De gedichten van Eva Gerlach, 2016-heden
Ontsnappingen (2016)
Omslag van Ontsnappingen
De bundel Ontsnappingen wordt gepresenteerd als het tweede deel van het drieluik ‘Labyrint’. Het is een vervolg op Kluwen uit 2011 en gaat vooraf aan het derde deel, Oog, dat verscheen in 2019. Ging het eerste deel over tijd, het tweede gaat over ruimte (ruimte om naar te vluchten) en het derde neemt samenhang als thema, volgens de uitgever.
De bundel bestaat uit negen afdelingen van vijf of zes gedichten, waarvan er twee genummerd zijn. Soms beginnen de titels met kapitalen, vaak niet. Opvallend is dat de laatste afdeling genummerd is van 5 tot 1. Deze gedichten met als titel ‘voet’ gaan over een ziekenhuisbezoek. De dichter zit aan het bed van een patiënt, haar moeder, en neemt een van haar voeten in de hand.
Je voet was niet meer gezwollen
zoals al jaren en jaren
hij was zomaar ingevallen,
breekbaar, onhanteerbaar.
(p. 73)
De gedichten zijn omgekeerd genummerd, omdat het aftellen is begonnen. Het leven van de patiënt zal door euthenasie worden beëindigd. De dichter herinnert zich de voeten van vroeger:
Ik zag je voeten van vroeger;
pezig, echter dan echt
[…]
Ik zag ze een avond laat rennen
naar het schuifraam, dat open stond,
het onweer sloeg erdoor binnen,
je trok het pinnetje los
en het raam viel op je vinger.
Het bloed had nog niet die naam,
ik kon nog nauwelijks praten,
je keek me alleen maar aan.
(p. 75)
De manier waarop de twee elkaar destijds aankeken herhaalt zich vlak voor het levenseinde. Daarna bekijkt de dichter de voet, stopt hem terug onder de deken, maar blijft nog zitten. Als wachtend op iets. Maar het is het einde van de bundel.
Ontsnappingen bevat voornamelijk observaties, van bijvoorbeeld reizigers in de trein, of van dagelijkse ervaringen, maar in gedichten over ouderdom en dementie wordt de sfeer minder afstandelijk, eerder surrealistisch. De moeder zegt: ‘dat erge vergeten | dat zijn geesten, die eten mijn hoofd leeg’ (p. 17); een zekere meneer Touba kan haar, tegen betaling, nieuw maken:
Alles is altijd hier, zegt meneer Touba,
doet u gewoon wat ik zeg en alles komt bij u terug.
(p. 18)
Maar de woorden komen niet terug: moeder weet niet meer hoe de woorden moeten bewegen in de mond. Meneer Touba, een tafelkleed over zijn schouders, voltrekt een ritueel dat anders verloopt dan hijmwil, want de moeder ziet haar overleden man verschijnen en Touba vlucht weg.
Het stormt in de kamers, een zucht uit het hout zo geweldig,
de vloer laat los, het huis rijst als een brood,
de verf barst, alle ramen knallen open
In een andere reeks schrijft Gerlach over de geliefde:
en zo is liefde (dicht bij de grond en zonder
woorden), helder, elke dag
meer op de tast, zo’n beetje zoals hij
zich scheert, zoals zijn huid hem past
hij mij
(p. 27)
Anders dan deze domesticale en persoonlijke gedichten is een reeks gedichten over oorlog, waarschijnlijk de burgeroorlog in Syrië. Daarin worden de handelingen vooral bekeken vanuit het perspectief van kinderen.
Toen iedereen dood was begon ik hier voor mezelf
met mijn AK-47 mijn broertje van staal,
niemand komt me hier wassen en kammen en ik haal voor niemand
meer hout, alles komt van de soldaten.
(p. 65)
Deze kinderstem vertelt over het schieten op lakens, waarmee mensen worden bedoeld, over het doodbloedende familieleden in auto’s, over het beschermen van jongere kinderen en over het niet meer verdwijnen van de oorlog:
hadden ze al een huis gevonden, alles
neergezet, water gehaald,
gekookt, geveegd, we wilden bij ze zijn
daar waar niemand nog bang was, dus we liepen
harder en harder en alles liep mee,
de scherven en het geluid en de armen en benen
los in het rond en hoe het rook naar de brand
van toen we begonnen te lopen, dat het niet over,
dat het nooit achter ons maar
altijd voor ons […]
(p. 69)
Oog (2019)
De illustratie die bij elke afdeling in deze bundel wordt afgebeeld is geen schematische weergave van een oog, zoals wel is gesuggereerd (en waarop de flaptekst ook lijkt te wijzen), maar een wiskundige figuur uit de rekenkunde: de zogeheten Fibonacci-spiraal. Het is een fractaalvormig opgebouwde spiraal van vierkanten binnen de gulden rechthoek. De acht vierkanten vormen een fractale reeks, waarbinnen de Fibonacci-spiraal wordt gemaakt met kwartcirkelbogen.
