De gedichten van Pieter Boskma, 2010-heden
Doodsbloei (2010)
Vooromslag van Pieter Boskma, Doodsbloei (2010)
In 2008 overleed Pieter Boskma's vrouw, Monique Orth, aan borstkanker. Over het rouwproces schreef Boskma een groot aantal gedichten. Ze werden samengebracht in de omvangrijke bundel Doodsbloei uit 2010.
De bundel bevat 252 gedichten. Het zijn sonnetten, maar ze wijken vaak enigszins van de vorm af, bijvoorbeeld door een extra versregel of het ontbreken van rijm. De bundel bestaat uit drie delen. Het eerste deel heeft de titel: 'Einde'.
'...dat er geen einde aan de liefde komt
omdat de dood alleen daarbuiten leeft
en daarom elke grote bek verstomt
en de bescheidene hier voorrang heeft
(p. 34)
Deze bundel gaat niet alleen een over rouwverwerking, maar heeft ook en vooral de liefde als onderwerp. Liefde wordt beschouwd als onoverwinnelijk en als onaangeroerd door de dood.
Het eerste deel van Doodsbloei toont hoe de dichter zijn geliefde mist. Het eerste gedicht begint met een aantal vragen:
Ben jij het, liefste, ben je alles nu?
Stem die de diepste tonen zingen kan?
Gras dat koorddanst op een duinrug,
zon die opvlamt uit een vennetje?
Abrupt stoppen de vragen, de dichter beseft:
Geen enkel antwoord was bevredigend,
het leidde slechts tot feller onbehagen.
(p. 9)
Het gemis van zijn geliefde probeert hij in eerste instantie weg te drinken:
Vanavond flink gedronken en gerookt,
je zult het wel afkeurend aanzien.
Ik was bij de buren, sprak er van je dood
en hoe het verder moet, of niet misschien.
(p. 10)
En:
Het wordt maar niet licht vandaag.
De vaalbruine duinen bukken
onder lage grijze lucht en
er klinkt niets dan vaagde zee. Ik heb een kater
en weet hoe jij dat haatte.
Ben je er daarom niet?
Of hou je het voor gezien
(p. 87)
Hier bevindt de dichter zich in het duingebied. Bruine duinen, lage lucht en het geluid van de zee versterken het gevoel van eenzaamheid. Hij heeft echter al snel de poëzie terug gevonden, maar hij is er niet zeker van of die wel een oplossing biedt:
Ik vreesde dat het schraal geluk dat ons nog restte
- om even bij elkaar te kunnen zijn in een gedicht -,
nu ook ten einde liep, net als de laatste strepen licht
die donkerrood en vuilgeel doofden in het westen.Of onderschatte ik nog steeds de almacht van de taal?
(p. 77)
Het geluk wordt hier vergeleken met de zon. Misschien kan het gedicht, net als de zon, later weer opnieuw opkomen.
Naast beschrijvingen van verlies bevat de bundel ook veel herinneringen aan Moniques ziekteproces:
Ik mis je feller met de dag
en weet steeds minder goed
wat ik met mijn tijd aan moet.
Ik wou dat ik het nooit meer zag:de bloeduitstortingen van die verdomde
infusen op je gelig bleke armen,
je uitgevallen haren, de verlamming
van je benen, de gehate voedingssonde,
(p. 26)
Maar er zijn ook herinneringen aan de mooie tijd die ze beleefden:
van horizon tot horizon trok een stoet herinneringen
aan wat we hadden meegemaakt, van kleine dingen
als een wandeling rond het bevroren Tennomeer,
(p. 84)
Boskma vergelijkt de relatie met grootse romantische drama's:
Ik dacht aan Laura en Petrarca,
Romeo en Julia, Beatrice en Dante,en wist dat ik niet rusten zou, totdat
ook wij in dat gezelschap waren
opgenomen
(p. 73)
Hij romantiseert ook nog op een andere manier:
kwam door een duinvallei,
als witte schimmen in een winterbui,
nog altijd hand in hand en smoorverliefd,een stokoud echtpaar onze richting uit.
(p. 40)
Boskma ziet hier zichzelf samen met Monique als bejaard echtpaar, maar zijn tijdelijk geluk slaat snel om als de waarheid zich weer opdringt.
Wij keken in de spiegel van de tijd
(p. 41)
Totdat de spiegel het begeeft:
Wij staken alle vier de handen uit
en barsten schoten in de spiegelruit
tot hij versplinterde en wij ons sneden.
(p. 41)
In het tweede deel van de bundel, dat 'Terug' getiteld is, staan heel andere sonnetten. De gedichten in dit deel zijn geïnspireerd door het verhaal van Orpheus en Eurydice en op Dantes De goddelijke komedie. In beide verhalen wordt een tocht in het hiernamaals ondernomen. In Doodsbloei is Boskma's vrouw de gids bij deze tocht.
Aan de voet van het duin waarop ik stond,
lag een stad met een brede rivier erdoorheen
en tientallen torens van hagelwit baksteen.
(p. 119)
De dichter komt zijn vrouw tegen, ze zegt:
we gaan naar binnen, ik moet iets kwijt
wat ik er destijds maar niet bij heb gezegd:
wanneer je me vindt, kom je moeilijk weer weg –dan is voor jou bij leven al de cirkel rond.
(p. 123)
De dichter komt in de Hal van de Tranen terecht en herbeleeft de periode waarin Monique ziek was.De hal deed zijn naam werkelijk eer aan:
de tranen vloeiden zo rijk uit mijn ogen
nu ik mij aan je ziekbed had zien staan,
ik was het liefst weer naar buiten gevlogen.
