De gedichten van Anna Enquist, 2000-heden

De tweede helft (2000)

Vooromslag van Anna Enquist, De tweede helft (2001)

De titel van de bundel De tweede helft (2000) slaat op de tweede helft van het leven van de dichter: het eerste was afgesloten met de verzamelbundel uit hetzelfde jaar. Het achtervolgen, najagen, speelt wederom een belangrijke rol.

Haas ik wil je niet jagen, ik wil
je onbedekt huis met je delen, ik
wil lezen wat je schreef op de akker.

Ik wil je grijsgouden vacht voelen
maar bedrog en vernieling persen
zich tussen hand en haas, telkens.
(p. 9)

Evenals het afscheid nemen, het omgaan met de dood. Enquist zei eens in een interview: 'Ik voel me wel eens de Nel Benschop van de intellectuelen'. Een dichter van de emotie:

De dood, zegt men, heeft genomen.
Ik zat op de grond met een dode
maar niemand kwam om te nemen.
(p. 12)

De dood komt onverwacht als een overval op straat. Wellicht refereert Enquist hier aan de dood van Herman De Coninck, die, op weg naar een optreden in Lissabon (Portugal), op straat onwel werd en in haar armen stierf.

Een overval trof mij op straat. Schielijk
liet ik een lichaam liggen op een oude krant,
mijn armen vouwden zich om een gezicht.
(p. 13)

Het lijkt of ze zichzelf onmogelijke opgaven stelt.

Kon ik de stad innemen, mij stellen
in de stenen cirkel op de markt, drinken

de bloedige schaduw van het stadhuis -
Laat naar je kijken. Ik bonk op de muren
(p. 14)

Er wordt in deze bundel in steden vertoefd en door straten geslenterd.

Door Wenen liepen we drie dagen
de koortsige muzikant achterna.

Maar de illusie van algehele aanbidding van Mozart (de bezoekers likken het stof uit de vloernaden) wordt ruw verstoord door de andere toeristen.

Japanse vrouwen lieten het Lacrimosa
uit koptelefoons knetteren, Spanjaarden
floten de Figaro, schoolkinderen renden
rond de vitrines.
(p. 15)

Dat culturen verschillen blijkt over de cyclus over haar zoon in Stockholm. Ze vertelt hoe de studenten een klein kwartier per dag uit het raam schreeuwen.

Dan vallen gaten in het grijs
en zwelt de schreeuw als een orkaan
uit duizend witte monden
(p. 21)

Maar ook de dochter claimt het schreeuwrecht.

Recht op de schreeuw, de laatste
boot, de smaak van brood?

Kijk: in de avond vloeit tijd
als een vlies over de dingen.
Ons recht. Ons raakt het niet.
(p. 24)

Moeders van zonen zijn collectief ongelukkig in 'Geef terug!'

De moeders, ach, moeders. Ze staan
te roken op het balkon, ze dreigen
met een voetbalshirt in kindermaat.
Ze schelden op de engel van de dageraad,
en huizen staan te vlammen in hun rug.
(p. 25)

Over excursies valt veel veel te zeggen. Vooral van een eiland met benige richel, heuvels met rozige toppen. Het wordt steeds avontuurlijker.

Een steilte. De volle vulkaan,
vlezige krocht achter kiezenwand.

Vervolgens de verstilling:

dit is de hoofdkaap. Nu turen.
Mateloos water, geen schepen geen
wind onder hemel van glas.
(p. 31)

Dit is een van de gedichten van Enquist met een tamelijk rustig einde. Veel gedichten vangen kalmpjes aan, maar na drie of vier regels beginnen de regels te kolken en lopen de emoties hoog op. Heftigheid troef. En uiteindelijk besluit het gedicht met gesomber of pijn. Hier is voor een verstild vredig eind gekozen.

Een voorbeeld van een letterlijk 'donkerder' einde, maar niet somber:

Thuis valt nacht als een ansichtkaart
door het venster, groet uit het zwarte.
(p. 32)

Een tandartsbezoek leidt tot vreemde gewaarwordingen.

Zo valt vlees dood tussen aanwijzen
en gewaarworden. Rennende kinderen
in het brein staan reukloos stil;

stokstijf stollen denken en lijf, ogen
willen zich verwijden maar geen zenuw
die zich nog aan zenden waagt.
(p. 41)

Het gedicht 'In het bos' lijkt een vriendelijk bosbessengedicht:

Bosbessen blozen een welkom
met verdikte stelen. Beuken
wachten met hun lichtste groen.

