De gedichten van Ingmar Heytze, 2012-2022
Vooromslag van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)
Ademhalen onder de maan (2012)
In januari 2012 verscheen Heytzes bundel Ademhalen onder de maan, de eerste bundel na zijn stadsdichterschap. De bundel werd gepromoot via een boekblogtournee: een uit Amerika en het Verenigd Koninkrijk overgewaaide ontwikkeling, waarbij een nieuw boek een virtuele reis maakt langs een aantal boekenblogs. In Ademhalen onder de maan slaat Heytze ten opzichte van zijn eerdere werk een andere toon aan. De bundel wordt door critici 'zwaarmoediger' en 'serieuzer' genoemd en ook Heytze zelf benoemt de sfeer van de bundel als 'minder vrijblijvend, minder vriendelijk'.
De bundel is in tegenstelling tot zijn stadsdichtersbundels ook beknopter (45 pagina's) en bevat meer nieuwe gedichten en minder eerder gepubliceerde gedichten. Het onderwerp van de bundel is het leven in de breedste zin van het woord, met gedichten over allerlei soorten levenservaringen: valkuilen, verdriet, absurditeiten, de dood, de liefde, geboortes en geluk. Heytze probeert zich in Ademhalen onder de maan in te leven in anderen.
De zwaarmoedige ondertoon van de bundel komt voor een deel voort uit het verblijf dat Heytze in de zomer van 2011 doorbracht als gast in een psychiatrische instelling in Den Dolder. Heytze schreef toen op verzoek een aantal gedichten over zijn ervaringen met het leven in de instelling en de bewoners. De gedichten over de instelling verschenen eerder als PDF-bestand onder de titel Atlas van wanen. Deze gedichten maakten deel uit van een multimediaal project in samenwerking met fotograaf/vormgever Anouk Prins en beeldend kunstenaar Peter van der Horst. Het gedicht 'Testpiloot' gaat over Heytzes gesprek met bewoner Saskia, die een man zoekt:
Het tragische aan ruimtereizen
is dat je nergens komt; een baan
om de aarde, een vlag op de maan.
Aan bestemmingen geen gebrek,het is alleen zo groot en leeg dat
groot en leeg de woorden niet meer
zijn. Je reist te traag, je leeft te kort,
je bent van stof en niet van licht.Toch zit ze naast me op de bank,
ze zoekt een man van buiten
met een auto of een brommer,
iedereen hierbinnen is gek.Ze was op weg, er waren stemmen,
vals en echt, de stad en andere drugs,
ze stak het huis in brand omdat ze
honger had. Ze werd gebruiktals testpiloot. Het contact met
de basis is verloren, ze reist verder
door behandelkamers, heerlijk nieuwe
werelden, haldol, fluanxol, clozapine.
(p. 14)
Soms lijken de gedichten meer op kort proza dan op poëzie, zoals 'Achter ons'. De angst van de hoofdpersoon resulteert in ongecontroleerde zinnen:
Jij weet toch ook dat elke richting die we inslaan zuiver neerkomt op vooruitgaan. Achter ons wordt alles alweer opgerold, steeds haastiger en efficiënter.
Vroeger mochten we niets merken. Dan werd er muziek ingezet, vanuit een raam aan de overkant. Of stralende meisjes, om ons de juiste kant op te laten kijken. Dat krijg je door, op een gegeven moment. Dan kijk je niet meer. Jij wel? Jij weet toch ook hoe het gaat. Jij weet toch ook dat de straat, het grasveld, onze vriendschap, deze lome zomerdag om in te zwemmen – dat die hele werkelijkheid waar we samen liepen, steeds minder geruisloos wordt afgebroken en steeds slordiger opgebouwd.
Jij weet toch ook dat de dag steeds dichterbij komt. De dag waarop ze een steek laten vallen en jij nét op tijd niet naar het meisje kijkt maar met een woeste ruk achterom. En dat je het plotseling ziet. En dat het, als je het eenmaal hebt gezien, onmogelijk is om het niet te zien. En dat ze weten dat jij het zag en helemaal geen moeite meer doen, behalve als er anderen in de buurt zijn, zodat niemand je gelooft.