(p. 135)
Vervolgens wordt hij geconfronteerd met zijn geweten in de Hal van alle Daden. Na dit ook doorstaan te hebben, zegt hij:
het was zo aangrijpend en ik werd bang
dat na Hard Geweten en Diep Verdriet,nog zo veel confrontaties volgden
dat het mij teveel zou worden.
(p. 139)
De dichter heeft nog maar twee vertrekken gezien, maar de moed zakt hem nu al bijna in de schoenen. De weg vervolgt door de Koepel van Angst voor de Angst naar de Suite der Liefde:
Ook zag ik hen wier naam mij ontschoot
of die er inmiddels minder toe deden.
sommigen had ik gekust en bezeten,
anderen slechts uit de verte verafgood.Maar waar was jij, die met kop en schouders
boven die verliefdheden had uitgestoken?
(p. 147)
In deze kamer ziet hij zijn toekomstige geliefden, maar mist zijn overleden vrouw. Hij heeft het zwaar, maar hij moet ook de Salon van Tijd, de Grot van God en ten slotte de Dakloze Kamer door. In de Grot van God vraagt hij:
Ik zocht mijn liefste en, dank U!, ik vond haar.
Mag zij mee terug? Ben ik eindelijk klaar?
(p. 156)
De dichter zou, net als Orpheus, zijn geliefde mee terug willen nemen naar het leven, maar het kan niet: hij verlaat het hiernamaals zonder haar. Na terugkeer overdenkt hij zijn avontuur:
Wat overstijgt het gedroomde gedicht?
Zingt dat niet de diepste van alle tonen,
dwaalt dat niet het verst in ieder rijk,
bevat dat niet alles wat was, is en zalen wat mogelijk is, en onmogelijk?
(p. 172)
Maar zijn vrouw komt terug in zijn slaap en zegt:
Wordt het onderhand geen tijd
dat jij je aan iets anders wijdt?
(p. 174)
Ze wil dat de dichter het gedroomde loslaat en weer gaat leven. Hij doet een poging in het volgende gedeelte van de bundel. Deel drie begint weer met gedichten van rouw:
Soms komt een vuig venijn in mij
en krijg ik zin in ruzie en geweld:
de rouwtijd is nog niet voorbij,
al ben ik opgebrand en uitgeteld,en plaatst mij na wat dagen euforie,
ook dat is van verdriet een onderdeel,
weer vele plaatsen terug in het herstel
van jouw verlies.
(p. 206)
Vervolgens wordt de 'ik' door de dood verleid om voor de tweede keer het hiernamaals in te gaan en zijn vrouw terug te halen.
Monique... Meisje... Mootje...
Ik had je namen nog niet uitgesproken
of achter in de grot ging een deur open
en van schrik kreeg ik een flauwte.Toen ik weer bijkwam, zag ik je
(p. 259)
De 'ik' blijkt misleid te zijn: Monique moet in het hiernamaals blijven. De dichter moet alsnog alleen verder. Maar hij is toch in staat om al snel zijn rouwkleed af te gooien:
Het was genoeg geweest, je had gelijk, en het was goed.
Zoals je je had laten zien, wat je daarmee wakker riep,
stelde me gerust: het werk was klaar, het boek kon dicht.
(p. 262)
De bundel sluit af met een aantal epilogen. In een daarvan blikt Boskma nog terug op de tijd met Monique:
Ik denk de woorden en ik proef je,
laat ze weerklinken en je roept me,
ik houd ze binnen en jij denkt ze
om ze gul aan mij te schenken.Ik schrijf het op dat wij versmelten
en onze heupen heupen deinen al,
niet ongeremd en met trompetgeschal
maar even geil als waardig, wild als kalm.
(p. 266)
Mensenhand (2012)
Vooromslag van Pieter Boskma, Mensenhand (2012)
De bundel Mensenhand opent met een citaat uit Openbaringen. 'Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen'. Boskma heeft na Mensenhand zichzelf weer moeten uitvinden.
Mensenhand opent met het lange epische gedicht 'Godesban' waarin de aarde vergaat:
Vis en vogel, mier en mens
braken op tot losse genen
en het oudste bos versmolt
met mos tot niets dan stenen.
(p. 10)
Alliteraties en assonanties tuimelen over elkaar heen: vis en vogel, mier en mens en losse, bos, versmolt, mos. De aarde blijft niet lang stil, al snel ontwaakt er iets, een nieuwe schepper.
En het woord was niet van God,
niet bij God, noch was het God,
het ontwaakte uit zijn sluimer
in de nieuwe stem die het zich gaf:
(p. 10)
Die stem komt van Hera, de enige mens die God weer op de aarde zet. Alles wat ze bedenkt ziet ze voor zich en wordt geschapen:
Volledig was de wereld
die uit Hera ontwaakte
en voor haar alleen:
zij had blijkbaar weet van alles
en alles ontstond wat zij dacht.
(p. 15)
Al snel komt het besef dat ze alleen is. Met wie kan ze dit moois allemaal delen?
Er moest leven zijn, liefde zijn,
er moest zijn! Wie trok het
alleen in een leeg paradijs?
Wat was alles waard
als je het niet in liefde deelde?
