De gedichten van Piet Gerbrandy, 2011-heden

Smijdige witheid: een vertroosting (2011)

Vooromslag van Piet Gerbrandy, Smijdige witheid (2011)

Smijdige witheid: een vertroosting verscheen in 2011. Gerbrandy laat zijn classicistische achtergrond in deze bundel weer een hoofdrol spelen. Ditmaal imiteert hij Boëthius’ Over de vertroosting der wijsbegeerte (Consolatio Philosophiae), geschreven in de zesde eeuw. Boëthius was een christelijke, Neoplatoonse filosoof; hij wordt gezien als een schakel tussen de antieke heidense filosofie en de christelijke middeleeuwen. In zijn boek gaat Boëthius in gesprek met Vrouwe Filosofie. Hij is gevangen genomen en zij troost hem met filosofische bespiegelingen over het lot, de deugd en goed en kwaad. Het is een prosimetrische tekst: proza en poëzie wisselen elkaar af.

Gerbrandy’s Smijdige witheid wisselt ook proza en poëzie af en bevat gelijksoortige filosofische overpeinzingen als Boëthius’ Over de vertroosting der wijsbegeerte. Gerbrandy’s beschouwingen hebben echter vooral de liefde als onderwerp. De liefde wordt door de poëzie ondersteund:

De tekst staat tussen ons in, als een welgeronde bol van liefde. Wij zijn het wit dat ons vormt en omringt. Wij zijn het zwijgen. De woorden moeten blijven draaien. Want zonder de woorden geen wit.
(p. 40)

Smijdige witheid is verdeeld in zeven secties. Alle afdelingen hebben een motto in het Latijn of Grieks meegekregen. In de verantwoording wordt van elk motto een vertaling gegeven. Elke sectie vormt een kort verhaal met een filosofische uiteenzetting. Het verhaal wordt afgesloten met een laatste cursieve zin die afstand neemt van de beschouwing en die het geheel in een ander daglicht plaatst. De verschillende afdelingen bevatten uiteenlopende tekstsoorten, naast proza en poëzie bijvoorbeeld de briefvorm of een apologie.

De afdeling 'Zonder kleerscheuren' draagt een motto van Boëthius: 'wie zou verliefden de wet voorschrijven'. 'Zonder kleerscheuren' bestaat uit de beschrijving van een ontmoeting tussen een man en een vrouw op een terras. De man neemt plaats op het enige vrije plekje naast de schrijvende vrouw. Het stuk bestaat grotendeels uit een dialoog tussen de twee personen. Hun gesprek is genoteerd als een toneeltekst:

Hij:      Goedemiddag. Is deze stoel nog vrij?
Zij:      Er zit althans niemand op.
Hij:      Hebt u er bezwaar tegen als ik hier plaatsneem?
Zij:      Die stoel is niet van mij.
Hij:      Ik begrijp dat ik u stoor. Maar ik zit graag naast iemand die schrijft. Laat u zich door mij niet afleiden.
Zij:      U stoort mij inderdaad. En ik heb geen enkele behoefte aan gezelschap bij het schrijven. Maar die stoel is vrij.
Hij:      Irritatie maakt de lelijkste vrouwen aantrekkelijk.
Zij:      Complimenten maken de aantrekkelijkste man irritant.
Hij:      Het was niet mijn bedoeling u te complimenteren. Daar bent u niet lelijk genoeg voor. Een mooie vrouw vormt haar eigen compliment.
Zij:      Als u er geen bezwaar tegen hebt beschouw ik dit gesprek als mislukt en beëindigd.
(p. 15)

In het vervolg neemt het gesprek een wending en wordt de toon langzaam intiemer. Dit gebeurt aan de hand van een uitwisseling van filosofische overpeinzingen:

Zij:      U bent behoorlijk spraakzaam voor iemand die in stilte wil drinken. Maar u hebt gelijk, samen drinken schept een verbond. Dat u dit ontheiligt door erdoorheen te praten stelt mij gerust. Dit verbond zal niet standhouden. Wij kunnen straks zonder kleerscheuren afscheid nemen.
Hij:      Dat hoop ik niet. Hoe meer kleren er scheuren, in overdrachtelijke zin bedoel ik, des te liever is het mij. Wonden leiden tot inzicht. U hebt nog te weinig kwetsuren opgelopen om dat te kunnen begrijpen.
Zij:      Of te veel, misschien te veel. Bovendien zijn het niet zozeer de opgelopen wonden die inzicht opleveren, als wel de toegebrachte. U hebt waarschijnlijk nog te weinig leed aangericht om dat te kunnen begrijpen.
Hij:      Ik zou u graag onnoemelijk veel leed berokkenen als dat zowel mij als u tot wijsheid voerde. Maar laten wij doordrinken.
(p. 16-17)

Tot dan toe bestaat 'Zonder kleerscheuren' uit proza. Dit verandert wanneer de vrouw plots een passage uit haar dagboek voorleest, waarin ook een liefdesgedicht voorkomt:

Ooglings trek ik je tittels je halen en jota’s over
plaats komma’s waar jij ze gedacht vul je tekens met zucht en luister
naar kraken van je bedplank aan de kade.

en:

De eerste adem in de laatste uit.
Het laatste woord een echo van het eerste.
Een kus die luchtdruk regelt in het midden.
Een dansdeun in de golfslag van je schrift.
(p. 19)