(p. 15)
Uit 'Achter ons' spreekt angst voor het voorbijgaan van de tijd, alsof de hoofdpersoon achtervolgd wordt door mannetjes die zijn leven vooruit duwen en de geschiedenis achter hem 'oprollen'. Het leven lijkt in scène gezet.
Heytze speelt vaker met het concept tijd in Ademhalen onder de maan. In 'Je had een potlood in je haar' spoelt hij de film van een (voorbije?) liefde terug naar het begin:
De kop was eraf. Ik liep terug naar de deur die
ik met een doffe klap weer opendeed en hield
je (tranen, tranen) vast, we schreeuwden van
jij ook altijd en ja, maar jij…je duwde een briefonder mijn neus en ik fietste achteruit naar
het café dat net weer openging. Daarna begon
het grote geluk, hoewel steeds meer lieve kleine
dingen van ons samen in het niets verdwenentot die avond in de galerie, ik kreeg je nummer
en we praatten en we praatten en ik sprak je aan,
je draaide je van mij vandaan, ik zag je staan
in silhouet en was verliefd en wist niet hoe je heette.
(p. 40)
In ‘Offerandes’ spoelt hij de tijd juist vooruit om zich te beschermen tegen toekomstig leed:
Ik heb iedereen maar vast begraven, vrouwen en kinderen eerst. Vriend en vijand. Oude liefdes. Collega’s. Familie.
Ik ben zo slecht in afscheid nemen, ik heb geen talent
om te verdragen dat de mensen om me heen verdwijnen
op een dag, ongevraagd vervangen door gezichten die
ik niet herken. Als het moet, dan ook meteen maar
al die bekenden tegelijk, een plein vol kisten en ik
op een stoel, de Last Post – laat mij de laatste veteraan
van Verdun maar zijn, de jongste baby op de Titanic.
Later, wanneer ik doodalleen over het kerkhof scharrel
met mijn kar vol bloemen, bonkt en klopt het ondergronds tegen honderden deksels. Ze willen eruit. Ik begrijp dat, hurk neer, fluister sussende woorden. Het is beter zo,
voor hen, voor mij. Ik offer mij wel op.
(p. 36)
Ademhalen onder de maan is veel minder ironisch dan bijvoorbeeld Utrecht voor beginners (2009). Toch grijpt Heytze ook terug op zijn oudere werk. 'Maquette', dat is geschreven vanuit het perspectief van een 'bewoner' van een maquette, doet denken aan een gedicht over een 'bewoner' van Madurodam uit Elders in de wereld (2008):
Ik hoop dat het precies zo wordt, maar dan iets
groter. Verder alles graag hetzelfde. Dus: manshoge
stroken karton, de buurvrouw op de stoep gelijmd,struiken van elandmos, auto's als luciferdoosjes
langs de plastic vaart. Kijk, hier zit ik en daar sta jij,
voor altijd. Doen we ooit dat raam nog dicht?Nergens voor nodig. Wat een prachtig uitzicht,
zo'n tl-balk als een zeppelin van licht. Wonen we
werkelijk op een grote tafel in het heelal, zoalsmeneer pastoor beweert? Het zou de hoofden
in de lucht verklaren, drie paar ogen, gezichten
als hemellichamen – en de oudtestamentische vingeraf en toe, die ons wijst op de schaal van ons geluk.
(p. 17)
In 'Maquette' wordt even afstand genomen van het echte leven door het voor te stellen als een soort poppenspel. Het leven wordt in Ademhalen onder de maan vaak als moeilijk ervaren. Waar 'Maquette' het leven verkleind weergeeft, zoomt 'Madelief' bijvoorbeeld pijnlijk in:
Madelief, je was een puzzel die niet klopte,
onbestaanbaar DNA. Links en rechts ontbrak
de adem, ruggengraat verkeerd bezorgd.
