkanker en zijn bestaan als ‘hulpvaardige’:
hij leverde een belangrijke bijdrage aan het linkshandig maken
van de maan, auch war er beschäftigt mit der verstuiteballering des autopettes
(p. 50)
De professor, de dichter en de hyena vallen uiteindelijk allemaal samen. Ze denken allemaal dat ze iets anders zijn, een gevaar of een gazelle:
maar dan, nadersluipend,
ziet de professor dat de hyena de gazelle is
dat hij zelf de gazelle is
en de hyena
en de dichter en de lezer, dat zij allen slechts maskers zijn
en dan, vlak voor hij wakker schiet, beseft hij:
de maskers zullen vallen.
(p. 60)
Niets = iets (2018)
Omslag van Niets = iets
Net als in de vorige bundel wordt in Niets = iets de typografie gecombineerd met ‘geschreven’ en ‘getekende’ teksten. In aansluiting op De professor en de hyena bevat deze bundeling ‘enkele nagelaten gedichten van de professor’, met een ‘Voorwoord’, geschreven door Wouter Godijn zelf, die kennelijk vriend van de professor was: ‘Ik ging af en toe bij hem op bezoek, dat is zo.’ De professor werd ziek, er waren zelfverminkingen, hij sprak in tongen, liet zijn broek zakken en kakte het salontafeltje onder en bleef maar gedichten schrijven: ‘Neem ik hem dat nog het meest kwalijk?’ Hij werd opgenomen en is vervolgens ‘verdwenen’. Zeven gedichten volgen – en er zijn er ‘afgrijslijk veel meer’, maar Godijn ‘kan ze niet meer zien’ (p. 37).
Wat volgt is een schijnbare chaos met zinnen als:
ik zag de engel kokhalzen en daarna bloemen braken
(p. 39)
En:
alfa en omega zullen zijn twee kindertjes hand in hand dansend in de plassen
(p. 41)
Naast een soort religieuze extase zijn er ook tranen van geluk op een dag in ‘de halflandelijkheid’:
en voortgaande zegende ik de tor
zegende ik de mier
zegende ik de teek
zegende de korrel
lag in het gras (dat ik zegende)
en huilde van geluk
(p. 42)
Allengs worden de professorale gedichten langer en veranderen ze in profetiën, waarin AllahJahwehBrahma gelijkgesteld wordt aan De Slang, en het doel van de slang is niets minder dan: ‘kaas’ (p. 44).
De eerste en de laatste sectie van de bundel bevatten samen 26 gedichten. Het gedicht ‘Acht achtervolgingen’ lijkt aan te sluiten op de waanzin van de professor, maar het gaat hier om woorden en gedichten:
De gedichten snellen voor me uit;
om ze te vangen ren ik achter ze aan, mijn handen naar ze uitgestrekt.
Natuurlijk tegelijk: de gedichten zitten achter mij aan;
natuurlijk – zes goede vrienden
Die vrienden zijn: een verkeerszuil, een beha, een vogelnestje, een beddenlaken, een maki en de zesde is:
de vederlichte holte waarin een inmiddels vergeten woord
uitgerust ontwaakte.
Ook makkelijk te begrijpen.
(p. 13)
Kunstenaars die slechte mensen zijn, schrijft Godijn, hadden beter geen kunst kunnen maken ‘als ze dan minder slecht waren geweest’. Zelf verlangt hij niet naar hemelse schoonheid:
Ik wil slecht schrijven en onbenullig zijn.
Ik ga naar mijn vrouw en dochter en aai ze over hun hoofd;
ik voel mezelf veranderen in een aardige man.
Het zonlicht aait de slootjes rondom het huis;
overal beginnen kikkers te kwaken.
De enige waardevolle muziek en de enige waardevolle poëzie, besef ik, klinkt zo:
Kwaak-kwaak-kwaak.
Nu is iedereen gelukkig.