Dit gedicht lijkt een soort voorbode te zijn van wat komen gaat en beschrijft een samensmelting in lichaam en geest. Het eerste gedeelte, waarin de ik-persoon de tittels, halen en jota’s van de jij-figuur overtrekt en komma’s plaatst, duidt hierbij op de eenheid in geest. Het kraken van de bedplank en de strofe daarna duiden op de lichamelijke handeling. Uiteindelijk besluiten de man en de vrouw samen naar een kamer te gaan om hun 'pantsers' af te leggen 'om ze daarna weer aan te gorden'. 'Zonder kleerscheuren' gaat over een absurde ontmoeting van twee personen die een filosofisch gesprek hebben en uiteindelijk samen vertrekken om de liefde te bedrijven. De absurditeit van de ontwikkeling en de uitkomst van de dialoog wordt benadrukt door de laatste cursieve zin:

De afwezigheid van stadsgeluiden berust vermoedelijk op selectie van relevante gegevens.
(p. 20)

In deze zin wordt op een hoger plan naar de situatie gekeken. Het lijkt op een beschrijvende toneeltekst, maar het is eerder een commentaar op het schrijven zelf, want de schrijver is degene die kiest welke gegevens hij behandelt.

Andere afdelingen kunnen bijna niet meer onder de noemers proza of poëzie worden gebracht, maar bestaan puur uit filosofische uiteenzettingen, zoals 'Een welgeronde bol' met als motto 'alles wat deel heeft aan het ene is één en niet-één' van Proklos (een Griekse Neoplatoonse filosoof en wiskundige uit de vijfde eeuw). In dit deel legt Gerbrandy Boëthius' filosofie uit, waarna hij citeert uit Over vertroosting der wijsgebeerte. Dit gedeelte lijkt meer op een wetenschappelijk studieboek dan op een deel uit een dichtbundel:

Aan het einde van het derde boek van zijn Vertroosting vertelt Boëthius hoe de gevangene, die Boëthius heet, er genoeg van begint te krijgen dat Philosophia weliswaar een perfecte wereld weet te construeren, maar dat haar daartoe slechts cirkelredeneringen ter beschikking staan. Boëthius tracht een bres te forceren om uit de gevangenis van de logica te ontsnappen. Hij wil de wereld in. Men kan niet anders zeggen dan dat de wijze waarop Philosophia haar methode verdedigt van een peilloze, maar tragische schoonheid is.
(p. 38)

In 'Fluisterende lippen' met het motto 'Sokrates, sprak hij, doe wat muzisch is en maak er werk van' van Plato, wordt het wetenschappelijke meer met het poëtische verbonden. Het stuk opent met het aanspreken van 'leden van de jury'. Dit heeft betrekking op Sokrates, die ook in het motto wordt aangesproken. Hij moest zich voor een rechtbank verantwoorden voor het niet erkennen van de goden en het zogenaamd bederven van de jeugd. Gerbrandy gebruikt de verdediging van Sokrates als raamwerk voor 'Fluisterende lippen', maar de aanklacht tegen de ik-figuur is hier anders: hij zou ten koste van alles een verdwenen geliefde hebben nagejaagd:

Ik zou door vast te houden aan de ingebeelde liefde voor een fantoom de openbare orde in gevaar hebben gebracht. En door vervolgens datgene waarvoor ik leefde op te geven zou ik aangetoond hebben dat mijn eerdere motieven onzuiver waren.
(p. 43)

De verdediging van de ik-figuur mondt al snel uit in een verhaal in proza:

Laat ik dan aanvangen bij de ontmoeting in de monding van de grot.
   Hoewel wij al geruime tijd in elkaars omgeving verkeerden, misschien een week, misschien een jaar, merkten wij elkaar pas op toen we door natuurlijke oorzaken uitgeholde, maar met mensenhand bewerkte gewelven verlieten om uit te zien over zee. Toen wij elkaar in de ogen keken leken de anderen weg te vallen. 'Zullen we samen verdergaan?' vroeg ik. Zij knikte, ik nam haar bij de hand en wij liepen het kiezelstrand op. Boven de flauwe branding hing een dunne nevel van onbestemde kleur. Gedempt alle geluiden.
(p. 43-44)

Gerbrandy maakt in 'Fluisterende lippen' veel gebruik van bijvoeglijk gebruikte deelwoorden, zoals 'knipmessende medewerkers', 'rennendste benen' en 'wakkergetast beeld'. Deze combinaties gebruikt hij zowel in de prozatekst als in het gedicht in deze sectie. Dit gedicht is een liedtekst. De cursief gedrukte delen vormen een couplet dat terug keert, maar waarvan de inhoud of de volgorde van de zinnen wel telkens verandert.

Vijf snaren vergen ongebroken vingers.
Mijn woorden zoeken oren die ze passen.
Waar vind ik de sleutel om dit vel te spannen?
Mijn tokkel biedt een bodem voor jouw swing.

(…)

Waar vind ik de sleutel om dit vel te spannen?
Mijn tokkel biedt een bodem voor jouw swing.
Vijf snaren vergen ongebroken vingers.
Mijn adem zoekt een monding die hem past.

(…)

Mijn tokkel bood een bodem voor jouw swing.
Geen sleutel wist dit vel volmaakt te spannen.
Steeds minder snaren snakken nog naar vingers.
Mijn woorden voegden zich naar wie verdween.
(p. 46)

Het lied is een voorbeeld van de liederen die de ik-figuur zong over zijn verdwenen geliefde:

De thematiek van mijn liedjes veranderde niet, geloof ik, ik bleef haar verdwijning en mijn ontreddering bezingen, maar ik merkte dat aan teksten allengs nieuwe betekenissen werden toegekend. Zij werd een symbool.
(p. 45)

Zijn publiek kende betekenissen toe aan dit symbool, die de ik-persoon niet per se voor ogen had:

Ik heb het u slechts laten horen om een indruk te geven van de liederen waarmee ik de verbeeldingskracht van mijn publiek aanzwengelde, dat betekenissen veronderstelde waarop ik zelf niet gekomen zou zijn.
(p. 46)

Het lied dient dus ter illustratie van zijn onschuld in zijn verdedigingsrede.

