De gedichten van Ingmar Heytze, 2023-heden
Voor jou altijd alles (2023)
Omslag van Voor jou altijd alles
Het nieuwe ‘verzameld werk’ van Heytze – na Alle goeds uit 2001 – bevat de bundels die hij eerder publiceerde, onder weglating van enkele gedichten, met aangepaste gedichten en met niet eerder gebundeld werk dat tussen 1985 en 2023 links en rechts verscheen. Voorin wordt het voorwoord uit 2001, geschreven door Gerrit Komrij, opnieuw afgedrukt: ‘In de gedichten van Ingmar Heytze worden ouderwets en nieuw, traditie en populair, citaat en kreet met de grootste mate van achteloosheid verenigd. Achter zoveel achteloosheid gaat het hyperbewustzijn schuil van wat andere dichters aan het doen zijn en wat de dichters vóór hem hebben gedaan.’ (p. 5)
Een nieuwe inleiding werd geschreven door Ellen Deckwitz, met wie Heytze soms samen gedichten schreef onder het pseudoniem Ingwitz. Zij begint haar inleiding met de bekentenis: ‘Ingmar Heytze is een van mijn lievelingsdichters.’ Ze bewondert zijn veelzijdigheid en de slimme schakeling tussen ‘verschillende stemmen, invalshoeken en registers’ (p. 7).
De bundel bevat bovendien voor het eerst de tekst van zijn ‘officiële theaterdebuut De wanen uit 2022’ opgenomen.
Stad van licht en steen (2025)
Omslag van Stad van licht en steen
Van de stadsgedichten van Heytze verschenen verschillende edities. Utrecht voor beginners en gevorderden werd drie keer gedrukt en de laatste editie uit 2020 raakte uitverkocht. Heytze vond het toen tijd voor een strengere selectie: Stad van licht en steen. Het is tevens zijn eerste dichtbundel bij zijn nieuwe uitgever Van Oorschot. Slechts een klein aantal gedichten verschijnt hierin voor de eerste keer.
In het ‘Nawoord’ schrijft Ingmar Heytze:
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit uit mezelf een gedicht over Utrecht heb geschreven – het is allemaal werk in opdracht, maar wel over het mooiste, onuitputtelijkste onderwerp dat ik ken. Deze stad heeft me gemaakt tot wie ik ben, zeker als dichter. Op mijn beurt heb ik, hoe tijdelijk ook, het aanzien van de stad een beetje veranderd met een kleine twintig gedichten in de openbare ruimte.
(p. 109)
Een van die gedichten werd in 2021 door kunstenares Lonneke van Zutphen geschilderd op de gevel van het kantoor van de studentenhuisvesting SSH in de Biltstraat:
Hoe vaak je ook ging
Even vaak kwam je aan
Ieder spoor blijft bestaan
Waar je was legt je vastGeen stap die je zet
Wordt ooit overgedaan
Je bent hier nog niet weg
Of je komt er vandaan
(p. 99)
Het voordeel van stadsgedichten – zeker als het er zoveel zijn – is dat bijna geen verschijnsel in de stad zonder woorden blijft, zoals het gedicht ‘Frites’ kan aantonen:
Het mooist is een grote zak frites
op het plein. Niet om de blaren
met zout op je tong van het
veel te snel eten en blussen met saus:het mooist zijn de meeuwen
die aan komen sneeuwen
en elk patatje dat je opgooit
uit de lucht plukken, schreeuwend.
(p. 49)
Postkamer (2025)
Omslag van Postkamer
Het omslag van Postkamer lijkt op luchtpostpapier, met een lichtblauwe ondergrond en een gearceerde rand met rode en blauwe strepen. Het ontwerp is van de huisontwerper van uitgeverij Van Oorschot Christoph Noordzij. Alle titels in de bundel verwijzen naar een grote verscheidenheid aan epistels, zoals ‘Oude brieven’, ‘Huishoudbrief’, ‘Brief aan de filiaalchef’, ‘Eerste en enige kennisgeving’, ‘Brief met knipsels’, ‘Ansichten’, ‘Whatsapp’, ‘Spam’, ‘Dickpics’, ‘Verborgen bericht’ en ‘Dreigbrief’. Het boek opent met een ‘Brief aan de poëzie’ en sluit af met ‘Tweede en laatste brief aan de poëzie’. Relatief veel van de gedichten zijn prozagedichten: ongeveer een op de zes.
