De gedichten van Arjen Duinker, 2016-heden
Catalogus (2016)
Omslag van Catalogus
Het omslag van de bundel Catalogus toont de auteursnaam en titel in een eigenwijze art-decostijl: daarvoor is de letter Bifur van de Franse typograaf, kunstenaar en posterontwerper A.M. Cassandre gebruikt, een letter die geheel uit kapitalen bestaat. In deze letter probeerde Cassandre de schematische grondvorm ervan tot uitdrukking te brengen. Het is een bewust door de ontwerper J. Tapperwijn (Ary Langbroek) gekozen letter die de eigenzinnigheid van de bundel aankondigt op het omslag.
De 57 gedichten hebben titels die zonder uitzondering uit vier zelfstandige naamwoorden bestaan, zoals de eerste (‘Vogel vierkantje vierkantje cirkel’) en de laatste (‘Veelhoek vlieg vlieg weggetje’). Datzelfde geldt voor de gedichten die bestaan uit twee strofen van zeven regels met dezelfde vorm als de titels. Er worden geen lidwoorden of werkwoorden gebruikt, de zinnen zijn ongrammaticaal, de taal is teruggebracht tot de essentie, met één belangrijke uitzondering: veel van de woorden worden binnen de regel, of binnen de strofen herhaald, waardoor een ritme ontstaat dat deels is gebaseerd op karigheid en deels op herkenning. Er ontstaan zo, als bij een spel, vanzelf bijgedachten bij de lezer, als die zich wil laten meevoeren.
Het principe van strenge spelregels (die weinig of geen logica lijken te volgen) maakt deze gedichten verwant aan de Franse beweging van Oulipo: ‘Ouvroir de littérature potentielle’, ofwel: ‘Werkplaats voor potentiële literatuur’, bedacht door Raymond Queneau (1903-1976). De beweging heeft geleid tot speelse taalexperimenten. De bundel van Duinker valt binnen dit genre.
Wat opvalt is dat de woorden in twee soorten uiteenvallen. Het ene type woorden verwijst naar concrete objecten, zoals ‘oor’ ‘bloem’, ‘vogel’, maar steeds op een generieke manier. Het zijn algemene benamingen die niet één specifiek object aanduiden, zoals een paardenbloem of een spotvogel. Soms komen termen van gebeurtenissen of uitingen voorbij, zoals ‘uitroep’ of ‘echo’.
Het tweede type woord verwijst naar wiskundige vormen of termen, zoals ‘cirkel’, ‘punt’, ‘cijfer’ en ‘driehoek’. Met deze abstracte bouwstenen wordt toch op een ritmische manier een omgeving zichtbaar. Er zijn suggesties van associaties.
Bel bloem boog bel
Driehoek driehoek neus oor
Vogel boog bel bloem
Liniaal cijfer boog water
Vlieg vlieg bloem vierkantje
Water bel boog vlieg
Cijfer min water neus
Vogel in vogel plus
Zout boog zout vierkantje
Bloem plus vogel boog
Liniaal cijfer cirkel voet
Voet bel vierkantje zout
Vogel bloem water bel
Driehoek cijfer min voet
(p. 28)
Door de hoofdletters aan het begin van elke regel lijkt er toch een soort grammaticale zin te worden aangekondigd, interpunctie ontbreekt verder. Het aantal herhalingen beperkt de woordenschat enorm: het eerste gedicht bijvoorbeeld bevat 56 woorden, maar er zijn maar elf verschillende woorden gebruikt. Het laatste gedicht bevat echter bij hetzelfde aantal 33 verschillende woorden. Het gaat om een wereld waar niets hevigs gebeurt, waarin eigenlijk helemaal niets gebeurt. Er zijn geen bedreigingen, geen verleidingen, het is een soort paradijselijke staat van zijn – de opsommingen zouden die van kinderen kunnen zijn die om de beurt een woord roepen.
Akoestiek (2020)
Omslag van Akoestiek
De bundel Akoestiek is, als een theaterdialoog of muziekstuik, geschreven ‘voor twee stemmen’. De tien lange gedichten zijn elk aan een of meerdere vriend(inn)en opgedragen, zoals Kees ’t Hart en Euf Lindeboom. Met ’t Hart schreef Duinker eerder samen gedichten en droeg hij gedichten voor twee stemmen op bij speciale gelegenheden.
