De gedichten van Frank Koenegracht, 2004-heden

Lekker dood in eigen land (2011)

Vooromslag van Frank Koenegracht, Lekker dood in eigen land (2011)

Na de verzameling Vroege sneeuw (2003) verscheen pas in 2011 weer een bundel met nieuwe gedichten, getiteld Lekker dood in eigen land en geïllustreerd met tekeningen/aquarellen van Koenegracht zelf (waaronder een illustratie van 'Collega Freud'). Deze dichtbundel is een herkenbare herhaling van het procedé Koenegracht: bekende thema’s als dood, geestesziekte en humor keren terug. Ook Koenegrachts stijl– door Elsevier (19 november 2011) schertsend samengevat met '[b]eetje humor, beetje weemoed, beetje absurdisme' - bleef onveranderd.

Koenegracht opent Lekker dood in eigen land meteen met een reflectie op zijn trage productie in het gedicht 'Drie vaders':

De derde zei hoe gaat het met u,
schrijft u nog gedichten? Geeft niet.
Dichters moeten soms lang zwijgen.
(p.7)

Daarnaast zijn er als vanouds veel epigrammen in Lekker dood in eigen land opgenomen. 'Epigram. Voor Leen Joele' is hier een voorbeeld van; dit gedicht eindigt met een geëngageerde strofe:

Aan de grenzen van de stad
waar het altijd waait
wonen de meisjes met de gezichtjes
en de ronde ogen, amandelvormige

en vooral de rustige ogen.
Tussen hen woont de heer Leeuwerik
van het ministerie
die ook niet weet waar dagen voor zijn.
(p. 8)

Dit epigram vertoont de door Koenegracht gebruikte techniek van woordherhaling ('en de ronde ogen, amandelvormige / en vooral de rustige ogen'), net zoals dat in het gedicht 'Winter' wordt gedaan, al meteen in de eerste regel:

Het vroor en alles was bevroren,
maar het kleine meer tegenover
het fabriekje walmde een beetje
rond het bord Verboden Te Zwemmen.

Het water lag er warmpjes bij,
maar het fabriekje had het koud.
(p. 9)

In Koenegrachts gedichten zijn de dingen bezield; ze worden als personen voorgesteld, met gedachten en gevoelens, zoals het fabriekje dat het koud heeft. Dit stijlmiddel, personificatie, komt ook voor in 'Endegeest revisited revisited', waarin een handeling (picknick) en een seizoen (lente) worden gecombineerd:

Lente picknickt op een open plekje.
(p. 16)

Koenegracht maakt ook vergelijkingen tussen zaken die op het eerste gezicht niet voor de hand liggen. Zo beschrijft hij de overeenkomsten tussen curling en de psychoanalyse:

Er bestaat nog een vereniging
waarbij men achter de steen veegt
en wrijft en poetst.
Dit is de vereniging voor psychoanalyse.
(p. 33)

Koenegracht hanteert niet een strakke, eenduidige vorm en schrijft gedichten van verschillende lengte. Het kortste gedicht is maar één regel lang. De titel is langer – en het verschil tussen de lengte van de titel en de dichtregel (een woordgrap bovendien) werkt humoristisch. Het gaat om 'Uiterst kort gedicht met politieke strekking':

De turkse tortels koerden.
(p. 13)

Qua humor sluit de bundel aan bij de rest van Koenegrachts oeuvre. Vooral het zogeheten 'light verse' komt in deze bundel veel voor, zoals het gedicht met de veelzeggende titel 'Light verse', waarvan de term 'hypochonder' doet denken aan de imaginaire dieren van C. Buddingh’s nonsensgedichten, zoals de blauwbilgorgel:

De waarachtige hypochonder
krijgt altijd op zijn donder
zowel van boven als van onder.

Hij schrijft een ochtendlied:
Haal ik de avond niet
beschouw dit dan als avondlied.