-
De Fibonaccispiraal
Omslag van Oog
In de bundel is steeds een van de halfcirkels grijs gekleurd; en dat gebeurt van groot naar klein totdat in de negende afbeelding het centrum is bereikt en geen grijs vlak meer zichtbaar is. De laatste afdeling heet ‘Oog’ en behelst een tekstloze pagina, alsof we in het stille centrum, het oog van een orkaan zijn beland (zoals afgebeeld op het omslag). Maar feitelijk illustreert de afbeelding dus iets anders, namelijk het voorkomen van fractalen in de natuur. Fractalen hebben een oneindige hoeveelheid details, waarbij vormen en motieven zich op steeds kleinere schaal herhalen. Elk detail bestaat dus weer uit nieuwe details en dat gaat door zonder einde. Er is nooit een definitieve vorm te tekenen. In de werkelijkheid betekent het dat niets helemaal te bevatten is, dat er altijd kleinere kernen lijken te zijn die aan onze waarneming ontsnappen.
Waarnemen en herinneren zijn altijd thema’s geweest in het werk van Gerlach.
In de eerste reeks wordt een ‘gevlogene’ aangesproken, en iemand ‘die ik de lichtste dacht valt als nacht op me’ (p. 9) en alles lijkt achter de horizon te verdwijnen:
Ja ook onze ogen
Alles wat vasthoudt en vangt
over de horizon
(p. 12)
De vrouw heeft het huis verkocht, ‘de vogels losgelaten, dat de kat nog.’ Die laatste zin is onaf, zoals haar verrichtingen dat zijn:
Voortaan bij eerste licht van maan naar zon
haar boot, scherp uitgelijnd, nooit aangemeerd,
non-stop van heen naar weer tussen de palen.Wie vroeg genoeg is ziet haar zitten, voor-
overgebogen, ellebogen op haar
knieën, handen op haar orenom het krijsen van de Ene niet te horen
(p. 13)
Gerlach laat met opzet het woord ‘ogen’ steeds weer opduiken in deze regels, zoals in ‘ellebogen’.
Waar je bent hier (omdat ik je hier niet
zoek waar ik sta met dit hoofd
dat ik niet ken niet ben maar nooit inruil) waarin jeme niet ontdekt dacht ik maar nu weet ik dat niet meer zo
zeker (ben je niet iemand die altijd
zwijgzamer is dan zelfs het spierwitste oogwit)
(p. 15)
In een van de gedichten wordt gesproken over ‘samenhang’: ‘Het is niet zo dat samenhang een voorrecht’ is, maar ‘het is dat de tijd niet opschiet’. Dan volgt een beeld van een vrouw tussen ‘brokken huisraad’ die zich afvraagt of dit haar huis is en voor hoe lang?
Voor zo lang als je samenhangt, voor zo
ver je adem reikt, voor hoe
taai verdriet. Kijk niet.
(p. 20)
In de tweede sectie (‘Glans’) is er sprake van verschroeien, steigeren, breken en van geweld:
Als het zo glinstert in je vroegte alles
en je je hand uitsteekt me bij je neemt
en slaat en slaat en alle scherven zoglinsteren en ik denk dat ik je zie
een brand in elke scherf ik zoek je niet
ik heb je nooit gezocht je doet je voor
(p. 36)
Een streven naar compleetheid lijkt onhaalbaar:
Bijna zover bijna compleet Kom trek
je lichaam aan we moeten eropuit
(p. 38)
Gerlach spreekt over een ‘leesbaar geheugen’ (p. 41), maar een ander is even onbereikbaar als gesloten:
alles wat ik probeerde maakte je dichter.
Toch, uit de sluiting van alles waarin je woonde
drong je glans, draaddunne straal van het licht dat je zaait,
voldoende om je te lezen (1 cijfer per eeuw)
maar ik vergeet wat ik lees, nooit tel ik je op
(p. 45)
In een ander gedicht staat een partner zich te wassen en lijkt de zin van alles te zijn dat heelal, ik, hij en alles samenvallen:
Iemand spuugt dood uit, staat op, laat een kraan lopen, hoest
en ik zie je bukken nu je je oksel voor oksel
voet voor voet wast, in elk vel dat ooit op je zat
voorhuid terugduwt, tenen spreidt, oorschelpen omklapt.