De teksten zijn in twee kolommen afwisselend afgedrukt:
Kon je het makkelijk vinden
Fluitje van een centFluitje van een cent scheidsrechterfluitje
Tatabánya is een trainingsveld
Ik laat me graag vallen
Heb je gevoetbald
Heb je me zien spelen
Ik heb je naam geroepen
(p. 9)
In deze samenspraken herhalen de sprekers hele zinnen; doordat er andere zinnen tussen staan, lijkt hun betekenis steeds iets te verschuiven: ‘Dat valt me op’ of ‘Een mythe is ook maar een verhaal’. Ook in deze bundel lijken de stemmen te associëren, niet alleen op hun eigen woorden, maar ook op die van de gesprekspartner – als je het al gesprekken kunt noemen. In het eerste gedicht komt de nadruk te liggen op zinnen als:
Daarom wandelt de geschiedenis met ons mee
Daarom en daardoor
Daartussendoor
Want geschiedenis is een tussendoortje
(p. 11)
Maar deze zin is in de gedichten van Duinker niet zinvoller of met meer betekenis geladen dan andere zinnen. Het gaat uiteindelijk om de taal zelf, om het niet adequate gebruik van taal, of de vrolijkheid over het niet functioneren van taal:
Met voegwoorden
Met voegwoorden te paard
Voegwoorden in een vierspan
Met voegwoorden in een tuin
Voegwoorden in een peloton
Voegwoorden met een bezem
Lopend in het bos
Achter elkaar aan lopend met voegwoorden
(p. 21)
Associaties leiden in dit gedicht tot toekomstbeelden: de toekomst van het tuincentrum, het pretpark, de leverworst, de bonbon en ‘de toekomst van de regenbui’ (p. 24).
In de andere gedichten kunnen, net als in een gesprek, onderwerpen plotseling veranderen en verrassende korte zinnen opkomen, zoals ‘Ja Rome is een mooie stad voor een personeelsuitje’ (p. 27), ‘Biljarten in klederdracht’ (p. 39), ‘Ik miste iemand maar ik was gelukkig’ (p. 41), ‘Gebruiksaanwijzingen lees ik in de trein’ (p. 47) of ‘Voor rubber gingen we naar Ridderkerk’. Soms lijkt er een verhaal te worden verteld, bijvoorbeeld over een ontmoeting met Italianen op een Franse camping of over schilderen in het donker en vaak worden de verhalen niet voltooid, maar hele tochten gesuggereerd door ritsen met plaatsnamen en namen van bekenden: ‘Over de Afsluitdijk en terug met Nico’ (p. 61).
In het laatste gedicht wordt herhaaldelijk gezegd: ‘Geen futuristen alsjeblieft’, terwijl tussendoor dingen worden genoemd die wel gewaardeerd worden, zoals; ‘Zeewater op je lip’, Klassieke muziek in een modern jasje’, ‘Het donker in het licht’, ‘Lichte kost’, ‘Lichtgevende ezel’. De hele bundel ademt aandacht voor het momentane, het spontaan opkomende, het luchtige.
Autobiografie tot op de dag van vandaag (2022)
Omslag van Autobiografie tot op de dag van vandaag
De bundel uit 2022 bestaat uit één lang gedicht dat een verhaal vertelt, maar tegelijk het spel met woorden uit de eerdere bundels voortzet en geografisch vaak precies lijkt te zijn. Voor de eerste regels blijft Duinker dicht bij zijn huis in Delft:
Ik zou graag sterven in de Anna Boogerd.
Ik ben ver weg geweest.
(p. 7)
Maar geografische namen blijven opdoemen in dit gedicht:
Ik kwam Déserée tegen
En we liepen vrolijk
Door Córdoba en Sevilla,
Door Juromenha en Alandroal.
En we liepen vrolijk verder
Door Zwolle en Zutphen,
Door Den Haag en Rotterdam
En toen naar huis.
(p. 50-51)
Hele strofen bestaan uit regels die alles wat het jonge kind Duinker waarneemt gelijkstellen en veel woorden en zinsconstructies herhalen:
Een snoek is een fazant.
Een fazant is een gorilla.
Een gorilla is een spreeuw.
Een spreeuw is een rendier.
Een rendier is een zalm.
(p. 8)
Het opgroeien van Duinker wordt belicht in regels waarin de tijd tegelijk voortschrijdt en stilstaat:
Toen ik twaalf was, tekende ik vierkantjes.
Toen ik dertien was, tekende ik vierkantjes.
Toen ik veertien was, tekende ik vierkantjes.
Toen ik vijftien was, tekende ik vierkantjes.
Toen ik zestien was, bladerde ik in de encyclopedie.
Toen ik zeventien was, bladerde ik in de encyclopedie.