(p. 14)
In een lang gedicht ‘Niets is iets’ schrijft de dichter over het aftreden van een minister, een jeugdherinnering, de landing van soldaten op een kust, een foit gemonteerd waterreservoir in de droger (‘mijn grote, grote blunder’) en ‘alle woorden waarvan ik sinds mijn laatste griep niet meer weet wat ze betekenen’, zoals ‘halanisch’ en ‘wisselkind’. Maar kijkend naar een ‘prachtige blauwe lucht’ brengt verandering:
dan gebeurt er
iets
het niets
haalt als het ware even zijn schouders op
en alles ontsnapt
(p. 20)
In ‘Voor Richard Rorty’ speelt de titel ook een rol. Daarin gaat hij aan de haal met het idee van Rorty – de filosoof van het pragmatisme (1931-2007) – dat we de ‘waarheid’ niet kunnen kennen, dat alles relatief is, dat rechtvaardigingen of fundamenten op niets gestoeld zijn.
Je hebt iets over het hoofd gezien. Het is vlakbij, Richard.
Het is wat steeds pijlsnel verdwijnt
als je je hoofd beweegt. Er is één weg, Richard,
één manier om bij de achterkant van het tapijt te komen,
de man in de grot, Richard, kan zich omdraaien
– en dat is de weg van het zwaard. Zoals de dichter schreef:
door mijn ontdekking van het bovennatuurlijke karakter van het kwaad,
ontdekte ik de bovennatuurlijkheid van het goede.
(p. 22)
En om zijn idee kracht bij te zetten, laat hij de dichter aandrang voelen – (deze scène staat tussen haakjes):
Maar ten slotte daalt […]
gewelddadig, de epifanie over je neer, je schijt.
Je schijt, je schijt. Richard Rorty schijt. Bewijs Richarddat het niet zo is. Bewijs
iets is niets.
(p. 23)
In ‘De verdietigste dieren’ gaat het over de zichzelf uitroeiende, alles kapotmakende dier, de mens: ‘Nooit tevreden, altijd meer, anders’ (p. 29). Dat vernietigen wordt visueel uitgegedrukt door steeds regels te schrijven en dan te schrappen, door ze met vette strepen door te halen. Op de dag is de mensheid verdwenen, schrijft Godijn, en kijkt de blauwe lucht glimlachend op de aarde neer.
De laatste afdeling van de bundel heet ‘De bron van de eeuwige jeugd’. Het thema van ‘De verdrietigste dieren’ wordt erin voortgezet als bijvoorbeeld wordt overwogen:
de meneer is een pontificaal, ja zelfs theatraal
op een mislukking uitgedraaide pogingde krokus te overtreffen
Of de meneer echt zoveel langer duurt:
onzeker. Héél onzeker. De krokus
ondergaat zijn ogenschijnlijk kortere levensduur
misschien als net zo lang als een mensenleven.
(De woorden ‘misschien wel als veel langer’
passen niet goed in het gedicht. Alleen door te schrijven dat ze er niet in passen,
passen ze er toch een beetje in.) De meneer is bij lange na nietzo sierlijk. Heeft ook niet zo’n mooie kleur.
(p. 52)
Poging een luchtig gedicht te schrijven (2022)
Omslag van Poging een luchtig gedicht te schrijven
De flaptekst van deze bundel vertelt dat Godijn wil onderzoeken of je in een tijd van ‘klimaatverandering, oorlog en coronapandemie’ nog een ‘luchtig’ gedicht kan schrijven. De gedichten zijn geordend in drie afdelingen: ‘Dagmerries’, ‘Niemand weet’ en ‘Poging een luchtig gedicht te schrijven’.
Het tweede gedicht introduceert elementen van treiterij, naargeestigheid en verval:
Vieze dingen kunnen niet zingen
[…]
en goed onthouden: poëzie is louter drek.