In het eerste gedicht ziet de dichter een ‘kleine vrouw’ aan een vijver staan. Een meeuw zit op haar capuchon.
Ik weet niet welke soort het was,
van meeuwen heb ik geen verstand.
Maar als het gaat om jou en mij
ben ik die vrouw.De meeuw ben jij.
(p. 7)
In het laatste gedicht wordt eveneens de poëzie aangesproken. Weer ziet hij de vrouw, nu anders gekleed. Nu zit de meeuw (dezelfde?) op haar hoofd. Hij maakt er een foto van.
Er waren zeker twee keer zoveel vogels als eerst,
meer soorten ook. Ze stond te stralen op haar tapijt
van eenden, ganzen, zwanen.In de trein bekeek ik mijn foto. Vreemd: haar kruin was leeg.
(p. 71)
Inspiratie en schrijven zijn het onderwerp van ‘Brief aan mijn volgende gedicht’ waarin hij terugdenkt aan de tijd dat hij vijftien jaar oud was, ‘zonder handschrift’ en een elektronische schrijfmachine kreeg.
Het geluid van horzels onder de toetsen,
het mitrailleren van kabouterhamers,
de openbaring: voor het eerst
verstaanbaar op papier –Waarna jij en al je inktgenoten
één voor één uit de olie van machinelint
tevoorschijn komen.Dat het eerst vanzelf gaat.
Dat-ie later zoeken moet.
Dat het meeste een vergissing is.Dat hij tikt en tikt alsof hij pas vandaag begon
maar altijd weer iets anders mist.
(p. 10)
Nu is hij een oudere schrijver, die op een leeg terras een kat vergeefs een merel na ziet jagen:
Met iedereen heb ik hier gezeten, katten en katers
en merels geleden. Nog even, dan ga ik even mank
als mijn vergelijkingen. Weer iets later hoop ik zingend
te verdwijnen naar de dakrand in je hoofd, als jij
(wie weet) dit leest, of mijn advertentie in de krant.
(p. 33)
In het midden wordt gelaten of dit een contactadvertentie of een doodsannonce is.
De thematiek, ondanks de gelijkschakeling van de titels, is niet anders dan in vorige bundels: het leven als gezinslid, de verhouding tot andere mensen, veranderingen zoals een verbouwing of het ingaan van de zomertijd.
Ik heb een dochter, zij erft de aarde, die zich in een hele kist
aan kleren hult. Wanneer ik vraag als wat ze zich
verkleed heeft, zegt ze: ‘Alles’.Wees alles voor hen, vandaag. Vazal en psychiater, moeder,
vader, rare oom, verrader – hun god aan wie ze later
vragen waarom hij ze heeft verlaten.
(p. 22)
Een aantal gedichten gaan over mantelzorg en vervolgens de dood van beide ouders. Over de eerste periode gaat het gedicht ‘Brief met gemorste thee’. De thee heeft hele woorden en regels onleesbaar gemaakt, ze zijn door dikke zwarte strepen doorgehaald. Deze gemorste woorden staan voor de woorden die de moeder zich niet meer kan herinneren. In ‘Dreigbrief’ wordt haar kamer opgeruimd en komt een bezoeker met lastige opmerkingen en vragen waarbij de ik-persoon zich moet inhouden. Op de vraag hoe ze is gestorven, wil hij van alles zeggen, maar dat doet hij niet:
Ik zeg: ‘Ze had last van doodgaan.’
(p. 61)
De bundel bevat als enige illustratie een foto van zijn moeder, ‘jonger dan wij, op een dag voordat iemand van ons was geboren’. Ze heeft een ‘schalkse blik’ en geeft ‘een luchtkus’ (p. 64-65).
In ‘Brief aan de materie’ schrijft de dichter:
Je bent het grootste probleem dat ik ken
[…]
Straks woon ik in dezelfde leegte,
gaan mijn moleculen huns weegs, een paar
kinderen met iets van mij in hun gezicht.
Je lost het niet op in een gedicht.
(p. 69)