Smijdige witheid lijkt door de afwisseling van verschillende genres een radicaal vormexperiment. Maar deze afwisseling kwam in de oudheid en in de tijd van het Neoplatonisme ook al voor. Classicus Piet Gerbrandy heeft met de bundel een eigentijdse imitatio van Boëthius afgeleverd.

Vlinderslag (2013)

Omslag van Vlinderslag

De gedichten – en prozateksten, want die wisselen elkaar af in deze bundel – worden afgesloten met een cursief gedrukt motto, zoals ‘De instanties hebben aantrekkelijke routes uitgezet’ onder een tekst over het maximale aantal verschillende fietsroutes die je vanuit je huis kunt ondernemen. Deze tekst gaat tegelijk over de manieren waarop een gedicht tot stand kan komen. De woorden kunnen door van alles in gang gezet worden, maar: ‘Waar ze ook vandaan komen – niet uit wat voorvalt’ (p. 6).

Op hakblok griepzeug koortsgeit pestkip kaal 
            en vaarzen dementerend in hun kisten.

Bindweefsel blijkt je vraag niet aan te kunnen.
In vlot geschreven gliefen geven losgeraakte windsels 
            verloren brokken lofzang lijkzang prijs.

[motto:] 
De bio-industrie lijkt haar langste tijd te hebben gehad.
(p. 11)

De linkerpagina’s bevatten proza in heldere, grammaticale zinnen, terwijl de gedichten op de rechterpagina’s veelal bestaan uit gewrongen, lyrische formuleringen, zoals:

Waar houd je op. En waar vangt verte aan.
Hoe kun je komen waar je deel aan hebt.
Hoe meet je de osmose van je loskomst.

Padden bevroeden het uur dat hun bodem zal beven.
(p. 23)

De onderwerpen variëren van bijvoorbeeld lunchen op een terras tot strand(ont)kleding:

De naaktheid die in hun dagelijks leven een broeiend geheim was verloor hier op slag haar mysterie. […] De echte naaktheid bevindt zich in het duister daaronder gesteld dat waar nooit licht komt bevinding mogelijk is. En wie een lichaam wil openen om te zien wat zich daarbinnen afspeelt moet het eerst onherstelbaar aantasten.
(p. 26)

Tussendoor gaat het steeds over lichamelijke liefde, seks en verlangen:

Ik zou je rug en billen kunnen strelen maar dat is niet nodig. Zien volstaat. […] We zouden nu onze geslachten in elkaar kunnen koppelen om ritmisch de lofzang op het zijnde te voltrekken maar door lofzang te worden zouden we eerst onszelf en vervolgens elkaar verliezen. Dat is niet de bedoeling. Willen we een uitsparing in het zijnde blijven dan is erin opgaan verkeerd. Om je lief te kunnen hebben moet ik je op afstand houden. En ieder woord zou belachelijk zijn. Je een naam toekennen zou zelfs fataal kunnen zijn. 
(p. 28)

De lyricus zegt iets dergelijks in andere woorden:

             Vormt zich je zin in je zijkwab 
bewaar hem voor betere tijden.
             Wurmt zich je woord in je tongkus
snoer het in met een riem die het past.
(p. 37)

Sommige gedichten beschrijven de vertrouwdheid van de geliefde als het tegendeel van verrukking:

‘Kom je mij vanavond vruchten stoven?’
‘Lees je mij voor uit het boek?’
‘Stop je mij in voor de nachtegaal hapert?’
‘Kus je de berg van mijn dal?’

Eens was verrukking blond en zonder banden 
           om golfslag van haar ongebreideld sneven.
           Je doolde maar steeds wist je waar je was.

Sinds wanneer zijn de nachten grijs geworden?
Wat schemert rond het vale middaguur?
Wat kraaien hanen als de avond draalt?
          Er gloort geen einde aan wat nooit begon.
(p. 45)

En de moraal? ‘Het lijkt wel alsof de natuur helemaal van slag is.’

Gaan de prozastukken eerst over de zomer en strandbezoek, later hebben ze het wachten in een stilstaande trein tot onderwerp of het eindeloze reizen op een niet druk traject en uiteindelijk gaan ze over de liefde die in zee gaat zwemmen.

In de reeks ‘voegwoorden’ staan de woorden ‘of’, ‘en’, maar’, ‘dus’ en ‘want’ centraal:

Het of is hier een bron van ongemakken. (p. 72)
Het en is hier een samenloop van dalen. (p. 73)
Het maar damt meren af om stroom te stuwen. (p. 74)
Het dus wil hier een mijlsteen langs de heirbaan. (p. 75)
Het want is hier een trede naar een uitzicht. (p. 76)

Deze gedichten beschrijven de moeilijkheden van de dagelijkse of afwezige liefde: het (niet) slapen naast iemand die ‘constant stikt hinnikt of trappelt’, ‘naast iemand ‘die wakker blijft’, naast iemand die ‘ontbreekt’ of naast iemand die ‘te mooi’ is. Want, zegt de dichter:

Haar schoonheid is de doodsteek voor je dromen.
(p. 76)

Voegwoorden. De gedichten (2015)

Omslag van Voegwoorden. De gedichten

In 2015 verscheen een bundeling van alle eerdere dichtbundels onder de titel Voegwoorden. De gedichten bij uitgeverij Atlas Contact. Bijna 700 pagina’s met gedichten en een korte quasi-biografie over de ‘futiele existentie van Piet Gerbrandy’. Aan het slot van de bundel zijn twintig gedichten opgenomen onder de titel ‘Kelderwijn’. Ze verschenen eerder in literaire tijdschriften. Er lijken wijsheden uit klassieke werken in te zijn verwerkt, zoals: ‘Ga in aanval om verlies te oogsten’ en:

Bouw gebouwen die afbreekbaar zijn
            brouw synthesen die afbreekbaar zijn
            knoop connecties die afbreekbaar zijn.