(p. 11)
‘Nocturne’ begint met een opsomming die van onder andere ‘uitpuilende ogen’ en ‘begeerte’, waarna deze strofe volgt:
slijm uitsproeiend: de klunzenaar
half gesmoorde kreten ten gehore brengend
krergens in de krakrakramers van zijn kret
onderbreekt kreze krezigheden (de muizen
verstijven), slaat de zonsondergang
– dwaas violet – hologig gade
(p. 13)
De gedichten nemen in deze bundel allerlei vormen aan, of eigenlijk het tegendeel: ze laten alle vormen achter zich. ‘Liefde’ gaat van dichtregels over in toneelregels en proza. Het gedicht ‘zaagtand’ (p. 17) bestaat uitsluitend uit dat woord, dat klein bovenaan de pagina staat. In ‘Meerkoet’ staat een deel van het gedicht als een lijn onder elkaar, één letter per regel en op een volgende pagina is nog zo’n lijn van letters getrokken, maar hier staan de letters overdwars (p. 42-44). In het titelgedicht zijn de regels golvend gezet, alsof de lezer en de auteur zeeziek zijn (p. 84).
In ‘Een betoetering’ verschijnt een komma aan het begin van een regel (weliswaar staat die gecentreerd op de pagina) en klaagt de dichter: ‘hela, hola, mijn rijm doet het niet meer’ (p. 23). Misschien hindert dat niet, want hij rijmt toch al weinig en in ‘Gekrengkrengel’ constateert hij: ‘Ik dicht al heb ik geen bal te dichten’. De kwestie van het dichterschap komt ook aan de orde in ‘Een kamer verlaten’:
En kamer betreden en ontdekken dat er daarbij iets van je is af gegleden
je dichterschap is niet mee naar binnen gegaan
je bent geen dichter meer
(p. 52)
In een ander gedicht interpelleert hij zichzelf met de vraag: ‘wou jij dit gedicht toch maar zelluf afmaken, slimmerik?’ (p. 26). De vraag komt na een tirade tegen ‘jij achterlakse ouwehoer’:
Ik beloof je krijsende scharen
die van alle kanten – knip-knip – op je af komen.
Haar dat geen haar meer is. Onthaard haar
als het ware. Een doelloos gebaar
van op hol geslagen materie,
een lichaam vol schilfers van top tot teen
rot, klaar voor de sloop, een wond
waar je die het meest vreest, dáár
(p. 26)
Het gedicht ‘Plek’ lijkt te gaan over het opgroeien van zijn dochter, maar dan omgekeerd. Het bestaat uit vier regels, steeds van elkaar gescheiden door een witregel:
dit is de plek waar ze niet meer kon lopen
dit is de plek waar ze niet meer kon kruipen
dit is de plek waar ze niet meer kon ademen
en waar ze nog één keer aan haar moeder dacht
(p. 28)
In ‘Een verhaal voor tijdens het ontwijken’ blijken er twee problemen te zijn: er zijn overal hamerhaaien en ‘de drollen vallen’. Daarvoor gebruikt Godijn alle mogelijke varianten: ‘Schijten’, ‘stront’, ‘uitwerpselen’ (die ‘dromerig over hun stemmig gekleurde regenschermen glijden’), maar dan neemt het verhaal een tweede hilarische wending en gaat het over ‘Jezus en de zeven wolven’, waarvan er één naar Europa ging, maar er niet in slaagde ‘ons allemaal op te eten’. De slotregels zijn:
ja, als je dat allemaal vertelt zal ik vrolijk zijn
en me verheugen in het Wonder van de Schepping
(p. 37)
Het Christelijk geloof wordt ook in ‘De Heiligen’ op de hak genomen. Daarin wordt God beschreven als ‘Meneer de Schepper-Schipperaar, Opperdompteur, Meester der blauwe vinvissen, buidelratten en microben. Alexandre Daddario, Alexander Pechtold en nog héél eel meer’ en deze ‘Hij’ gaat te keer tegen de aanbidding door de heiligen:
Onder het slaken van kreten als ‘opzouten’ en ‘stelletje teringlijers’
veranderde hij één Heilige in een bikinibabe
één in een patatvos
en een derde in iets zo kleins
dat ik niet kon zien wat het was
(p. 69)