Het zijn niet gaat over iets
dan er zijn, je adem een hoest lang een lied
lang bewaren zoals ik je vasthoudt hier bij de wasbak
met alles wat in me zoals ik de wereld en alles
wat daarin is door elkaar als het haar op je hoofd
in mijn handen zolang je zolang ik hart je bewaar.
(p. 63)
Een gedicht later, in de vijfde sectie, is een man gestorven en breekt de storm los:
Je kwam zo over me, de glazen vlogen
van tafel, het brood woei uit mijn mond, je gierde
zwijnachtig in het langsgaan, ik verstond
laat me niet maar er was geen redden geenbeginnen aan je zitten opstaan je
razende onverstand zwiepende haren
het platgeslagen gras het klokgelui
Je vel schoot los je ogen braken uitIk praatte met je in je dode taal
riep je naam zei ga liggen kom ga daar
liggen en je kwam daar je lag daar
zoals je naast me lag de laatste nacht
(p. 69)
De bundel besluit met deze regel in het laatste gedicht:
wrijven we dood uit elkaars lichaam weg
(p. 81).
De afdelingen bevatten steeds minder gedichten want het ordeningsprincipe ervan wordt bepaald door de reeks van Fibunacci, waarbij een volgend getal steeds de som is van alle vorigen: 0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21. Gerlach plaatst de reeks andersom en begint met 21 gedichten, dan volgen de sectie twee tot en met zes met 13, 8, 5, 3 en 2 gedichten. De laatste drie afdelingen behelzen 1, 1 en 0 gedichten. De reden achter die witte slotpagina is dus ook een wiskundige.
Hier (2022)
Omslag van Hier
De negen afdelingen van Hier bevatten tussen de drie en zeven gedichten per stuk. De titels daarvan zijn kort en geven plaatsaanduidingen (‘Plaatsen’, ‘Huis’, ‘Hier’, ‘De vulkaan’), verschijnselen (‘Schaduwen’, Virus’), directieven (‘Kijk’) of eigenschappen (‘Los’). De eerste is anders: ‘Meindert’ is een naam. De laatste regel van het vierde gedicht verklaart zijn aanwezigheid in een verzorgingstehuis: na zijn vertrek liggen er vier luiers (TENA Men 4) in de vuilnisemmer op zijn kamer, er ligt een bijsluiter voor een middel dat kankercelgroei remt en een lege ampul met een sterke pijnstiller (‘Oxynorm’). Meindert was uit zijn huis getakeld:
Meindert was iemand vroeger hij leerde de mensen.
Met kalme hartslag danste hij lichamen goed
en er was overvloed daar een volte van waarheidmaar nu, geen inhoud, helemaal leeg gehaald zuster
(p. 9)
Hij gelooft dat hij gezond gemaakt zal worden en vertrouwt op de ‘Heer’, al zat die intussen zelf ‘op revalidatie hier’:
‘Er is een lach die ons meeneemt er sluimert een bloei
in het hart van de tijd’ fluistert Meindertgroet met zijn kruk, huppelt weg.
(p. 9)
Hij reikt ‘ons’ de hand en ziet zelf niet wat anderen kunnen zien: ‘aders blauw over pezen nagels geschrobd’ (p. 12). Zijn vertrek uit het revalidatiecentrum is duidelijk uitstel van executie.
In sommige gedichten staan hele strofen cursief afgedrukt als een tweede stem die spreekt. In ‘Los’ lijken dat een moeder en dochter te betreffen, waarvan de tweede de eerste bezoekt en hoopt dat ‘de stemmen je niet te veel van streek maken’, dat ze het haar van haar moeder kan invlechten ‘maar zonder praten (stil) tegenover elkaar’ (p. 16). Ze hoopt dat een storm het huis komt afbreken:
En maak mijn moeder los
die in een vorm ligt met gebonden handen
en steeds hetzelfde liedje zingen moet
(p. 18)
De reeks ‘Huis’ speelt zich af in een oorlogsgebied:
Alles is al kapot waarom zouden ze komen
zeg ik elke dag tegen mezelf iedereen is al weg
maar ik wil niet op reis ik durf niet in een trein ik weet nietAls ze komen en ze vinden je dwingen ze je
je kleren uit te trekken en ze Vernederen je
zei iedereen die kwam groeten maar ik blijf hier.
[…]
En ik huil en ik schreeuw maar ik maak geen enkel geluid.