Er viel geen leven van te maken.
(p. 34)
Maar niet alleen de zware dingen van het leven worden belicht. De zwaarmoedigheid van de bundel wordt af en toe verlicht door een gedicht over het ‘gewone’, alledaagse leven. 'Over en weer' gaat over twee buren, een verhuizing en een verbouwing:
Achter het zolderraam tegenover mijn huis
gaat na een half jaar het licht weer aan.
Zou ze terug zijn, het meisje met de blonde krullen
dat elke donderdagavond jurkjes stond te passenvoor de spiegel? In een ooghoek kwam ze uren
later thuis, ontkleedde zich en ging naar bed.
Soms zwaaide ze. Nee, ik ging er niet speciaal
voor zitten, en als ik over de vensterbank keek
kwam dat omdat ik om haar gaf, hoewel
we elkaar op straat voorbij zouden gaan.In de kamer staan drie mannen in pak.
De eerste schijnt in het rond met een bouwlamp,
de tweede wijst hoe alles anders wordt. De derde
staart naar mij, in kamerjas, achter mijn raam.
(p. 11)
Ik wilde je iets moois vertellen (2018)
Omslag van Ik wilde je iets moois vertellen
Tegenover de vrije vertaling van een gedicht van Billy Collins (uit Sailing Alone Around the Room, 2001) zet Heytze een eigen gedicht: ‘Stilleven’. In het eerste kijken de doden toe op de levenden:
Ze kijken naar onze kruinen die beneden
over de aarde bewegen. Wanneer we gaan liggen
in een veld of op bed,
[…]
denken ze
dat we terugkijken.Ze tillen hun roeispanen op, drijven muisstil uit
en wachten als ouders boven een wieg
tot we onze ogen sluiten.
(p. 8)
Die wieg is een toevoeging van Heytze, die komt bij Collins niet ter sprake. In ‘Stilleven’ is het andersom. Daarin kijkt de ik-persoon uit op een kleine tuin en naar de doden onder de zerken op het kerkhof daarachter:
Tussen mij en de doden, ten slotte
alleen de vuurvlieg van dit gedicht, een raam
op de sterren, de schim van mijn eigen,
van onder verlichte gezicht.
(p. 9)
Over zijn huis dat oud is schrijft hij:
Men voegt wat scheurt, lakt weg wat rot,
men broddelt door. Ik heb gene keus,
ik ben niet af, het huis is nog
niet klaar met mij.
(p. 10)
Op de tegenoverliggende pagina staat ene gedicht over het moderne huis van een gestorven kennis:
De ruimte zou ik zelf wel willen,
klein en schaars zijn mijn vertrekken, iedereen in onze straat
leeft met een meetlat in de hand.
(p. 11)
Dit soort huiselijke beelden typeren de gedichten van Heytze, die bijvoorbeeld na een slapeloze nacht noteert dat hij opstaat met ‘ledenmaten uit proportie’ (p. 13). In ‘Tussentijdse reportage’ spreekt hij over zijn gitaarverzameling: ‘ik spaar nu eenmaal zaken die zich louter in de lucht tussen die snaren en het hout bevinden’ (p. 15).
Het vaderschap is een voornaam thema in deze bundel. Hij noteert in een gedicht (een van vier prozagedichten) dat zijn dichtersleven zich nu afspeelt op zolder, als vrouw en kinderen slapen en hij wacht op een metamorfose:
De meeste vaders leven uit het lood.
[…]
Onderhuids huist een andere man, wachtend
tot er iets gebeurt, het scheuren van het weke vel.
[…]
Hier en daar brandt laat nog licht.
Daar zet een vader zijn leven recht.
(p. 14)
Het vaderschap roept een oude bekende op: angst:
Ik lees je in de ogen van mijn kind.
Ik zag je in het laatste masker van een vriend.
Je loert uit alle hoeken tegelijk of ik wel kijk.