(p. 38)
Op een terras komt ze in contact met een ober:
Zo keer Hera haar ober in de ogen
en ze wist natuurlijk best wie hij was,
wat had ze vaak aan hem gedacht,
haar hele, lange, vorige
aardse komedie lang,
en ook in dit nieuw paradijsje
rijst hij als eerste voor haar op
(p. 42)
Deze Hera is dus dezelfde als de Hera uit De aardse komedie. In deze bundel uit 2002 van Boskma speelt Hera een bijrol. Hera wordt gered uit een vliegtuig door de hand van god. In Mensenhand heeft ze haar liefde gevonden en noemt hem Boske. Hera introduceert poëzie en dichter in haar wereld door de titel van een bundel te noemen en de ober te vernoemen naar de dichter. Het eerste gedeelte van de bundel sluit dan ook af met:
zij zag de werking van
het woord, het eeuwige
woord van de dichter,
en zij zag dat het goed was.
(p. 62)
Het tweede gedeelte van Mensenhand is een pleidooi voor het woord van de dichter als scheppende kracht:
Zo klinkt begin van aanvang,
zo vaart het laatste moederschip.
Ahoy, verloren klaagzang,
ahoy, mijn lentelied.
(p. 65)
Zo begint mijn tweede tijd en bloedt
het lichaam zelfverzekerd open
dat zich pas nog vastbesloten
terugtrok zonder hoop en moed.
(p. 66)
De dichter transformeert hier van klager naar bezinger. Verderop voegt hij nog iets toe:
Dus ook ik zal voor mijn god van liefde zijn,
al was het alleen maar vanwege het refrein
dat alle dingen willen, elke solo, zelfs dit lied:
De lente en de liefde, die alleen en anders niet,de lente en de liefde, jij en ik, en verder niets.
(p. 67)
De lente en de liefde moeten bezongen worden door de dichter. Boskma put veel inspiratie uit het werk van Herman Gorter. Ook Gorter bezong de lente in het gedicht 'Mei'. Bovendien is poëzie aan de lente en de liefde verwant: met poëzie komen dingen tot leven.
In het tweede deel van deze cyclus, in het gedicht 'Lentelied', brengt de dichter dan ook een ode. Boskma noemt dit deel een lied, maar eigenlijk is het gedicht ook tamelijk prozaïsch:
Ik zag al sneeuwklokjes en een vroege,
voorzichtige krokus, het nevelzachte
strijklicht op de zaadvragende akkers,
een meisje dat haar blote, nog bleke
maar glad geschoren benen toonde.
Ah, bloemenlicht en meisjesbeest!
(p. 87)
Uitbundig viert de dichter het leven. Maar de lente heeft ook een andere kant:
en dat
die lente een soort omgekeerde droefheid bezat
viel ook niet te ontkennen, zo'n natte sneeuwbui
in april, dat was best wel depri. Ja, bij nadere
beschouwing viel er op dat lentejuichen
wel wat af te dingen. Zo'n kloterige herfst,
daarvan wist je wat je eraan had
(p. 91-92)
Uiteindelijk besluit hij zijn loflied met:
Toen, zoals geschreven staat, zag ik
een nieuwe hemel en een nieuwe aarde,
de oude hemel en de oude aarde
waren verdwenen. Maar ik had mijn lied,
mijn liefdelevenslustig lentelied,
en ik hoorde dat het goed was,
ook na de wereldwisseling
(p. 102)
En later laat hij dit nog een keer terugkomen in andere woorden:
Er was alleen het eeuwige woord van de dichter.
(p. 109)
De bundel Mensenhand sluit af met 'De grote verzoening', een elf pagina's tellend gedicht waarin de dichter zich met alles en iedereen verzoent:
Ik verzoen mij met het leven,
met mijn lot als dichter – het succes,
de roem en royale rijkdom ervan –,
met het ouder worden en met mijn critici.
Ik verzoen mijn gedichten met elkaar
(p. 119)
En:
Ik verzoen mij met mijn dwaling
die ook hier weer plaatsvindt,
met de gedachte aan het andere
voordat het ene volledig is doordacht
(p. 121)
Uiteindelijk komt er een mier aan het woord:
Met zoiets groots ik verzoen mij,
en met de mier die aan de rand
van de gedachten deze regel
binnenstapt om mee te delen:
heden heeft de dichter Pieter Boskma
zich verzoend met alle levende
en ook alle dode dingen
(p. 129)
Zelf (2014)
Omslag van Pieter Boskma, Zelf.
De bundel Zelf bevat zowel voor- als achterop een foto van de dichter: zijn gezicht in close-up op het vooromslag, waarop hij schuin naar boven kijkt; op de achterzijde een portret ten voeten uit, bijna dan, tot de knie ongeveer: hier is hij gekleed in een lange jas en kijkt hij de lezer aan. De foto’s zijn gemaakt door Koos Breukel. Ze sluiten thematisch aan bij de inhoud, want alle titels in de inhoudsopgave bevatten het woord ‘Zelfportret’. Op één na: het laatste gedicht heet ‘Het verbeelde zelf’ (een bijna 40 pagina’s tellend gedicht in elf delen). Met al die zelfportretten doet de bundel in zekere zin denken aan het werk van de schilder Philip Akkerman die uitsluitend zichzelf portretteert in steeds wisselende stijlen en technieken. Maar deze bundel staat op zichzelf en vormt tevens het slotstuk van een trilogie naar aanleiding van de dood van Boskma’s (eerste) vrouw. In deze bundel onderzoekt hij de zoektocht uit de rouw.
Het eerste gedicht is opgedragen aan Remco Campert en beschrijft een tramreisje in Amsterdam naar ‘mijn nieuwe uitgeefhuis’ bij het Amerikaanse consulaat. Het pand van de uitgever, De Bezige Bij, staat in de Van Miereveltstraat. Met deze budnel stapte Boskma over van uitgeverij Prometheus naar De Bezige Bij (in 2025 zou hij de overstap de andere kant op maken). Onderweg daarnaartoe, ter hoogte van de Herengracht, beschrijft hij zijn toestand:
Ik spoorde rustig voort, ik leefde op omdat ik dacht
dat ik het verplicht was aan mijn omgekomen liefde.