Maar opnieuw is de vredigheid slechts schijn, de bittere pil is nooit ver weg bij Enquist.

Het rook hier als de wereld,
nu smaakt het bitter in je oude
mond. Zon rijt het bos open

Zo vriendelijk is de zon niet, de lichtstralen rijten het bos open en wijzen op het graf:

licht wijst naar de grond.
(p. 44)

Lachen is uitzonderlijk bij Enquist, maar in de cyclus 'Tuin, water, tuin' gebeurt het.

paddestoelen liggen als schuim
op het gras. Ik lach erom.

IJzig vocht kruipt in de kamers.
(p. 50)

Het is geen vrolijke lach over wat de natuur voortbrengt. Ook de rivier heeft zo zijn geheime bloederige leven.

bloed in een ader, zo klemt
de rivier zich aan koude vast.

Knisperend schurken de schollen
tegen elkaar, de wondranden

groeien ineen. Het sluit zich.
(p. 52)

Misschien wordt het in 'Een nieuw jaar' beter; zo heet tenminste een driedelig lang gedicht, bijna aan het slot van de bundel.

In de reiskist vouwt zij de avondjurk
(p. 54)

Hier wordt een prettig plan gemaakt denkt de argeloze lezer, totdat

Dit is hier, denk je, dit is nu.
Het dorre onkruid, de dode bereklauw
langs het asfalt. Begerig naar plaats

lees je de hemel als landkaart.
(p. 55)

Kortom, Enquist is niet optimistisch over heden, verleden of toekomst.

Van ons rest een voetstap in aarde,
een kus op een kinderwang. Wij moeten
lippen laten bevriezen, ogen ontsteken.

En toch wil ze zich niet laten kennen, niet toegeven aan de behoefte tot schreeuwen. Ze probeert op de been te blijven.

Hoe voorzichtig wij zijn. Hoe wij oppassen
ook dit jaar weer niet om te vallen, niet
te gaan liggen, niet schreeuwen, nog niet.
(p. 56)

In het gedicht 'Smaak' is ze kritisch over haar dichtactiviteiten. Ze dicht zoals ze dicht ondanks zichzelf, lijkt ze te zeggen.

Het gedicht van mij vreet zich vol
met rotzooi. Niet doen, zeg ik,
niet die bittere prak, dat droevig
rantsoen verzwelgen. Maar het vers
barst uit de krappe ceintuur
van de regels en smijt zich
tegen de bladzij, onder mijn blik.
(p. 57)

De tussentijd (2004)

Vooromslag van Anna Enquist, De tussentijd (2004)

In 2004 verscheen De tussentijd van Anna Enquist. Deze bundel was als geheel een reactie op het ongeluk van haar dochter, die op de Dam in Amsterdam werd geschept door een vrachtwagen zonder dodehoek-spiegel en overleed. De bundel is dan ook opgedragen 'In memoriam mijn dochter Margit (1974-2001)'. Er zijn zes afdelingen: 'Verloop van tijd', 'Op reis', 'Berichten', 'Intussen', 'Muziek, muziek' en 'Maak haar een plaats'.

Verbaasd merkte de moeder
dat zij een menigte werd.

De moeder van het gestorven kind voelt zich opgesplitst in verschillende moeders: de 'weerloos-blije' met mooie herinneringen, 'de verslagene' die het liefst dood wilde, 'de trieste', die het niet kon bevatten, de 'furie', die woedend was op iedereen en de 'wanhoopsmoeder', die zichzelf verwaarloosde.

Hoe hen te hoeden, te zorgen dat elk
de voeten in dezelfde richting sleept?

Ons is iets overkomen, kan ze zeggen,
wij zijn de menigte die moeder heet.

En zij die in de verte aan het water
staat, en wenkt, is een van ons.
(p. 11)

Dat de wereld intussen niet veranderde, schokte haar:

De trom roffelt dof in de oren;
het gemis is een toestand, er ging
niets verloren. Alles voltrekt zich
volgens afspraak: een raadsel.
(p. 12)

En geen dooddoener verandert iets aan dat gemis:

Koket geweld van woorden. Over
zinloosheid is het zwaar zingen. Wij
zullen blijven en zwijgen maar
zij zal niet.
(p. 13)

Zinnen worden in deze bundel niet voltooid als een leven dat niet ten volle geleefd kon worden:

Voorover tegen de volmaakte muur,
of achteruit in de suizende leegte.
(p. 12)

Wat ze niet ervaart is 'een zwart gat' dat in de moeders achterblijft wier dochter gestorven is:

Radeloos lopen ze rond, de moeders.
Ik niet; stil als steen bewaak ik
de felgele glimlach, de blauwe
kus, roze woorden uit haar mond.
(p. 15)

Maar het is alsof de dochter ook de moeder koestert dan wel achtervolgt:

Zij stormde naar de volgende vallei,
naar de nieuwste hoek van de zee.