(p. 18)
Er zijn gedichten over bewonderde persoonlijkheden, zoals Remco Campert, David Attenborough en Menno Wigman. Enkele ‘in memoriams’ gaan over missen: één waarin iemand een dode mist en hem opbelt en dan ‘gaat zes steken diep een ringtone af’ (p. 39) en een ander gedicht waarin iemand in een onbewaakt moment wegloopt van een gesprek en ‘vanachter een struik staat te kijken hoe dat is, worden gemist’ (p. 41).
Er zijn ook gedichten over groepen (zoals kinderen van vluchtelingen in Zweden die te horen kregen dat ze het land moesten verlaten), gedichten over kunstwerken (‘Petten’), archeologische vondsten (‘Venus’) en universitaire depots van foetussen op sterk water (‘Siamese dreams’).
In ‘Bijvangst’ spreekt Heytze over gevoelens als weemoed en woede.
Van weemoed heb ik geen verstand.
Van woede wel, dat vat vol overdruk
zonder ventiel, de manometer door het rood
en wie dan kijkt denkt dat er weinig aan de hand is.Ik weet ook bijna alles van verdriet. Luister goed.
Verdriet is een ijsblauw bergmeer dat steeds voller raakt
maar grauwe wolken huilt en zo nooit overstroomt.
(p. 36)
Maar weemoed is ‘bijvangst’, het zit in alles wat je achterlaat – zoveel verstand heeft hij er dan toch wel van:
Weemoed is vermoeden dat je nu al terugverlangt
naar alles wat pas later vroeger was.
(p. 36)
In het laatste gedicht, waaraan de bundel de titel ontleent, keert Heytze terug bij het thema van zijn kinderen die ’s nachts wakker worden en in zijn armen hangen:
In zomernachten kan ik sterren horen vallen,
het geluid van een feest waar ik nu had kunnen zijn
[…]
Ik wilde je iets moois vertellen, niet over het donker
waar we heen gaan, hoe de wereld stopt
met draaien, vlam vat, valt –ik wilde je iets goeds vertellen,
over hoe jij groter wordt en mooier,
dat ik doodga van geluk om jouw bestaan.Ik wilde je iets moois vertellen maar je slaapt.
(p. 42)
Wat bleef (2020)
Omslag van Wat bleef
Bij uitgeverij Loopvis in Arnhem verscheen in 2020 een nieuw deel in de reeks ‘Kakkerlakjes’, geïllustreerde brochures met één gedicht, in dit geval ‘Wat bleef’ van Ingmar Heytze. De illustraties zijn van de schilder Maartje Jansen.
Het gedicht gaat over de wereld waarin de natuur het overneemt van de mens en zijn dingen:
Een voor een gingen de dingen op vakantie.
Auto’s groeiden vast aan het asfalt,
winkelcentra raakten leeg.
(p. [2])
In de tekeningen vervagen de menselijke figuren en ontstaat ruimte voor enorme waterplanten, tuinen raken overwoekerd, op twee mensen na: een vader en een zoon bij hun huis:
Wat bleef: een kleinere wereld om te bewonen,
een hemel vol vogels en sterren, het geluk
van wie bestaat om te bestaan.
(p. [15])
Het is niet zozeer een ondergangsgedicht, als wel een geruststellend verhaal van een vader en tegelijk een beeld van hoe een jong kind kan fantaseren en de wereld om zich heen ervaren. Intussen is het een vooral een gedicht dat de curieuze wereld van de Coronapandemie beschrijft.
Dit gedicht werd later opgenomen in de bundel Met wat geluk (2022).