Men zit vast aan iets waarin men ging geloven
al betwijfelt men dat minstens even sterk.
(p. 9)
En aan het einde van het gedicht staat:
Dit was de dag, ik keek omhoog, ja, dit was de dag.
(p. 9)
Zijn toestand was er een van verwarring, schrijft Boskma, die van allerlei door elkaar haalt:
wat waar is en wat niet,
wat niet is en wat niet-niet, en voor hij kopje onder gaat
in rijk, want even zinvol als vruchteloos bespiegelen,
opspringt […]
(p. 13)
In het gedicht ‘Immanent zelfportret’ wordt de situatie zonder omhaal beschreven:
Het blijft raar om ’s ochtends zonder liefde op te staan,
je met lichte huiver door de liefdeloze dag te slaan
en ’s avonds al niet anders weer naar bed te gaan.
[…]
En het blijft raar dat desondanks de verzen blijven komen,
het is hen blijkbaar om het even hoe het mij vergaat.
(p. 15)
Die rouw wordt in afdelingen erna langzaam anders:
Wie de rouw verslaat
verslaat zijn eigen dood,
in beide betekenissen
van het woord ‘verslaan’.
(p. 19)
Er volgen dagen dat hij zich dromen herinnert waarin zijn gestorven liefde aankondigt het klooster in te gaan, dagen dat hij jonge vrouwen in de winkel of op straat bewondert, gevolgd door een nacht waarin hij ‘voor het laatst gesnikt’ heeft (p. 23). In de derde afdeling bestudeert Boskma het ‘zelf’: ‘Wat is de aard van het zelf?’. Moet het zelf de zintuiglijke waarnemingen in taal laten veranderen of ze buitensluiten? Is wie niets waarneemt het meest zichzelf?
Openbaart zich onze ware aard
dan pas in een hoopje as waarnaar geen mens meer omkijkt?
(p. 29)
Zijn zelf, is de conclusie, is het gedicht: ‘ik moet het doen met het gedicht’ (p. 32) en: ‘ik maak het niet, maar ben het woord’ (p. 36). Hij portrettert zichzelf dan ook als Slauerhoff, Lorca, Lucebert en Gorter, waarbij hij hun taalgebruik incorporeert (p. 44-47).
Bos- en duinwandelingen bij Bergen vormen vaak de enige handeling in de gedichten voor de dichter die doorleeft in ‘mijn extra tijd’ (p. 42), een periode ‘tussen veldslag en vrede in’ (p. 51). Intussen begint de wil om te veranderen te leven:
Ik smeekte om een teken, van de hemel, van de doden,
van wie zich vrienden noemden, zelfs van mijn vijanden.
Maar niets of niemand kon mij zeggen hoe het verder moest.
[…]
In de egaal witgrijze lucht, die iets zeer rustgevends had,
weerklonk een havikskreet, zonder duidelijke boodschap,
wellicht om te beklemtonen hoe stil het was vandaag,maar verder had hij niks te melden, net als de meeste mensen
die ook weinig hebben aan hun stem. Men staat er alleen voor,
dacht ik tot mijn bevreemding opgewekt, en elk advies van anderen
verzwakt de overtuigingskracht waarmee je een beslissing neemt.
Dus vroeg ik aan mezelf: hoe nu verder jongen?
en zag meteen de weg.
(p. 66)
In het gedicht ‘Zelfportret als weduwnaar’ kondigt hij het einde van de impasse aan:
Niets hoeft er meer, alles lijkt wel geklaard…
Is het juist daarom dat ik mij steeds opricht
en weer de lust voel die mij leek vergaan?
(p. 69)
In het lange laatste gedicht ‘Het verbeelde zelf’ zijn de regels aanvankelijk korter en lyrischer:
Kijk: het vers rept van gedachten
en is plotseling bij machte
jou te wekken uit zijn klank.
Je huid van wordend licht
dat alle oude barsten dicht,
zelfs die in je blik.
(p. 74)
De verbeelding schept een nieuw leven, constateert de dichter:
Is men het zelf die liefheeft?
Is men het zelf die sterft?
[...]
Zo ontstijgt men zelfs de rouw:
men houwt zelf de treden
van de lichttrap naar het heden.
(p. 78-79)
Hij ontmoet bij de Voert (Bergen) een vrouw die alles van hem schijnt te weten; een vrouw die hij uiteindelijk zelf blijkt te zijn. Hij geneest zich van de rouw:
Wat valt er in een liefdesgraf te zien?
Niets dan stilstand in herinnering.
Welke dode wenst dat zijn geliefde?
(p. 92)
Nadenkend over zijn rouw komt hij tot dit inzicht:
Je wordt niet voorbereid op het harde feit
dat de rouw immens veel kanten kent
en al die kanten tegelijk.
Wie verwacht nu dat de grootste pijn
in je allerheerlijkste herinneringen schuilt?
Dat je om het mooiste dan het meeste huilt?
(p. 96)
Tsunami in de Amstel (2016)
Omslag van Pieter Boskma, Tsunami in de Amstel
De dichtbundel Tsunami in de Amstel gaat niet meer over rouw. De tweede afdeling (niet de gehele bundel) is opgedragen aan zijn nieuwe liefde: ‘voor Anne’. De gedichten in deze nieuwe reeks gedichten gaan over de maatschappij en de plaats van de poëzie daarin.
Het waren de dagen dat de poëzie zich schuilhield.