Toen ik achttien was, bladerde ik in de encyclopedie.
(p. 9)
Er volgen ook portretten van mensen of van hun gedachten, zoals van de man die hij als ‘Duinker Wandelvakanties’ telefonisch te woord staat, ‘vrienden aan de overkant van de Vliet’, of ‘Geert uit Naaldwijk’.
Misschien tot het failliet
Van tijd en ruimte, van het leven
Of iets in die geest.
De doden riepen: verzamel verder, Arjen Duinker!
(p. 15)
Waarna in een strofe veertien namen worden opgesomd, waarvan de echtheid kan worden betwijfeld: Jannetje Hutspot, Johannes Biljart, bijvoorbeeld. Het lijkt er intussen op dat eveneens flarden van authentieke herinneringen passeren:
Mijn vader en moeder hadden leuke vrienden,
Tante Maja en oom Widar woonden naast Jules de Corte,
Met oom Arent en tante Ina uit Haren gingen we op vakantie,
De vader van oom Arent was de eerste Groninger
In het Nederlands voetbalelftal
(p. 18)
Vreemde details volgen op dagelijkse waarnemingen, zoals ‘Haar man eet paardenworst bij de koffie’ vlak na ‘Ze halen aardappels in Pieterburen’. Duinker schrijft dat na het smelten van de sneeuw ‘een groot verdriet’ zich van hem meester maakte en dat wordt veroorzaakt door de willekeur van het bestaan:
De een klimt op het dak van een winkel,
De ander kijkt in bed naar televisie.
De een steekt een schuur in brand,
De ander boekt een reis naar Bali.
De een staat te zwaaien op zijn benen,
De ander krijgt een mes in zijn buik.
(p. 20)
Als hij keuzes moet maken kiest hij consequent voor ‘een andere optie’ (p. 20-21), als dingen belangrijk moeten worden gevonden, kiest hij voor waarneming:
Over betekenis wordt veel gesproken.
Dat geldt ook voor begrip en aanleiding
En gevolg en conclusie en noodzaak.
Laten we nu om ons heen kijken.
(p. 22)
Het werpt een filosofische blik op de eerdere regels waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen een snoek, een fazant, een gorilla of een rendier. Er is in de wereld van Duinker geen definitie, geen definitieve waarheid, maar wel een onmiskenbare eenheid tussen alles wat zich voordoet. Af en toe komen daarom ook zinnen voor zoals in Catalogus, maar nu zonder herhalingen:
Enveloppen, keukenrol, potlood.
Kaartspel, glas, sinaasappel, mes.
(p. 27)
Het is deze wereld die we gemeen hebben:
Je bent niet alleen of eenzaam, je deelt het universum.
Je deelt je talenten en je onmiskenbaarheid,
Je deelt je ervaring en de schaduw.
Je deelt je eigenschappen
Met mij en gefluit en tuinstoeltjes,
Met Tara en Sam en Glenn en bloesems en kratten bier,
Je deelt het universum met iedereen,
Ook je bijgeloof.
(p. 28)
Een lang deel van het gedicht beschrijft een middag in een café, uur na uur, vanaf elf uur in de ochtend tot zes uur in de avond (p. 35-41): ‘Doke en Joost staan achter de bar’, er komen verlegen Italianen langs, de dichter eet een uitsmijter en drinkt melk, benoemt bekenden die langskomen.
Tussen elf en twaalf, elke dag,
Probeer ik te denken, met tomeloze inzet.
Ik maak geen onderscheid tussen de dagen.
Ik weet niet wat denken is of hoe het gebeurt,
Maar ik probeer te denken, met tomeloze inzet.
(p. 46)
Wandelingen door het leven vallen samen met wandelingen door de stad Delft, het ene beroep valt samen met het andere, of is er in ieder geval gelijkwaardig aan (‘Ik ben hovenier en steigerbouwer’, p. 55). En in alle opsommingen en associaties, herhalingen en gelijkstellingen zit een zoektocht naar gedachten verborgen:
Met mijn vader bespreek ik het denken aan niets
Met mijn moeder bespreek ik het niet denken aan iets,
Met mijn zus bespreek ik het niet iets denken.
(p. 65)
Het gedicht eindigt met een voornemen dat zijn beide dochters betreft:
Morgen naar zee met Zwaan en Zazie.
(p. 76).
De postzegelverzamelaar (2023)
Omslag van De postzegelverzamelaar
Het verzamelen van postzegels wordt aangeprezen:
Een postzegelverzameling
Reinigt je ziel, sust je geweten,
Bereidt je voor op de dood,
Laat je kraters en zeeën zien,
Neemt je mee naar de vindplaats
Van woorden.