Ongemakkelijk leeft de hypochonder.
Hij heeft wel een voordeel.
Hij is zijn eigen laatste oordeel.
(p. 15)

Het is duidelijk dat de absurde humor de boventoon voert in Lekker dood in eigen land, maar deze humor wordt losgelaten op serieuze onderwerpen als geestesziekte en dood. In 'Epigram. Voor Rudy' verandert door de dubbelzinnigheid van de 'je'-persoon – is het de auteur of de aangesprokene? – de dagelijkse werkelijkheid in een spookwereld waarin de directe gevolgen van de dood – iemands afwezigheid – zowel absurd als pregnant doorklinken:

Als je dood bent op een dag
blijven de lampen rustig in hun fittingen
en ook de wc kan je gewoon doortrekken.
Wel voorzichtig want
het vlottertje werkte al niet goed.
Alles doet het nog: bijvoorbeeld
de overdrijvende wolkenvelden
en de matige tot krachtige tijdelijk harde
tot zeer harde wind uit uiteenlopende richtingen.
(p. 12)

Dezelfde dubbelzinnigheid komt terug in het eerder aangehaalde 'Drie vaders'.

Ik heb drie vaders.
De eerste zei nu heb ik je
laten studeren maar daardoor kunnen we
niet goed meer praten. Ik vergat hem.
De tweede zei kom maar, kijk
daar staan twaalf kromme perenbomen
onder de maan, het is feest,
daar zijn de meisjes. Hij vergat mij.
De derde zei hoe gaat het met u,
schrijft u nog gedichten? Geeft niet.
Dichters moeten soms lang zwijgen. U bent
dokter nietwaar, zou u eens naar mijn
zieke karper willen kijken? Hij heeft
een soort schimmel.
Dit zijn mijn drie vaders.
(p. 7)

De ik-persoon wordt door zijn eerste vader aangesproken met 'je'; hij 'vergeet' zijn vader na zijn studententijd. De tweede vader lijkt in de war te zijn, bevangen door de jeugd en de natuur: 'Hij vergat mij'. De derde vader spreekt zijn zoon met 'u' aan en vraagt hem naar zijn zieke karper te kijken. De drie vaders en de verschillende aanspreekvormen laten de ontwikkeling zien van een vader-zoonrelatie, waarbij de nadruk ligt op de laatste periode waarin de vader dementeert.

Alle gedichten (2019)

Omslag van Alle gedichten

De boekband van Alle gedichten bevat een afbeelding van ‘Collega Freud’, een schildering van de auteur Frank Koenegracht zelf. De editie bevat alle illustraties die de auteur maakte bij zijn voorlaatste dichtbundel, Lekker dood in eigen land uit 2011. Na de herdruk van alle eerdere bundels volgt een afdeling ‘Verspreid werk’ met 21 gedichten die niet eerder gebundeld werden. Wel werden sommige daarvan eerder gepubliceerd in tijdschriften, maar bijna de helft is voor het eerst gepubliceerd in Alle gedichten. Daarmee geeft Koenegracht aan dat hij niet is opgehouden met werken.

Ik heb een groot aantal slechte gewoonten 
en zwakheden en ik zal ze noemen.
Ik luister naar niemand behalve naar iemand 
die meer weet.
Ik lul altijd door alles heen en volg mijn eigen 
gedachten, ik rook en drink te veel, ik wil nooit ergens 
heen waar het gezellig is
[…]
                        Ik ben niet geïnteresseerd 
in wat vrouwen denken, het kan mij niet schelen 
wat vrouwen in vrouwenboeken schrijven 
en ik slaap te veel.
(p. 227)

Ook al wordt dit geschreven door iemand die zegt dat hij gedichten schrijft ‘die bijna niemand leest’, we kunnen in deze persoon niet zonder meer de auteur herkennen, een psycholoog van oorsprong immers, maar ook dichter – en dat maakt het gedicht ongemakkelijk. Wie is hier dan wel aan het woord en zou je zo iemand het woord moeten gunnen en een podium geven?

Over mensen in het algemeen citeert de dichter zijn vader: ‘hou je eigenlijk wel van mensen’?

En ik dacht: ach de mensen hebben 
zachte lippen en kinderen, zijn wijdverspreid, 
kijken je vreemd aan,
struikelen, vallen, liggen stil.
(p. 231)

Mensen als buitenaardse wezens, vreemdelingen, kortom, die nieuwsgierig maken. In ‘Meiregen tweede staat’ bekent hij:

Wat is er aan de hand? Ik begreep 
de buurman niet, de mensen niet 
en niets van de winkels die ze dreven.
(p. 235)