Onopgemerkt, zwijgend, holde
het kind met haar mee.
(p. 19)

Maar ze holt mee in de vorm van het gemis:

Hoe zij mij bitter en volstrekt ontbreekt.
(p. 22)

Missen is een werkwoord, rouwen dus hard werken:

ja ik weet ze is weg
maar wellicht wacht ze
toch overal op mij dus

ik zoek en ik kijk en ik
slaap niet maar blijf
buitengewoon waakzaam
(p. 24)

Het gedicht 'Voorjaarsbrief' is geschreven voor Gerrit Kouwenaar, die zijn vrouw verloren had:

het schrijnt waar zij weggescheurd werden,

de onzen, we staan nog te trillen; veel
vocht verloren, pijn onder de kleren.
(p. 31)

Schrijvers hebben zo hun favoriete, soms modieuze onderwerpen:

Wij schrijven zo graag over hersens,
wij dichters. We klemmen het brein
in de handen; woorden druppen op tafel.

Maar ook al schermt de dichter met wetenschappelijke termen als 'ventrikels' en 'synapsspeleten', en al ziet de lezer tevreden dat de dichter 'beheerst verdriet' toont over de teloorgang van al dat moois:

we zouden de woorden wegvegen,
voor altijd zwijgen, als we konden.
(p. 38)

Sommige gedichten in deze bundel zijn cynisch van toon, zoals 'Over het begraven van dochters'. Het moet warm zijn, er moet gezongen worden alsof er feest is:

Daarna gaan wij vastberaden de poort uit,
een wereld in vol krentenbollen, laarzen

en letters. In ons begint een eeuwige
draailier te zoemen: zij zijn er geweest.
(p. 39)

Over de 'Essentie van het missen' zegt Enquist:

Ik mis de linkshandige, schitterend
spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis
haar tot brakens toe dagelijks. (p. 41)

En wat men daarover zegt is 'Geleerde onzin, schandalige troost' en de essentie doet er niet: het gaat om het missen van 'het vlees, haar linkshandige lichaam'. En naar dat lichaam wordt gezocht, zowel binnen als op straathoeken. Ze weet dat haar eigen vermaningen niet helpen:

Geef op. Laat gaan.
(p. 43)

Maar ze blijft aanwezig, in dagdromen, in herinneringen, in nachtelijke bezoekingen:

Het geheugen niet overvragen.
Blijf op afstand. Laat de blik bijten
in de bolling van haar bovenarm.

Bidden wij dan het geheugen
bij ons te blijven. Het is wat wij
hebben. Zonder haar zijn wij niet.
(p. 58)

Het is alsof er vivisectie wordt gepleegd op het eigen lichaam, een anti-geboorte:

Het is een groots werk, het neemt
al onze uren, het losmaken
van de dochter uit ons.
(p. 60)

Nieuws van nergens (2010)

Vooromslag van Anna Enquist, Nieuws van nergens (2010)

Anna Enquists zevende bundel, Nieuws van nergens (2010), verscheen zes jaar na de voorgaande bundel De tussentijd (2004). Enquist had het schrijven minder nodig, gaf ze toe in een interview met het tijdschrift Opzij, dat abusievelijk bekend maakte dat Enquist gestopt zou zijn met schrijven. In de voor Enquists doen lange periode van stilte verschenen twee verzamelbundels van haar werk. In 2005 publiceerde De Arbeiderspers Alle gedichten, een voorlopig verzameld werk. Twee jaar later werd een pocketuitgave gepubliceerd van haar eerste drie bundels - Soldatenliederen, Jachtscènes en Een nieuw afscheid - onder de titel Kerstmis in februari: de vroege gedichten (2007). In datzelfde jaar kwam ook een bibliofiele editie uit van Drie gedichten, met hierin 'Hier', 'De straatstenen van Amsterdam' en 'Boordevol', die ook in Nieuws van nergens te vinden zijn.