Koop kousbanden om ze af te stropen.
Verhul je schoonheid om te openbaren.
Wijs mij af opdat ik je verover.
(p. 627)

Steencirkels (2017)

Omslag van Steencirkels

Zoals in Vlinderslag onder de prozateksten en gedichten een soort moraal of aantekening over de hedendaagse maatschappij werd afgedrukt, wordt in deze bundel elke pagina afgesloten met een separaat gedrukte regel, maar hier vormen die regels samen een bijna bijbels verhaal over het ontstaan van het leven op aarde (‘broeinest voor wat rotten kon en gisten’, p. 22) , over het verlangen naar ‘verlossing en versmelting’ (p. 31), over het ontstaan van de mens (‘Waarom heeft de aarde hem ontwikkeld?’, p. 64) en over de noodzakelijkheid van de mens om de aarde te laten aan andere levensvormen, wellicht door een spoor na te laten (p. 82). Onuitgesproken blijft dat zo’n spoor uit dichtregels zou kunnen bestaan.

In de eerste sectie ‘open’ wordt een zekere ‘O’ opgevoerd:

Het gaat om een man. 
Wij noemen hem O voorlopig. 
Omdat hij open staat naar elementen. 
Omdat zijn oog de spil is van orkanen. 
Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween. 
(p. 8)

Daarna volgen secties met al even korte titels: ‘damp’, ‘loo’, ‘hol’, ‘kust’, ‘gas’ en als laatste opnieuw een enkel gedicht onder de titel ‘open’.

In ‘damp’ is het personage ‘zo moe dat hij moet rusten’ en in een lange prozaïsche paragraaf worden allerlei oorzaken ervoor opgesomd, zoals: ‘Registratie van cijfers. Koken voor kwijnende naasten. Spreken voor slapend gehoor. Verrekening van uitgekeerde voorschotten. Beleidsnota’s lezen en schrijven […] Aftasten van nieuwe vriendinnen. Zolders uitruimen’. Hij bevindt zich in een sauna of stoombad voor gemengd publiek.

Damp die opbolt uitwolkt en vervluchtigt.
Stoom die poriën zoekt om te doordringen.
Druppels die zich mengen en uiteengaan.
Fusie en diffusie en verdriet.
(p. 15)

Sommige gedichten staan op zichzelf, andere zijn genummerd en daarmee gegroepeerd, en in sommige gedichten zijn cursieve regels als een commentaarstem toegevoegd. Inmiddels wordt de wereld afgetast:

Zo moet ik erg slikken van borsthuid in alle gradaties. 
Van vachten roept geur op tot danige contemplatie. 
Aan vochtige lippen moet ik dienst bewijzen. 
(p. 16)

Een nieuwe liefde dient zich aan en hij probeert er open voor te staan:

Uit fundamenteler deeltjes 
           bestaat er geen dan jij. 
Al hun massa onmeetbaar 
           jouw kenmerken maken mij 
                        gek onrembaar doorbloed. 
[…] 
Ik tast naar wat af en gerond 
som ik op en ik open

          je kleuren van herfst boter slachthuis 
          je zuiglam van muskus 
          je gistgeur van zwammen en peren 
          je iriskelk op sterk water 
          je veerkracht van beenham en vlastouw 
          je kiemlust in oude matrassen 
          je stem die mijn trommelvlies raspt. 
(p. 18)

Na een opsomming van vragen over ontwikkelingen in de politiek en de maatschappij wordt de omgeving gezien als een stoombad:

Zo dicht is de damp dat wij niet 
             kunnen instaan voor feiten 
                          hoe evident ook. 
(p. 22)

De afdeling ‘loo’ speelt in een bos, waar twee mensen lopen ‘over wat geen pad is:

Muggen op jacht naar finale bedrinkig.
Detentie van luizen en mijten.
Stille spinnen op wacht in kristallen paleizen 
taai onverstoorbaar deinend op de wind.
(p. 24)

Ze naderen een open plek, een ‘gewijde ruimte’:

Ik pak je hand zodra wij die betraden 
want handen zijn de woorden van het lichaam 
zoals ogen de handen van het denken zijn.
(p. 25)

Hij wil er de nacht doorbrengen en zich onttrekken aan de wereld (die daarvoor in proza beschreven wordt: een zaaltje waar een band te harde muziek speelt, een bezoek aan sekswerkers):

Ik vraag niet naar je liefde. Maar nabijheid. 
(p. 34)

En er ontstaat een cocon van ‘vier armen’, ‘twee adems’, vier ogen; en ‘vier hersenhelften’.

In de sectie ‘hol’ wordt nagedacht over vluchtelingen en thuis; van seks en verliefdheid worden lange reeksen mogelijkheden opgesomd:

Seksloze verliefdheid, Seks als slaapmuts. Sluimerende verliefdheid. Seks als spel. Seks als sport. 
(p. 53)

In ‘kust’ loopt een man met een rugzak op een bijna verlaten en noordelijk eiland, ontmoet en blijft een nacht bij een vrouw en gaat verder. Er volgt een gedicht over de vervuiling van de zeeën met ladingen plastic zakjes, tennisballen, elastiekjes, kruimels vlakgom het zeeleven van verwoesten, met dolfijnen, albatrossen en andere dieren als slachtoffer. Dat gebeurt in de vorm van een sonnet (zonder chute), gelardeerd met commentaar, zoals: ‘Wat wij lozen lezen albatrossen’ (p. 67).