Voor het staaroo van de grijsaard als een eindeloze dageraad.
Voor het kinderbrein als een voorgoed geschrapt verouderen.
Voor het zwarte als een piroutte van primaire kleuren.
De wegstervende echo van het geïnspireerde woord
Werd nog af en toe gehoord door wie de stekkers
uit elk toestel trok, maar de online geblevenen
viel het niet eens op dat ze nooit meer neurieden.
(p. 9)
De dichters moeten ook plaatsmaken voor nieuwe generaties, zegt Boskma, anders zou ‘geen generatie ruimte’ hebben ‘voor een eigen grootsheid’.
Veel van mijn collega’s zijn gek, ziek of stervende,
de treurige tol van het ouder worden. Wanneer je
naar de zestig trekt – mijn hemel de zestig –
moet je sterk in je schoenen staan om dit gekrabbel
– want ik schrijf weer gewoon met potlood op papier –
vol te blijven houden en niet gek of ziek te worden.
(p. 12)
Het beste is stil en traag te leven, lijkt hij te willen zeggen:
Wij moeten maar dankbaar zijn dat alles te gronde gaat, maar net
voor het verdwenen is wordt getroost door wat nog komt.
(p. 12)
Nu een nieuwe liefde zich heeft aangediend, is de omgeving veranderd en vonken ‘schaduwkatten’ met ‘hun jade-ogen’ en pronken ‘gebronsde eksters met hun sportschoolveren’ (p. 15). Als hij haar wil beschrijven komt het ene na het andere woord in hem op: ‘geen nam genoegen | met het ongeschreven zijn’ (p. 16). Er is een wereld van geluk opengegaan in een stad van lawaai en haast en steeds mer denkt hij aan kunst die ver van het dagelijkse rumoer gemaakt wordt (de tuin van Monet, het duinhuis van Gorter, het landgoed van Tolstoj, p. 39).
Alleen het keer op keer herhalen van de enige betekenis:
ik ben, en jij, mijn liefste, jij bent ook, al stormt rond ons
het stof van de ineenstortende stad, en al het bestaande
zal het beamen, al wordt het gemarteld door de haastigen.
(p. 24)
In een van de gedichten bestrijdt Boskma het idee dat dichters ‘de waarheid liegen’. Integendeel, het gaat om ‘helder dronken dromen’ om een ‘slingergang’ te geven aan ‘wat bestaat en terdege waargenomen wordt’ en wat daar met wat fantasie van gemaakt kan worden:
de waarheid, de verbijsterende, die van het gedicht.
(p. 36)
Het gedicht – ‘slow poetry’ – moet in zijn visie kalm beginnen ‘in verhalende, gewone taal’ en dan allengs gelaagd, onstuimig en lyrisch worden, zodat het ‘loskomt van de bladzij’ en dieper in het raadselachtige dringt (p. 37). Het stadium van inspiratie is niet eenvoudig te bereiken ervaart de dichter, die zich instelt op een ‘stadslied’ (hij heeft speciaal zijn tuin geasfalteerd om er zijn schrijfbureau op te zetten) en dan alleen ‘een pastorale flierefluiter in het riet’ kan horen (p. 48). In het gedicht ‘Revolutie’ daarentegen zegt hij dat hij graag zou schrijven over een vinkje of een populier, maar dat zorgen of ergernissen steeds de overhand krijgen: volgen veertien regels met zulke ergernissen en zorgen van klimaatcrisis tot schrijvende BN-ers. De ‘Partizanen van de Poëzie’ zullen – zo denkt hij – Boskma tot dichtervorst benoemen en hij zal alles wat ergert afschaffen
zonder angst voor ondergang en lawaaiige kwaadwillenden
die achter de tralies zuchten omder wat ooit was
en met tranen in de ogen hun gedachten tellen
en in nog meer tranen merken dat het slechts getallen zijn.
(p. 53-54)
Zoals bij een foetus de zintuigen aanvankelijk niet gescheiden zijn, zo is dat bij de dichter, zegt Boskma:
Ik begreep ineens waar mijn dichterschap
vandaan kwam: de diepere, ongeboren staat
van het bewustzijn, want ook ik hoorde in woorden
wat ik voor mij zag, zag in woorden wat ik hoorde,
om van de effecten van het voelend ruiken
maar te zwijgen. Een dichter blijft in wezen
dus een ongeborene
(p. 61)
In de laatste reeks gedichten ‘Tsunami in de Amstel’ breekt de Apocalyps uit, niet met vuur en rook, maar met woedend water dat de grachtenpanden verzwelgt. Een woonark vliegt de gevel van de Stopera binnen. Een jonge vrouw kijkt er vanuit een zolderraam kalm naar. Onder die watervloed, als in een aquarium, gaat het dagelijkse verkeer gewoon door. In een sloep vaart zij naar de top van de Westertoren. Vanuit de hoogte bekijkt ze het stadsleven onder water:
de jakkerende fietsers, standaard een vinger opgestoken,
en de taxi’s gleden aan uit de rijke wijken,
op weg naar het Concertgebouw met galajurk
en smoking voor een symfonie van Mahler,
en op het Leidseplein de groepjes jonge Italianen,
bleekjes en met rode ogen van de veel te sterke wiet
(p. 78)
De vrouw, in een roes van middelen, weet dat zij het zal overleven. Aan het slot van het gedicht herinnert ze zich nog wat regels van dichters en schrijvers die ‘behoorden tot de sublieme zangers’: Pieter Boskma zelf, Remco Campert, Hafid Bouazza en P.F. Thomése.