Ondanks de periode van stilte sluit Nieuws van nergens naadloos aan bij Enquists voorgaande werk. Enquist opent de bundel met het vierluik 'Januari'. De gedichten hierin dragen de ondertitels 'Tussen vuren', 'Tussen oevers', 'Tussen talen' en ook 'Tussentijds'. Met die laatste titel koppelt Enquistdeze bundel aan haar vorige. De gedichten betreffen het verlies van een dochter - Enquists dochter verongelukte in 2001 - zoals dat ook in De tussentijd het geval was. Hierin blijft de moederfiguur achter met de artefacten uit een voorbij leven:

Hoe kan je leven vol vaart en rumoer
die uitroepen, zuchten, vertalen in stilstand?

Onwrikbaar, een kunstwerk, een vlammende
goudvis gevangen in glas. Het begint met de foto's,

gestold in hun lijst. Dan: wat zij niet meer
ter hand neemt, serviesgoed, de jurken,

klein puin in haar tas. Na zes jaar moet zelfs
de taal van gemis omgezet, je grijpt

naar het woordenboek, zoekt
naar het stilstaande beeld. Een tafel,

waar ook ter wereld, drie plaatsen gedekt
en één lege stoel. Dat zielig embleem

van verlangen is na vertaling alleen maar
aanwezig, de droom van bezetting voorbij.
(p. 11)

Hoewel Enquist nog steeds haar rouw beschrijft, lijken de gedichten afstandelijker geworden en is er meer aandacht voor de vormaspecten. Het verlies is een gegeven geworden, waaromheen weer andere dingen kunnen gebeuren.In de gedichten klinkt iets van acceptatie en afronding door. De eerste afdeling, met de titel 'ademloos razen', sluit af met een uitnodiging voor een nieuw begin:

Kerst op het land, het vriest dat het kraakt
onder felle sterren. Binnen zwijgzaam en zoet.

Waar wacht je op, wat houdt je tegen?
(p. 16)

Deze retorische vraag - 'wat houdt je tegen?' - laat Enquist in de lucht hangen. Ze zet de bundel niet voort met gedichten die het verlies achter zich laten, maar belicht in de tweede afdeling, onder de titel 'ga je verzitten ben je verloren', nieuwe aspecten hiervan.

Hoewel Nieuws van nergens niet zo doordrenkt is van verse emotie als haar voorganger, deinst Enquist ook hier niet terug voor stevig aangezette taal, waarin geemotioneerdheid doorklinkt. Zo schreef Enquist, in opdracht vanHet Parool,een aanklacht die zeexpliciet richt aande gemeenteraad van Amsterdam, getiteld 'De straatstenen van Amsterdam':

Zij houden de wacht bij stoplichten,
op straathoeken waar vrachtwagens
en bussen de meisjes neermaaien.

Zij dragen lijdzaam de stervenden,
met hol, onhoorbaar hijgen. Hun geheugen
is versleuteld, maar wat zij weten

gaat nooit verloren. Soms zetten zij
het in de nacht op een onmachtig,
gruwzaam krijsen. Baksteen en basalt.

Gelukkig kunnen wij dat zelden horen.
(p. 21)

Enquists woede en wanhoop over haar dochters aanrijding door een vrachtwagen is onmiskenbaar en invoelbaar. Wat voor zinnigs valt er over zo'n voorval te zeggen? Enquist blijft proberen verschillende kanten ervan uit te drukken in poëzie, soms in grote woorden, aangekleed met alledaagsheid, zoals in 'Fantoom':

Het is een woord voor pijn die geen
bestaansrecht heeft; je lijdt aan
een afwezigheid, je snakt met hart
en huid naar wat er eerst nog was.
(p. 25)

De derde afdeling, toepasselijk getiteld 'met esdoornhout en paardenhaar', is volledig gewijd aan strijkinstrumenten en hun muziek. Hierin komt het verlies indirecter terug, met name in de koppeling van muziek en het verwerkingsproces. In het gedicht 'Vraag, antwoord, vraag', opgedragen aan Rutger Kopland, is Enquist toch persoonlijk:

We spelen. Waar luister je naar,
zegt Rudi, wat zoek je? Wij strelen.
Wij zetten voorzichtig kracht

op de snaar. De klank die past
bij haar stem zoeken we, de toon
die haar tevoorschijn tovert.

En wat je zoekt vind je?
Vraagt Rudi. Bijna. Hij knikt.
Bijna. Misschien morgen.
(p. 34)

Naast Kopland omgeeft Enquist zich met meer gerespecteerd dichterlijk gezelschap; andere gedichten in Nieuws van nergens zijn gewend tot onder meer Anton Korteweg, Leonard Nolens enRemco Campert.