In de volgende sectie, ‘gas’, eindigt de tocht binnen de Poolcirkel, als vlak voor het einde der tijden:

In de ijszee zal men olie spillen.
Rendierjagers bouwen supermarkten.
Sjamanen geven clinics in versterving.
Vissers bouwen sauna’s ter ontspanning.
Een handvol sprekers voedt nog taalfanaten.
De laatste wilde ijsbeer zeilt uit zicht.
(p. 81)

Vloedlijnen (2018)

Omslag van Vloedlijnen

Dertig pagina’s in deze bundel worden ingenomen door een operalibretto, ‘As’, geschreven voor een compositie van Chiel Meijering, in 2016 opgevoerd als ‘Who’s Afraid of Orfeo’. Klassieke verhalen en hedendaagse politieke ontwikkelingen werden daarvoor aan elkaar verbonden. De hoofdfiguur is bijvoorbeeld een combinatie van Orpheus en Julian Assange, die destijds zijn toevlucht had gezocht in de Londense ambassade van Equador. Als oprichter van WikiLeaks dat geheime Amerikaanse documenten openbaar had gemaakt vreesde hij voor uitwijzing naar de Verenigde Staten. Een andere figuur in de opera is een samensmelting van de klassieke figuren Eurydike en Proserpina.

De overige afdelingen in de bundel laten (zoals eerder) combinaties zien van gedichten met proza. Opmerkingen over bucolische poëzie worden bijvoorbeeld gepaard aan een spervuur van – niet altijd even logische – vragen:

Wat vindt u zo leuk aan profielen?
Zijn al die biersoorten echt nodig?
Wanneer leest u de kast die u kocht?
[…]
Hoe verhoudt u zich tot de debatten?
Belegt u in schalie en vlees?
Overschat u de klaarkoming niet?
(p. 9)

Het gedicht behandelt ecologische plannen, de veranderende natuur aan zee, politieke beslissingen of het gebrek daaraan:

nog adem in sommige steden
            de meeste bommen ontmanteld 
geen camera in onze kamers 
althans niet waarneembaar 
dijk en duin om brak water te weren 
een regering die lacht zonder schieten 
althans niet op ons nog.
(p. 13) 

Tussen aandelenkoersen, antidepressiva, ambachtelijk speltbrood worden zeereep, boompiepers, beukhaag en rozelaar genoemd en wordt almaar tussendoor gehint op vrijpartijen en lichamelijkheid:

Ik lees je pigment en saliva.
Ik proef de noerse telgang van je heupwerk.
Wat hoor ik dan je kneedhand in rivierklei?
(p. 16)

Voor een installatie in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem schreef Gerbrandy enkele beginregels, die onder elkaar geplaatst een indruk geven van wat de gedichten verder inhouden – het museum beschikt over een zaal met een wijds uitzicht over de rivier de Rijn:

Geen zaal die niet verhult waar zij op uitkijkt.
Geen oog dat niet zijn eigen holten schept.
(p. 21)

Geen zaal die geen verlangen wekt naar buiten.
Geen venster dat zijn spiegeling niet verfoeit.
(p. 22)

Geen zaal die zich niet vullen wil met alles.
Geen taal die niet wat voorvalt luid onthult.
(p. 23)

Geen zaal die niet verheelt wat zij ontketent.
Geen bril die niet vertekent wat hij toont.
(p. 24)

In de gedichten en prozateksten vanaf het begin – ‘Ik vraag me af of jij zo’n stem kunt geven’ wordt een aparte tekst geformeerd door steeds enkele woorden in klein kapitaal te drukken, die samen een enigmatische zin vormen: 

Hier verliezen ontwortelde bomen verstild aandachtig gerijpt aanstonds nog zwierig blad 
(p. 8-18)

In de volgende secties wordt dit vervolgd met de woorden: 

zwaarmoedig schept water volbloedig slib
(p. 20-24)

belichaamt maanloos water gebrekkige lussen van leegstaande verhalen of zuiver gefluister
(p. 26-36)

In de sectie ‘plot’ komen opeens meerdere van zulke woorden op één pagina voor (mar dat zijn ook maar twee pagina’s in totaal):

ongenaakbare deunen raken sereen loze kennis zonder boekdelen 
(p. 38-39)

In de volgende sectie is het steeds weer één woord per pagina:

De laatste obsessies dumpen me betrekkelijk slinks tussen koppig frisse borsten
(p. 43-53)

Na het libretto loopt de zin verder door in de sectie ‘ziel’:

onverstoorbaar en vochtig zoeken herfstspinnen meegevend wild maar vinden breekbaar nacht
(p. 89-99)

In vorige bundels stonden zulke regels onderaan de pagina, nu maken ze deel uit van de teksten en gedichten, al worden de gedichten noch de teksten er direct duidelijker door. Gerbrandy probeert met deze zinnen extra thema’s en lijnen uit te zetten die de gedichten onderling verbinden en de complexiteit van denken en leven verbeelden. In de sectie ‘ban’ hangt de in klein kapitaal gedrukte regel zeker samen met de thematiek van de gedichten, want de dichter neemt zich voor niet meer obsessief verliefd te worden:

Ik ga je niet bellen.
Ik leg niet mijn hand op je knie.
Ik stuur je geen zogenaamd informatieve berichten.
Ik vraag je niet meer naar de kroeg.
[…]
Ik zal niet stoppen met drinken.
Ik laat mij niet verzoeken door je tongval.
Ik maak geen misbruik van mijn vertrouwensfunctie.
Ik eet niet altijd gezond om weer jong te worden.
Ik let niet op je lippen als je praat.
(p. 45)

Maar uit de veelheid van woorden en voornemens blijkt zijn obsessie. Aan de ene kant is er de wens om nabij een ander te zijn, seks te hebben ook, aan de andere kant een verlangen naar verdwijning.