De honderd van Heytze (2021)
Omslag van De honderd van Heytze
Deze bloemlezing uit eigen werk bevat, volgens de titelpagina ‘zijn beste gedichten, zelf gekozen en toegelicht’. Elk gedicht wordt inderdaad voorafgegaan door een verhaaltje, de keuze is niet door een andere bloemlezer gemaakt, maar het eerste is voor interpretatie vatbaar. Wat zijn de ‘beste’ gedichten van een dichter. Zijn meest populaire gedichten, gedichten die bij begrafenissen worden voorgelezen of bij huwelijken, gedichten die het meest geciteerd worden of door collega’s bewonderd? De keuze in deze bundel is een andere. Het zijn de gedichten die Heytze in dertig jaar optredens voor kleine en grote zalen, vrijwillig en onvrijwillig publiek, betaald of onbetaald, het beste zag werken:
[…] waarom zou je mensen vermoeien met iets anders dan je beste werk? Hoe langer en hoe vaker ik optreed, hoe meer ik moet toegeven dat er gedichten zijn die ik altijd graag doe, en beter voordraag dan de rest. Ik heb een stuk of zevenhonderd gedichten gepubliceerd in eigen bundels, en nog wel wat meer in tijdschriften en andere media. Ieder voor zich kunnen ze passen bij een specifieke situatie (‘het was wat de wedstrijd nodig had’), maar daarvan zijn er ongeveer honderd die bijna altijd werken.
(p. 7)
Maar dat betekent niet dat Heytze als ‘podiumdichter’ beschouwd wenst te worden: ‘Ik schrijf graag gedichten die je na lezing aan iemand wilt voorlezen, en na beluistering wilt nalezen’ (p. 110).
Bij zijn optredens improviseerde hij soms inleidingen en die zijn bij deze honderd gedichten uitgewerkt tot introducties. Dat maakt deze bloemlezing tot een belijdenis, een getuigenis en een vorm van autobiografie.
De herinneringen gaan bijvoorbeeld over zijn eerste lawaaierige typmachine of een vakantiehuis in de polder, waar hij zijn befaamde ‘Vos onder ijs’ waarnam:
De vos is me altijd bijgebleven. […] Al in de vierde klas schreef ik er dit gedicht over, wat enerzijds bijna onvoorstelbaar is voor een zestienjarige en anderzijds een beetje sneu, omdat ik het volgens sommige critici uiteindelijk nooit meer heb overtroffen.
(p. 12)
Heytze gaat ook in op wat leerlingen hem schrijven en belicht waarom hij graag in openbare ruimtes schrijft, hij licht het belang van retorica toe, waarom een dichter nieuwsberichten kan verzamelen en waarom hij zich elke tekst mag toe-eigenen, ook al resulteert dat in vertalingen die uit jaloezie geboren zijn. Uit sommige commentaren blijkt zijn bewondering voor andere dichters, nog het meest direct in: ‘Menno Wigman was de beste dichter van mijn generatie’ (p. 176).
Intussen geeft hij over zijn poëtica prijs dat ingewikkelde en meer geordende poëzie feitelijk hetzelfde nastreven: ‘In alle gevallen kan er een tekst van komen die het mysterie van het bestaan aanraakt. Ik begin steeds sterker te vermoeden dat dat de belangrijkste eigenschap van alle kunst is’ (p. 54).
Voor het schrijven van een gedicht heb je niets aan ‘een overstromend gemoed’, zegt Heytze. Wat nodig is zijn: ‘techniek, vormbewustzijn, inzicht en een grote trukendoos vol foefjes die je onderweg leert en die soms nauwelijks zijn uit te leggen’ (p. 130). Dat komt de dichter van pas als hij een opdracht voor een gedicht ontvangt en dat overkwam Heytze met grote regelmaat:
Een van de vreemdste opdrachten ik ooit kreeg, was een verzoek van Vroege Vogels om een gedicht te maken over een roadkill en dat voor te dragen voor een filmpje. Ik mocht zelf kiezen welke platgereden diersoort ik wilde verdichten. Het werd de egel, want die behoort samen met de uil tot mijn favoriete dieren.
(p. 202)
Van het een kwam het ander – van egels ging het gesprek tijdens de opname over op hazen – zo belandde deze inleiding uiteindelijk bij het gedicht ‘Hazen’. Over zulke opdrachten schreef hij bij een ander gedicht:
Gedichten in opdracht van particulieren schrijf ik niet vaak meer, om allerlei redenen, waaronder de lulligste van allemaal: geld. Een gedicht voor een bedrijf of instelling is evenveel werk als een gedicht voor een bruidspaar, maar een particulier kan ik niet met droge ogen hetzelfde bedrag vragen.