Van de zoon en de zee (2019)
Omslag van Van de zoon en de zee
De bundel is opgedragen aan zijn in 2026 geboren zoon Hendrik en bevat vier maal een ‘vaderlijk intermezzo’, alsook een ‘vaderlijk slotwoord’. De andere twee sprekers zijn de zoon zelf en de zee, maar de stem van het kind is ook die van de vader en de stem van de zee is ook die van het kind. De zoon verklaart hoe het kan dat hij, zelfs ongeboren, al in volzinnen spreekt, of in elk geval denkt;
Wreed is ons lot. Wanneer wij nog gespeend zijn
van de gave van de spraak, weten wij alles. Zodra
wij kunnen praten kwekken de meesten over niets,
vaak hun hele leven, zonder pauze of reflectie –
het blaffen van een hondenkop is doorgaans ons deel.
(p. 16)
De vader zegt dat hij zichzelf veel zal ontzeggen om hem de gelegenheid te bieden zijn vleugels uit te slaan:
Wanneer jij straks kunt praten moet ik langzaam vaker zwijgen.
Een mens heeft ruimte nodig voor het aangorden van vleugels.
[…]
Maar omzien is onzinnig nu ik door jouw
ogen in de toekomst kijken kan.
(p. 18)
De onontwarbaarheid van zintuiglijke ervaringen van een ongeboren kind (in de vorige bundel vergeleken met het dichterschap) neemt hier bijna mythische proporties aan:
Maar nu ik nog
niet praten kan merk ik hoezeer ik terugverlang
naar mijn ongeboren vlucht in zintuigenversmelting.
Hoe mis ik het donkerbronzen gloeien van zijn stem,
het zeegezucht als hij zijn handen vouwde om haar buik,
de smaak van wilde bloemen als haar lach mij deinen deed.
(p. 21)
Aan zee ervaren kind en vader hetzelfde; het kind zegt:
het schone en het ware worden alleen ervaren
door wie de naakte dingen aan te kleden weet
(p. 22)
De vader, in zijn derde intermezzo zegt:
Toen zag ik dat hij zag en wist wat hij moest weten:
zelf zeggen hoe je wilt dat een ding zich aan je toont
en dat alleen die dingen door betekenis worden bewoond.
(p. 24)
De zee spreekt in de pluralis majestatis over zijn gedrag aan de kust, rolbollend, zwellend en anderszins:
En soms schuimbekken wij van de kwaadwind,
geen zonspat ons kietelt of lichtstreelt, geen
laaggrauw bedrukt ons, wij tranen wat af want
de stem van de zee is de stem van het kind.
(p. 29)
De in elkaar overlopende stemmen van zee en kind hebben dit gemeenschappelijk:
Wij zijn de ander, de nieuwe, het vreemde,
het niet goed te peilen, het welkom, het einde.
(p. 31)
De zee kalmeert alleen als het kind in het water speelt. De regels krijgen hier een religieuze component:
Maar ach die bolblote lijfjes zo rein en onschuldig
als Hij het bedoelde – want zien wij de kinderen
spelen en woelen hun voetjes zo zacht in ons om
dan weten wij Hem en ontvalt ons de heerszucht.
(p. 38)
De zee beweert te ‘gaan slapen en dat gaan dromen’, zonder in wraakzuchtig stormen uit te barsten,
zolang één van hen een lied over ons maakt,
en ons een stem geeft die wordt verstaan.
(p. 47)
Intussen gaat het ook om het geluk van de dichter zelf:
Maar voor nu was ik gelukkig, de herfst
die allen vrezen zou lenteachtig bruisen,
mijn sensuele bruid zou zich veelvuldig
en met gretigheid ontbloten en mij geven
waar geen herfstman zonder kan –
en dan het kalme slapen
(p. 56)
Het krijgen van een zoon maakt hem tot een acute waarnemer van zijn eigen leven:
Een man die een zoon krijgt, wordt ook vader
van zijn eigen kindertijd.
(p. 78)
Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen (2022)
Omslag van Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen
Het merendeel van de gedichten in Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen uit 2022 is geschreven in strofen van vier regels, maar niet alle, en zijn meerdere pagina’s lang. De bundel is verdeeld in twee elkaar afwisselende secties met de namen ‘Oaseberichten’ en ‘Intermezzo van de dood’ (genummerd van I tot V), waarna een ‘Toegift’ volgt van vier gedichten en een ‘Epiloog van de dood’. Die laatste bevat net als de intermezzi een in memoriam. De zes dodengedichten gaan over collega’s: Rogi Wieg, Joost Zwagerman, Theun de Vries, Gerrit Komrij en Menno Wigman (samen één gedicht), Hafid Bouazza en Remco Campert. Het zijn persoonlijke gedichten. In het gedicht over Rogi Wieg herinnert hij zich dat zij samen (‘ieder zo gek als een cent’) aan de rand van de zee in Bergen stonden toen ‘een gouden sluimering’ op de duinen landde:
dat wij in gouden mantels
wij de zee het licht het duin
en overal de poëzie dat wij
in licht en poëzie
maar dat er niks te eten was
(p. 29)
In ‘Awaters geboorte’ vertelt hij over een ‘vergadering’ over de naam van het poëzietijdschrift Awater. De dichters Gerrit Komrij, Ilja Leonard Pfeijffer, Menno Wigman en Pieter Boskma dachten daarover na in café De Kroon in Amsterdam. Boskma’s suggestie ‘De Burger’ wordt door Komrij afgewezen vanwege de associatie met Big Macs. Daarna volgden andere suggesties totdat alle aanwezigen hard uitriepen: ‘Awater’.