Je kunt hier ook verdampen 
                            in ochtendmist die uit die vaalt daar opstijgt 

             en ladders rijgt voor wie zijn oorsprong viert.

Laat je stoffen toch rustig vervliegen.
Leng wat indampt later met nieuwe 
            brouwselen aan van herkomst en verlangen.

Sta bouwselen toe hun grond in val te zoeken.
Graaf later op wat onder maaiveld sliep 
            en slijp het weer tot mes om vlees te helen.

Laat het geziene los in spiegelplas lost  
           het op het slaat neer in compost en diepere
[…]
                      lagen van vezelgevederde humus.
(p. 91-92)

Ontbinding (2021)

Omslag van Ontbinding

De bundel Ontbinding uit 2021 bestaat uit zeven afdelingen met korte titels. De eerste ‘Nu’ opent met proza over een man die nadenkt over ‘zijn slinkende toekomst’, wandelingen maakt langs bosranden en boerenschuren en zich verdiept in oude boeken.

Ik trek mij terug in achttiende-eeuwse doorschoten 
             edities van obscure antieke leerdichten 
                         over visteelt speltziektes en entkunst

Ja nu mij dit heden ontvalt 
             daal ik af in uw vriesdroge bedding 
                        vol knisperend blad 

waar gelaten een pad overwintert.
(p. 12)

Eén leesteken, de komma, gebruikt Gerbrandy niet in zijn gedichten en al evenmin in het proza. Ook hanteert hij regelmatig een afwijkende woordvolgorde, zoals in ‘Onder de kapstok een kist staat.’ (p. 21) 

De tweede afdeling heet ‘Vlees’ en bestaat uit elf gedichten, elk voorafgegaan door een tot zes regels proza, bijvoorbeeld:

Al trok hij er vaak goed uitgerust op uit een serieus vogelaar in hij nooit geworden.
(p. 25)

In een andere intro staat dat de dichter ‘alles op alles’ zet om ‘zijn gedichten zoveel mogelijk van borsten en billen’ te vrijwaren, maar het gedicht dat volgt noemt in plaats daarvan: ‘het vlees’, ‘monden’, ‘benen’ en ‘deze alhier zo tastbare vormen’ (p. 18) en binnen vijftien pagina’s gaat het weer over ‘billen’ (p. 23) en ‘borsten’ (p. 33). In het eerstsvolgende gedicht komen vrouwen en teksten ook weer samen:

Mijn leeftijd heeft zich afgevraagd 
           wat kutjes ertoe doen en publicaties: 
enerzijds alles en anderzijds niets 
                        dan reproductie van het eeuwig zelfde 

wat onontbeerlijk is om gas tot vlam te wekken 
          en zang te puren uit wat slijtend zinkt.
(p. 19)

De afdeling ‘Bron’ is een gedicht waarbinnen commentaar wordt geleverd. De dichter vertelt dat hij fietstochten maakt over een ‘verdrogende winterdijk’ en langs ‘ontvlinderde uiterwaarden’. Een van de commentaren bekritiseert ‘uw suggestieve metaforen’ en de dichter zegt dat hij het liefst zou afzien van beeldspraak, om vervolgens te schrijven:

            en honderden monden die klankrijk 
getuigen van oorsprong en kiemgrond.
(p. 29)

De sectie ‘Wind’ is weer samengesteld zoals ‘Vlees’, met ook weer elf gedichten. Een daarvan spreekt over medelijden met de wind:

Hij heeft het zo moeilijk op vlakten
             waar geen rustpunt geen einde in zicht 
hij loopt zich verloren in wouden 

             waar takken en loof hem verwarren 
hij slaat op rotsen te pletter 
             waar niets hem omarmt
(p. 37)

In een van de introducties tot de gedichten schrijft hij over de colleges middeleeuwse handschriften die hij vroeger volgde ‘bij een vrolijke geleerde met een scheve neus’.

In mei bloezen knoppen open 
          bestuderen met vlees gevulden 
in kalfsvel gebonden folianten 
                  vol groene leerdichten.
(p. 43) 

Het evenwicht tussen gedicht en proza verschuift in de vijfde sectie ‘Reis’ naar proza. Minder dan een derde bestaat uit dichtregels. Het verhaal gaat over een middeleeuwse geleerde die als spiegel dient voor de klassicus Gerbrandy zelf. Halverwege verandert het perspectief naar het heden, waarin wolven een bedreiging vormen voor de veestapel en vervolgens naar een distopische wereld waarin af en toe nog een ‘vis of klein zoogdier’ wordt gevangen en niemand weet waar de jager zich bevindt (p. 63).

De afdeling ‘kaf’ bestaat opnieuw uit elf gedichten voorafgegaand door een motto. De dichter wandelt door een gebied dat hij als kind kende

ik met mijn knieën en rug 
jij met je wangen en heupen
(p. 79)

Na een regel waarin hij beweert zijn verjaardag te zijn vergeten, schrijft Gerbrandy;

Willen drinken al heb je geen dorst meer.
Willen vrijen hoewel je niet geil bent.
Waar alles al staat willen schrijven.
(p. 86)

Hij vraagt zich intussen af hoe het verder gaat als hij er zelf niet meer is:

Mocht ik straks komen te vallen 
             wie neemt dan mijn plaats in 
                        in wereld en ook daarbuiten?
Wat zeggen precedenten en jurisprudentie?