(p. 44)
De reeks ‘Virus’ is geschreven naar aanleiding van de Coronaperiode. De ik-persoon verzorgt de partner:
Dat ja zo, op je rug je mond open, ik schoof je naam in je
lag languit tegen je aan, praatte je bij
zong, las je voor, veegde slaap snot kwijl uit je hoeken
zag het zwart zich terugtrekken, sluiten, zag je verstaan
wat ik niet vroeg, dat je dicht
[…]
Het schrapen het raspen stoten
scheuren breken begon
(p. 59)
In het tweede gedicht zijn de zorgen groot:
Zolang ik je aanraak leef je.
Rochelt zweet draait. Zolang
ik over je vel strijk moet je
hart op zijn drumvat je adem van piep je bloed
rond en rond […]
Zolang ik je beetheb kan je
niet dood hoe stil je ook ligt.
(p. 60)
Ze noemt hem intussen bij 10.000 namen, waaronder ‘breekman’, ‘hartman’ en ‘raasman’ (p. 61). Later past zijn adem ‘in je als holte in vogelbot’ en kan hij ademen zonder te stikken en lopen zonder te vallen:
Dat je zo, zomaar, opstaat
naakt naar de kraan loopt, uit je hand drinkt, je vingers
wijd afspat, naast me ligt met die glans –Kijk: je verschilt, je
leeft.
(p. 63)
In het volgende gedicht staat hij vrolijk het huis te schilderen en ‘fluit tussentands’.
Omslag van De mogelijkheid bestaat
De teksten van Eva Gerlach en de foto’s van Bianca Sistermans – over kunst en wetenschap – ontstonden in 2023 voor een expositie op de campus van de Universiteit Twente. De uitgave is van ‘kleine’ uitgeverij van Marc Vleugels. Het zijn dertien gedichten en drie teksten in proza.
De situatie in een laboratorium waar geroerd wordt in vloeistoffen, wordt vergeleken met het lichaam:
terwijl intussen het gejacht van mijn wereld
mij roert, zodat als ik stilval
triljarden samenstellende werelddeeltjes mij blijvenroeren zoals in het glas op het nachtkastje water
nog rimpelt als het vliegtuig allang is gevlogen,zoals je gedaante uit je gedoe, of zeg eeuwig
uit even tevoorschijn bewogen –
(p. 5)
De foto’s tonen intussen een zuurkast, reageerbuizen met ‘snaveltjes’, afvalbakken, diepvriezers met zaadcellen en andere materialen uit het laboratorium.
Een van de gedichten behandelt de herkenning van een kwikvergiftiging, wat onder andere kan (acuut) door ‘geen eetlust, jeuk, nierschade’ en zo meer, terwijl (chronisch) verschijnselen als ‘tintelingen rond de mond, spraak- en evenwichtsstoornissen, uitval van tanden’ en zo meer zich kunnen voordoen, en voegt de dichter eraan toe: ‘Men klaagt graag over zijn vele klachten; sterft vaak traag’ (p. 29).
Het gedicht ‘Cryogeen’ opent met de regel:
Wat hier bewaard wordt, gaat nooit dood.
(p. 45)
Vlieg! zegt de vloer (2025)
Omslag van Vlieg! zegt de vloer
Deze gedichten voor kinderen werden voorzien van illustraties door Trui Chielens. De grammatica en woordkeus van deze gedichten is anders dan in de voorgaande bundels. Er zijn geen ingewikkelde of verwarrende zinsconstructies. De thematiek is die van de kinderwereld, met vaders die hun baard afscheren of een dag alleen willen zijn, moeders die over een vuur heenspringen, vervolgens een braadbroodje eten en dan door hun kind worden gezien als heks. In een gedicht over gescheiden ouders, schrijft een kind een brief aan haar vader:
Ik hoop dat je droevig bent, ik
hoop dat je niet kunt stoppen met elke dag huilen,
ik hoop dat je elke avond minstens twee uurmoet dweilen en dat je nieuwe benedenburen
overal teilen zetten en zeuren en dat je hier gauw
komt theedrinken. Mag dat van mama?
(p. 11)
De overige gedichten gaan over stiefouders en -kinderen, over buren, passanten, vriendschap, eetstoornissen, pesten en verliefdheid.
Ook in deze gedichten voor kinderen worden de punt en de komma als leesteken vaak genegeerd (maar wel geaccentueerd door hoofdletters):
Vandaag een nieuwe in de klas. Komt van ver weg,
ergens waar oorlog is. Niemand begrijpt wat ze zegt
maar iedereen helpt haar Komt bij haar Praat lief tegen haar
(p. 32)
Ook wordt de taal aangepast aan die van jongeren:
Niks gebeurd hoor, gleed ff uit
(p. 63)