Het café viel even stil, de obers keken fronsend op:
Wat riep dat stel dichterstypes? Wilden ze nu water?
Gerrit, altijd alert op gestage drankaanvoer, gebaarde
naar de vele, inmiddels lege glazen die de tafel vulden
en stak twee vingers op: Nog een dubbel rondje graag.
(p. 110)
Als de dichters het café verlaten hebben, stelt Boskma zich voor, voelt Awater zelf de last op zijn schouders om ‘alle dichters voornaam bij elkaar te zijn, en aller dichters verzen bij elkaar’.
Het laatste gedicht gaat over Remco Campert als observator van het dagelijks leven, maar ook over zijn wankele bestaan:
Een sprietje gras dat door een stoeprand breekt,
ongezien vertrapt door velen, maar de enkeling
leunt op zijn wandelstok voorover.
[…]
opdat altijd weer langs het lange smalle water,
altijd weer in ontketend lentemiddaglicht,
altijd weer zijn rimpelloze zang weerklinken zal,
en dat die altijd maar, oh,
dat die voor altijd… En hij richt zich
langzaam op en loopt vlug weer door.
(p. 153)
In de Oase-gedichten gaat het om de tegenstelling tussen een leven thuis en dat in de buitenwereld: de zakenwereld (‘boekjaar en taks’), de wereld van bedrog en geweld en ‘verkrachters van taal’. Het gaat ook om de verwevenheid van die twee werelden.
Al komt er een eind aan de lof voor het wonder,
het wonder zelf zal daar weinig om geven
en toch gewoon in levens opduiken
om heil en voorspoed te zaaien.
(p. 11)
Ook in die geborgenheid dringt het dagelijkse nieuws door:
Onder elke steen waarme de tuinen heden geplaveid zijn
zal zich een dode nestelen en weer tot leven komen.
[…]
En regent het weer dagenlang bij storm uit het noordwesten
dan staan de liefhebbers van bliksempiercings ijlend op het dak
terwijl wie zich net tattoos liet zetten zich gortdroog zit te verbijten
om zijn achterhaalde kijk op schoonheid en sollicitatiekans.
(p. 16)
De tegenstelling tussen ideaal en realisme wordt aan de hand van hedendaagse verschijnselen toegelicht:
In kalmere tijden zal weer een profeet opstaan
met praatjes hoe het moet en hoe het zal lopen.
Nou, wij weten allang dat het allang al afgelopen is
en hoe het moet vervangen door ‘dat maak ik zelf wel uit’.
(p. 18)
In de gedichten verandert een boswandeling in een hallucinatie waarin uitwassen van de maatschappij over elkaar buitelen:
Tussen de stammen vlamde het struikgewas
zoals het hoort sinds het zwevende woord
over de wateren. Daar voeren ook jachten met topless
sirenen op het zonnedek, hun borst- en bilpartijen rijk
gevuld met siliconen, en de kapitein, miljardair in ruste,
was zo langdurig en intens aan uv-licht blootgesteld,
dat het leek of een enorme winterwortel aan het roer stond.
(p. 21)
Vervolgens passeren ‘landegaliseerders’, een boer met ‘huizenhoge apparaten’, een buitenkeuken, een ‘Nudisties Axtiefront’, ‘fokking ooievaars’, de ‘afgezette koning en ministers’, ‘een maagd op leeftijd’ de revue, maar, net op tijd, is daar ‘de bebouwde kom’ en het veilige asfalt bij huis. Uit alles blijkt intussen dat
het vierendelen van de samenleving is begonnen.
Er valt niet tegenop te appen en het ontkurken helpt niet meer.
(p. 35)
Het zet de dichter aan tot ‘klankrijkdom’ en soms vette alliteraties (p. 41) over egoïstische karakters in een tijd van verspilling:
Waarom had men behoefte aan het overbodige?
(p. 43)
In hetzelfde gedicht wordt de periode van de Corona-pandemie verbeeld, die ‘zoveel quarantaine bracht, dat goddank elk evenement kon worden afgelast’ (p. 45). Boskma vertelt het in een soort ‘zangen’. De kracht en schoonheid van de natuurlijke omgeving blijven daarin overheersend, al zijn sexuele gedachten even prominent aanwezig, want, zoals hij zegt: ‘een soort korset van correcte wellevendheid’ houdt hem, ook nu hij ouder is, niet tegen:
Dus rook maar een sigaartje, of een blowtje met je goeroe,
de gepokte en gemazelde, de overlever van het spleen.
Wat er lange tijd toe deed, doet er allang niet meer toe.
En wat nog overeind staat, is een en al deepfake.
(p. 51)
Leugens hebben de cultuur overgenomen:
De arme verzenbundels blijven rijkelijk gesloten,
of zo lang dat zilvervisjes gangen vraten door de taal
en spinrag de melodieën uit de kaften ving. Nog even
en de boekenkasten zijn gevuld met blanco ruggen
die ongezien wegwieken op transparante vleugels.
(p. 97)
De dichter treurt er niet om. Er huist nog genoeg fantasie in de natuur, men kan ‘altijd nog het spijkerschrift bij de boomstammen’ zien opkruipen en ziet nog steeds ‘uitgestorven klauwen in het zijden dekbed slaan’ (p. 98) of luistert naar de sneeuwklokjes die ‘geheel accentloos een Hooglied neuriën’ (p. 125).
Vissen, borsten, taille, bossen en oh de grote rivieren:
ze hadden allemaal gelijk
(p. 131)
Maar hoe kansrijk is de natuur tegen verstikkende rotzooi, kortom: ‘de verrichtingen der menselijke soort’ (p. 142)?