In de meeste gedichten tuimelen waarnemingen en onverwachte vergelijkingen over elkaar, zoals in ‘Geluid zonder geluid’, waarin eerst wc-papier ‘gereed voor zijn taak, gretig uitgespreid tussen mijn vingers’ ligt, vervolgens ziet de ik-persoon ‘het door de regen ondergeniesde keukenraam’, waarna hij padden omschrijft als ‘vochtige raadselen van vlees’ en ziet hij ‘hier en daar’ nog een pruilende ‘vereenzaamde schaamlip’ in het ‘struweel’ waarbij zich tussen haakjes afvraagt: ‘waarom lijken schaamlippen toch zo op zéér oude mannengezichten?’ (p. 50). Hij bevindt zich alleen in een huis waar alles aan iets herinnert en hij is alleen want:
de twee vrouwen – dochter – minnares –
zijn van me gescheiden
(p. 51)
Terwijl ‘de plagen nu eenmaal’ toenemen en teken verward worden met axolotls, beseft de dichter dat die maar een ‘vage afschaduwing’ zijn van schoonheid:
Een zeer tijdelijke vrede neemt me in beslag
waardoor ik in staat ben het gedicht liefdevol af te maken door als een moeder met haar hand
over de voorhoofdjes van de woorden te strijken
(p. 54)
Het titelgedicht ‘Poging een luchtig gedicht te schrijven’ is uitgespreid over 25 pagina’s, maar de tekst zou op zeven of acht pagina’s kunnen zijn gedrukt, als er niet zoveel interventies waren ingelast: talloze witregels, soms maar enkele woorden op een pagina en bovendien een geheel zwarte pagina, op een witte stip na.
Het gedicht begint met een pagina waarop eerst wordt overwogen het woord ‘luchtig’ cursief te zetten, maar uiteindelijk is het besluit dat niet te doen. Intussen wordt het woord vergeleken met een wild dier dat opvallend is in het bos en dan opeens verdwenen is en dus niet opgejaagd kan worden. Vandaar de opluchting. De volgende pagina (afgezien van het paginanummer) bevat slechts één regel, sterker één woord:
PAUZE
(p. 72)
De dichter vond het gedicht al te lang worden en wilde pauzeren, hij wilde eerst even ‘tanden poetsen’, ‘flossen’, ‘spoelen’ en allerlei andere hygiënische maatregelen treffen waarbij een inlegkruisje, jodiumzalf en talkpoeder een rol spelen. Dan is het tijd voor de echte pauze en de volgende pagina bevat speels vormgegeven het woord ‘pauzegedichten’.
Het gedicht ‘Flesje’ is het enige pauzegedicht en vertelt over een flesje
waar niets in zit
maar wel iets uitkomter is een gedachte
in mij
(p. 76)
De gedachte is wezenlijk: ‘verzin eens een langdurig wonder’. Er volgt een beeld met thema’s die Godijn vaak gebruikt en die verwijzen naar schoonheid en vrijheid: licht, vogels, dingen die ‘te onbestaanbaar voor woorden’ zijn (p. 77).
Intussen vervolgt hij zijn opsomming van verzorgende rituelen om die te onderbreken met de opmerking dat de lezer daarvan zal walgen, vooral van die ‘o zo lekker vetgemeste lintworm van woorden’ (p. 80) en dat deze ‘Wouter Godijn’ lijkt op ‘een soort landkwal’. De bedoeling was een gedicht te schrijven dat uitzicht gaf op het einde van een donkere tunnel. Dat is verbeeld op de zwarte pagina met de kleine witte stip. Zijn medicijnen geïnhaleerd, struikelt hij de kamer binnen, met deur en al, en roept uit dat hij hier ‘weg’ wil.
zo zou de mogelijkheid van het luchtige gedicht zich aandienen
als dat lichtje in die zee van duisternis
omdat ik me nauwelijks zou kunnen voorstellen
hoe een dergelijk gedicht mogelijk washoe iemand – ik??? – er ooit toe zou kunnen komen
een luchtig gedicht te schrijven
(p. 92)
Terug in de badkamer ervaart hij het veranderde licht en begrijpt hij dat het voor hem onmogelijk zou worden om
gedichten te schrijven die niét luchtig waren.
(p. 95)