Vader minnaar zoon broer en leraar: 
            ga er maar aan staan.
[…]
Wie zal mijn liefsten strelen?
Wie geeft mijn beste lessen braadt mijn lam?
Wie zal zich van mijn eigenste stem bedienen?

Dit werk is onbegonnen 
           zoals het ook onafgelopen is.

Trek ik mij daarom terug uit alle rollen.
Blijft wie stilaan verdwijnt ongemerkt.
(p. 88)

In het laatste gedicht (‘Straks’) schrijft Gerbrandy dat hij – het personage ‘hij’ – geen redenen meer heeft om iets wel of niet te doen, dat hij zelfs de liefde uitstelt, al droomt hij van ‘bedelvende borsten […] zwaar en wit’ (p. 93).

Niet zonder geritsel (2022)

Omslag van Niet zonder geritsel

In 2022 verscheen bij uitgeverij P in Leuven een door de Vlaamse kunstenares Anne van Herreweghen geïllustreerde dichtbundel, Niet zonder geritsel. De 28 gedichten worden door de auteur sonnetten genoemd, de uitgever zegt er voorzichtig bij: ‘als we ze zo mogen noemen’. De vorm is nogal afwijkend van het klassieke sonnet: drie lange, doorlopende regels proza, vier strofen van twee dichtregels (samen dus twee kwatrijnen), afgesloten met nogmaals drie doorlopende regels proza. De combinatie van commentaar en lyriek is in Gerbrandy’s werk natuurlijk niet nieuw, maar het presenteren van drie regels proza als terzine is dat wel.

Het eerste gedicht wordt begonnen met de opmerking dat sjamanen na duizenden jaren vaststellen dat hun kennis over de biotoop niet meer spoort met de huidige toestand daarvan. In de laatste drie regels wordt geconstateerd dat natuurbeschermers rond uitdijende steden proberen vast te stellen welke diersoorten op uitsterven staan. Daartussen is de lyricus aan het woord:

Schud op mijn lief en schik je onbescheiden brede witte donzen peluw
            opdat wij ons tot de narrige morgenstond verslapen 

waarin zich zal schrapen het koor van ijsbloemige wagens op weg 
            naar weer een dag van heilspellende cijfers en tabellen 

op de lange mars naar onuitsprekelijk geluk. Daar zal geen wening
            of knersing der tanden meer zijn en haar schuwheid 

legt af de tochtige hinde. Maar eerst wordt het nacht nog en koud 
            en dromen wij van tijgers hitsig in vlagen van sneeuw.
(p. 7)

In een ander gedicht wordt ingegaan op politieke bemoeienis met visgronden en wurgcontracten die banken opstellen voor boerenbedrijven. Daartussen is de beeldspraak van landbouw en visserij gekoppeld aan lichamelijke liefde: de dichter legt zijn wang ‘op je roombuik’ en de ‘ziltbittere geur van je pruilende vore’ vervoert hem naar de haringvangst, smaken geproefd op zijn ‘droomlome tong’ (p. 11). 

De dichter constateert dat hij net zo ‘kortzichtig’ en misschien ook ‘aardig en slecht en kwetsbaar’ is als iedereen als het om klimaatverandering gaat. Ook zegt hij ‘met een paar van hen’ best wil omgaan, vooral als het vrouwen zijn, maar schuldbewust zegt hij dat hij ‘die zak van vlees’ is 

                               die koopt en eet en ademt 

en zwoegt tot heil van de vrije en heersende klassen
              waartoe hij dankzij lethargie behoort.
(p. 21)

Want, zegt hij, zijn bijdrage bestaat voornamelijk uit het verspreiden van ‘broze voetnootgeschriften’ (p. 32). Wat er in het landschap ook verslechtert, hoezeer de politieke onmacht ook groeit, de dichter blijft verlangen naar het lichaam van een vrouw. In deze sonnetten wordt die liefde ingelijst door de maatschappelijke ontwikkelingen. Af en toe doorbreekt Gerbrandy dit ritme, zoals op pagina 30 waar het afsluitend commentaar juist een waarneming van zijn geliefde voor de spiegel is. Ook veranderen de commentaren soms in fantasieën over bosranden waaruit ‘ijle wezens’ tevoorschijn komen die hoorbaar maar onzichtbaar dansen in het gras (p. 35).

Intussen denkt Gerbrandy ook na over de betrekkelijkheid van poëzie, omdat wezenlijke zaken niet in taal kunnen worden uitgedrukt en als dat wel zou lukken zouden de ‘obsessies’ van dichters ‘goeddeels’ overeenkomen ‘met die van bijna alle anderen’ en dus ‘weinig toevoegen aan wat al was ontdekt’ (p. 37).         

Niets dan dit (2023)

Omslag van Niets dan dit

Deze bundel wordt door Gerbrandy aangeduid als een ‘leerdicht’ over lichaam, ziel en persoonlijkheid (het zelf), met prozafragmenten en lyrische stukken. Achterin de bundel wordt gezegd dat de literatuurverwijzingen uitsluitend zijn ‘bedoeld om indruk te maken’. Sterker nog: ‘Voor de interpretatie van het gedicht hebben zij geen enkele relevantie’ (p. 100). Die verwijzingen (steeds onderaan de pagina) zijn meestal naar klassieke auteurs, zoals Aristoteles, maar ook naar de Ierse schrijver Cynan Jones (geboren in 1975), eerdere gedichten van Gerbrandy zelf, liederen van bijvoorbeeld Bob Dylan en ook zoiets als Het keienboek van P. van der Lijn. 