(p. 9)
De hobby doet nog veel meer:
Verzoent je met vooruitgang,
Die net als niets een droom is.
(p. 9)
De eerste strofe over de vindplaats van woorden wordt als derde strofen herhaald, met als enig verschil dat het nu een ‘vindplaats van vogels’ is geworden. Er zijn meer gedichten over verzamelen, zoals ‘Edward’ waarin een postzegelverzamelaar geroepen wordt en er ook een ‘uit de provincie’ bij is, bekend ‘om zijn maatpakken en zijn knipoog’. Er is ook een vrouw die andere dingen verzamelt:
Gloeiende syllaben,
Gouden schraapsel,
Geslepen glas.
(p. 15)
Net als Edward, ook hij verzamelt geen postzegels:
Edward, verzamelaar van schemering,
Staat naast me in de tuin achter de kerk.
De keuze was tussen schemering en verte,
Zegt hij, ik koos het eerste.
(p. 15)
De postzegelverzamelaar wordt in een ander gedicht als hinderlijk ervaren en als een ‘brenger van troost’ gezien:
Ga weg! Val me niet lastig!
Hou je onzinnige praatjes bij je!
Je wijsheden, je feitenkennis, je lot!
(p. 40)
In het gedicht ‘Verte’ wordt op een andere manier over de postzegelverzamelaar geoordeeld:
We keken somber, omdat we niet somber waren.
[…]
Postzegelachtigheid is een vreemde trance,
Een verte die de mond spoelt en de geest droogt.
(p. 81).
De bundel getuigt opnieuw van de minieme verschillen tussen verschillende keuzes, de willekeur van levens en de gelijkheid van alles, zoals in ‘Een vlag’ staat over bergbeklimmers en het planten van een vlag op de top. De berg, wij en de vlag zijn er niet voor niets, maar:
Het verschil tussen de bergen en ons
En de vlag is te verwaarlozen,
Is er voor niets.
(p. 18)
Die willekeur van alle mogelijkheden wordt met 126 alternatieven uitgedrukt in ‘Eventueel’ (I-V, p. 14, 19-20, 48, 59-60):
Eventueel naar een muntje kijken.
Eventueel je hoofd omdraaien.
Eventueel knipperen met je ogen.
Eventueel een hand in je nek leggen.
[...]
Eventueel diep ademhalen.
Eventueel in je jaszak voelen.
(p. 19-20)
Opsommingen – zoals in de alternatieve handelingen in ‘Eventueel’ – worden vaak in de gedichten gebruikt, zoals in ‘Anjes’, waarin een fietsroute van Hulst naar Delft wordt genoteerd.
De Blokweg naar links,
De Kerkweg naar links,
De Vogeldijk rechtdoor,
De Vogelweg naar rechts,
De Plevierstraat naar rechts,
De Norbertijnenstraat naar links
En stoppen op de Plattedijk.
Wij stappen af, kijken verrukt om ons heen
En zeggen: we hebben Delft bereikt!
(p. 29)
In werkelijkheid brengt de route je ongeveer acht kilometer ten noorden van Hulst in Zeeuws Vlaanderen. Is het landschap identiek? Is het uitzicht overeenkomstig? Of ligt het eerder aan de op de Grote Markt gedronken ‘glazen wijn’? De gedichten van Duinker maken geen verschil tussen het ene landschap en het andere. Landschap is landschap en het ene is niet beter dan het andere, het hangt er maar van af wat je wilt zien. Dat schrijft Duinker ook in het gedicht ‘Dus’:
Zeg Bologna
En je bent er.
(p. 66)
Ook het gedicht ‘Bij voorbeeld’ speelt met de opheffing van verschillen:
Soms denk ik dat alle dieren al eens
De naam van alle andere dieren hebben gehad.
Ik denk ook dat alle mensen al eens
De naam van alle andere mensen hebben gehad.
En dat alle landen et cetera.
En alle nevels…
En alle plasma’s…
En alle sterren…
(p. 30)
Desalniettemin blijft het ‘goed’ om te zoeken naar perfectie:
Het is goed om te blijven zoeken
Naar het mooiste exemplaar van iets,
De mooiste tafelrand, de mooiste lichtschakelaar
(p. 70)
De gedichten spelen zich veelal op straat af en beginnen met toevallige ontmoetingen bij de tabakswinkel, in de tram, op een begraafplaats, aan zee. De bundel besluit met dertien gedichten bij zelfportretten van de schilder Philip Akkerman.