(p. 206)
Met wat geluk (2022)
Omslag van Met wat geluk
In ‘Vroeger’ wordt het verleden van een mens voorgesteld als nest met puppy’s. Je haalt er een in huis en
ze groeien je huis uit als marshmallows
in een magnetron
(p. 9)
En ‘vroeger’ neemt op die manier je hele huis over:
hoe vaak staat er geen bericht over iemand die opeens
omsingeld was door vroeger, de trap niet meer af kwam,
de zolder op gedwongen, vergeefs rammelend aan
het dakraam dat al van buitenaf werd dichtgedrukt,
een verschrikkelijke door – stikken in een verleden
dat je nietsvermoedend in huis hebt gelaten
(p. 9)
Met een toename aan ‘vroeger’ komen ook meer doden in je leven:
Zij komen thuis in fotoalbums,
spiegelpaleizen, letterbak.
[…]
Zij zijn de splinters
die je uitdrijft door te leven.Anders niet.
(p. 19)
Het verloop van de tijd begint voor de ouder wordende dichter te tellen, die een opmerking van de auteur T.H. White aanhalend, zegt dat het goed is om je leven soms toe te vertrouwen aan anderen:
We aan niet louter omlaag of omhoog door de tijd:
we zijn buizenpost en paternosters. Wij kunnen ook opzij.
(p. 10)
Die behendigheid – niet maar één richting op denken of doen, maar flexibel blijven – kwam in de jaren van de Coronapandemie goed te pas, een tijd waarin op een andere manier kon worden gekeken naar de almaar in aantallen groeiende mensheid: ‘we zijn een virus dat een virus heeft gekregen’ (p. 15). In ‘Evolutie’ werkt hij dat idee verder uit:
de wereld heeft ons nergens voor nodig, |
draait verder naar een toekomst
waarin wij als voetnoot
achterblijven.
(p. 22)
In een prozagedicht somt Heytze allerlei zaken op die tijdens de pandemie hadden kunnen gebeuren (een aanslag op de premier, de vlucht van de koning naar Rottumerplaat) en soms in andere vorm gebeurden (bedreigingen van politici, een koningsvakantie in Griekenland):
We hielden kantoor in slaapvertrekken. We belden op toen dat nog
kon, alleen maar om te zeggen ben je er nog, ik ook. We herontdekten
kelders en conserven. […]
we kwamen erdoor,
we deden wat we konden, we pasten op elkaar.
(p. 14)
Dat ouderdom niet hoeft te leiden tot stilstand of andere vormen van pensioen blijkt uit het gedicht over Paul McCarthy bij diens tachtigste verjaardag:
Jij kent zijn refreinen, hij zingt alsof je alles wat je kon
nog altijd kan. Zo moet het blijven. Stop niet te vroeg, stop
steeds te laat. Kraai door als een baby met ouderdomsvlekken,
een, twee, bijna drie levens over de datum voor een rockster.
Wat dan nog? Klink op zolang zijn hart nog slaat.
(p. 24)
In een van de gedichten vergelijkt hij zichzelf met een vriend die op hem lijkt:
Wij kregen louter dochters,
blij dat het geen zonen zijn.Ik vocht alleen tegen mijzelf,
hij sloeg kroegen kort en klein.[…]
Ik word voor zacht en goed versleten.
Mijn vriend weet beter. Hij sloeg
naar buiten, ik naar binnen.
(p. 35)
In het verlengde hiervan staat in het gedicht ‘Zijn is een werkwoord’:
Het lijkt me beter dat iemand
anders mij een tijdje is. Dan kan ik
intussen een ander zijn, of misschien
zelfs helemaal niemand – niemand
is het veiligst, zo weet ik zeker
dat ik mij niet ben.
(p. 36)