De verschillende afdelingen van de bundel worden begeleid door ‘liederen’, namelijk: ‘Het lied van de steen’, ‘Het lied van het bloed’, ‘Het lied van de adem’, ‘Het lied van de liefde’ en ‘Het lied van het licht’. De afdelingen zelf hebben de titels: ‘Lopen’, ‘Zwelgen’, ‘Reiken’,  ‘Zien’ en ‘Dromen’.

Thema’s uit eerdere bundels keren terug:

waartoe nog bouwen waar het water steeg? 
hoe zich te verhouden tot krakende gewrichten?
hoe hoop te kweken voor wie kogels raakten?
waartoe nog schrijven waar geen mens meer las?
(p. 9)

Over de angstdroom zegt hij dat die hem niet meer beangstigt, maar juist een weg vormt om in contact te komen

met alle mannen die ik ben geweest 
en die ik nog kan worden in de levens 
die ik steeds naast het mijne heb geleid.
(p. 10)

Een van verwijzingen is naar Plato’s Symposion met het verhaal over de mens die tweeslachtelijk en vierarmig was met twee gezichten, maar die door de goden door midden gesneden werd. De klassicus Gerbrandy denkt er als een dichter over na:

Je vraagt je af hoe zo’n tweevuldig wezen 
ooit in een bed de slaap zou kunnen vatten 
als het geen rug heeft en gehinderd wordt 
door dat verstikkend web van ledematen.
Je prijst jezelf gelukkig om de staat 
van halfheid die je steeds verlangen doet 
naar helften die nooit helemaal gaan passen.
(p. 22)

De dichter denkt in zijn leerdicht na over de keuzes die hij in het leven maakte:

Jouw jaren van extase zijn gevlogen.
Dit is je uur van inkeer zonder spijt 
of wroeging. Want bij elke duistere driesprong 
koos je naar geweten en verlangen.
Zelden kwam je uit waar je gedacht had 
maar altijd bleek de plek voor jou bestemd.
(p. 24-25)

In een prozatekst telt hij het aantal vrouwen met wie hij geslapen heeft, het aantal bedden waarin hij geslapen heeft, het aantal huizen waarin die bedden stonden:

Ruim veertigduizend uren hebben we in het oude [bed] doorgebracht. Slapend vrijend fluisterend en lezend. Met thee in de vroege ochtend. Een enkele keer met een kind of kleinkind tussen ons in.
(p. 26)

De prozateksten in deze uitgave zijn meer autobiografisch dan in de vorige bundels, met herinneringen die zestig jaar overspannen. Ook in de gedichten komen ze aan de orde, zoals zijn vader die soms in blinde woede kon ontsteken en jongeren die hem (zelf ook zeventien) zonder aanleiding in elkaar sloegen op straat:

Ook toen was wat je voelde slechts verbazing 
om wat een schot hormonen zich vergunt.
(p. 34)

In de verschillende secties van dit leergedicht worden de lichaamsdelen behandeld, zoals  voeten en borstkas. Over de mannelijke tepels schrijft Gerbrandy – die daarbij klassieke teksten aanhaalt en tussendoor de vraag stelt: ‘liep Plato ooit college in Egypte?’ – dat ze verwijzen naar ‘ontstentenis van heuse borsten’:

Jouw tepels delen hun onbruikbaarheid 
met staartbeen oorlel baard en blinde darm – 
waarmee bewezen lijkt dat aan de schepping 
geen zeer doordacht ontwerp ten grondslag ligt.
(p. 57)

Soms lijkt het of Gerbrandy met opzet een taal en zienswijze gebruikt die herkenbaar is van vertalingen van Griekse literatuur. Zo schrijft hij over de mond:

Gespierd en vochtig zijn de baksteenrode 
dorpels van de poort die toegang geeft 
tot het gewelf waarin jouw adem galmt 
en waar op tafels van geblutst ivoor 
de dis wordt toebereid die jou doet leven.
(p. 78)

De dichter stelt vast dat hij het beste kan verkeren in plaatsen die verwant lijken aan zijn geboortstreek, niet de stad dus, maar het platteland. Echter, het landschap in Nederland verkeert in slechte conditie:

Maar leven gaat je beter af in oorden 
waar velden door houtwallen zijn omarmd 
waar uiterwaarden slome koeien laven 
waar duinen zich verweren tegen zee.
[…]
Hoe lang zal het gebied waarin jij ademt 
nog stil en leefbaar zijn. […]
Is niet ook hier de bodem al steriel?
Mijden niet steeds meer vogels deze streken?
Ben jij nu nog bevoorrecht met je weelde 
en ruimte – die idylle is zo voorbij.
Geef je zolang het kan er maar aan over:
elk ingedronken uur kent eeuwigheid.
(p. 84)

Aan het slot van de bundel, als de dichter ‘deze droom besluit’, realiseert hij zich dat hij niet alleen zichzelf is ‘en dit ene leven leidt’, maar dat hij deel is van ‘een eigen collectief’, een gezelschap van mogelijke mannen, evenveel als het aantal nachten dat hij droomde:

De mannen die mijn andere wegen gaan 
ontwaken zelf uit dromen die een glimp 
vrij geven van wat ik mijn leven noem
[…]
Terwijl ik van hun parallelle levens 
steeds net voldoende beelden overhoud 
om hele de dag te kleuren met een peilloos 
heimwee om wat een cruciale wending 
had kunnen zijn maar afgebroken werd.
[…]
In al die levens ben ik niets dan dit.
(p. 98)