De stiltevariant (2025)
Omslag van De stiltevariant
Het omslagontwerp van Tessa van der Waals is typografisch. De groene kapitalen van de titel en auteursnaam staan op een groenblauwe ondergrond, waarbij de drie letters ‘i’ (in stilte, variant en Pieter) schuin zijn geplaatst, achtereenvolgens naar rechts, naar links en weer naar links hellend, en gedrukt in goud. Voor- en achterin is een extra groen schutblad toegevoegd; achterin is daarop een portretfoto door Koos Breukel afgedrukt. Dit is de eerste dichtbundel van Boskma die sinds lange tijd weer bij uitgeverij Prometheus is verschenen.
In het gedicht ‘Nieuwjaarsdag’ schrijft hij, ‘na al het papier dat ik vulde’:
Het jubelen staat mij vaak nader dan het janken
(p. 9)
Ook al behoort hij tot ‘de dramatisch verknipte bewoners’, hij denkt dat ‘er een engel boven mijn geboorte hing’ en noemt zijn gezin ‘de voltreffers van Gods bombardement’:
geboren worden in een luwte tussen twee
explosies in, waar zelfs ’s winters de zon
in de erker vol vergeten liefde schijnt.
(p. 9)
‘De stiltevariant’ is de titel van het tweede gedicht waarin een serene, bijna sacrale avondlijke stilte heerst in de tuin bij een aangrenzend bos, ‘vervuld van geur en koelte’. Die wordt twee keer verstoord: eerst door een vogel in doodsnood – waarna de nieuwe stilte onrustbarend is. Later wordt de stilte opnieuw doorbroken door ‘de voldane roep van een uil’ die zijn prooi blijkbaar verslond. Daarna herstelt de stilte zich, nu weer met haar ‘aanvankelijke glorie’.
en wie niet sliep
en het hoorde, glimlachte om hoe snel
de aard van het bestaande omsloeg
in zijn tegendeel, gewoon door vogels
in de nacht – en als altijd: de jacht.
(p. 11)
De bundel is opgedragen aan zijn echtgenote Anna en hun zoon Hendrik. Boskma schrijft over het moment dat de zoon voor het eerst kan fietsen, over een visioen waarin hij zijn eerste, gestorven vrouw weer ziet (‘ontstegen aan het web van emoties die wel kleur geven aan het bestaan maar ons ook gevangenhouden’, p. 13) en over het beminnen van zijn huidige vrouw (‘het dansen van het tasten en het tasten van de dans’, p. 14). De emoties over het voorbije en het heden zijn blijvend:
Men zit vast aan wat voorbijgedacht
vastzit aan het blad dat men uit de tuin moet harken,
aan wat telkens valt en telkens weer dient opgeruimd.
(p. 26)
Het politieke leven en maatschappelijke ontwikkelingen komen ook in deze bundel aan de orde:
Wanneer straks de botten langs de roltrap kletteren
is het te laat om nog een levensmotto te verzinnen
[…]
Soms blinkt in het maanlicht door een venster in het dak
iets wat alweer verdacht veel op een runenteken lijkt.
Nog even en de lijken dobberen weer in de beken.
(p. 19)
Maar steeds wordt de werkelijkheid aangevuld met fantasierijke en extatische taferelen:
Waar speakers loeiden snurkt nog slechts een egel
in zijn winterslaap. Waar de oude kunsten sterven
wordt naar nieuwe niet eens meer gevraagd.
[…]
En hoor hoe van de Grebbeberg, verpakt in uniformen,
het gezang klinkt van geraamtes die een slok ophebben
en bevrijd van rotting, door maden weggeknaagd,
elkaar verguld betasten met verliefde handen, en hoe
het tijdsgewricht begint te kraken – en versplintert.
(p. 29)
In een van de gedichten vraagt hij zijn geliefde wat hij voor haar moet laten oprijzen:
Of wil je een boudoir, een zwembad in het souterrain,
een sauna op het dakterras […]
Maar op de grondloze dagen die geen dragers kennen,
kan ik nog geen kaartenhutje voor je construeren,
slechts dit luchtige pronkkasteel volomhelzingen.
(p. 42)
In sommige gedichten vervaagt de identiteit van de geliefde: is het de gestorven of de levende vrouw die wordt toegesproken, herinnerd, tastbaar gemaakt?
De zuivere geboorte en de zuivere dood,
het omslaan van een bladzij, het lezen
van bladeren die een briesje wekken,
het elders bewoonde lichaam dat weer zwijgt
en de bewolking, altijd weer de bewolking,
en jij die weer zo stil ligt, zo vreselijk stil ligt.
(p. 47)
De gedichten spelen zich vaak in huis af, maar vaker nog in een natuurlandschap: bos, strand of duin, niet in de stad, niet in winkels, fabrieken, laboratoria, kantoren. Want de natuur leeft een leven waarop de dichter vaak jaloers lijkt en in de natuurlijke omgeving hangt er ook voor de mens ‘magie in de lucht’ (p. 66).
In ‘Levend lied’ vertelt de dichter dat veel vrienden en dierbaren hem ontvallen zijn – de vorige bundel bevatte een aantal in memoriams.
Wat blijft er dan muziek? Wat rest ons dan geduld?
Wat te oogsten na de kaalslag onder dierbaren?
Wat hou je over als je elke hype laat varen?
Wat zie je als je dingen tot het bot onthult?
[…]
Slechts wat klinkt heeft waarde, de waarheid is een klank.
Alles wat niet klinkt bederft en vervliegt tot stank.
Alleen het lied, het levend lied
wint het van het stomme niets.
(p. 52)