Sommige van Enquists gedichten leunen op kleine opmerkelijkheden of alledaagsheden. Zo heeft ze in 'Woordenboek' genoeg aan de dubbele betekenis van het Engelse woord 'change':

In alle mij bekende talen is verandering
een woord waar weidsheid door blaast,
groots verschiet dat uitzicht biedt op vaart
en toekomst. Slechts het Engels weet

wat blijft: kleingeld dat rammelt
in je broekzak, zoekraakt in de voering
van je jas, waar het in duisternis
zijn geldigheid verliest.
(p. 41)

Met regelmaat maakt Enquist zulke koppelingen tussen kleinigheden en grote gevoelens. Hetzelfde doet ze in een aantal gedichten met voetbal. Deze sport keert als beeld opvallend terug inEnquists poëzie. Het gedicht '1974' is vernoemd naar het jaar dat Enquists dochter werd geboren en het Nederlands elftal het wereldkampioenschap verloor:

Dat ze verloren, die voetbalsoldaten, vijandig
vuur om hun oren floot - het betekende
niets, het raakte ons nauwelijks, we hadden

gewoon niet opgelet. Hoe dom, overmoedig,
onachtzaam wij waren. In dat feestelijk jaar
werd het scherpste verlies in gang gezet.
(p. 45)

In de vijfde en laatste afdeling, 'stoep noch plaveisel', is sneeuwhet centrale beeld. Het afsluitende gedicht, indrie delen,is dan ook getiteld 'Sneeuw'. In het eerste deel hiervan schrijft Enquist:

We stapten naar buiten in een nieuwe
stad; even was ik niet de enige met alles
kwijt. We herkenden stoep noch plaveisel,

liepen alsof we vielen, proefden de ijslucht
en hoorden een stilte, echo van de leegte
in ons. We grepen elkaars armen en lachten

onwennig. Zo is het goed, dacht ik, alles
toegedekt en tot zwijgen, niets te verliezen.
(p. 53)

De ironie is, in het bijzonder in het kader van het overlijden dat de bundel domineert, dat het verlies reeds heeft plaatsgevonden en dat dit maakt dat er niets meer te verliezen is. Hiermee maakt Enquist de bundel rond, door terug te komen bij de sfeer en leegte van het openingsvierluik 'Januari'.

In 2011 verschenen geluidsopnames van het gehele vierluik 'Januari' en de gedichten'Boordevol', 'Hier', 'Fantoom', 'Nieuws van nergens', 'Een lied voor de wasvrouw', 'Sneeuw I' en 'Sneeuw III' op de cd Uittocht, vergezeld door pianomuziek van Janacek en Schumann, gespeeld door Ivo Janssen.

Een kooi van klank (2012)

Omslag van Een kooi van klank

Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek publiceerde ter gelegenheid van de Poëzieweek 2013 de bundel Een kooi van klank. De tien gedichten bestaan alle uit vier strofen van drie regels. In het eerste gedicht (‘Begin’) gaat het over de woordeloosheid van een kind in de buik van haar moeder:

Ze luisterde naar dat kloppende 
ruisen en hoorde daartegen 
het haastige tikken van haar begin. 
(p. 5)

Eenmaal geboren ligt het kind, de dochter van de dichteres, onder de piano en hoort zij de klanken van Bach en Ravel, onder andere. Of moeder zingt haar toe totdat zij zelf haar stem laat horen, ‘haar volmaakte, verbazende solo’ (p. 7). In het gedicht ‘Foto’ spreekt Enquist streng tegen zichzelf:

Geef het maar toe. Wat je schrijft 
heeft geen zin. Gevoelig gezwatel, 
een meisje dat zingt. Hou toch op 
[…]

Maar op de bedoelde foto zelf zie je het kind (dat door een verkeersongeluk zou sterven) op de rug:

Zij heeft nog een week. 
(p. 8)

Na haar dood zijn de ouders sprakeloos: ‘elk woord werd een wond’ (p. 10). Maar via de muziek proberen ze adem te halen. Zo begint ‘de zoektocht naar haar’. Net als andere ouders dat doen. Maar die mensen kunnen geen koor vormen, vanwege ‘hun ongeloof, de weigering hun dode kind te laten gaan’ (p. 12). De bundel werd integraal opgenomen in de volgende reguliere uitgave, Hoor de stad (2015).

Hoor de stad (2015)

Omslag van Hoor de stad

De titel van de bundel komt uit het gedicht ‘Nieuwjaar’:

Hoor de stad, ze knispert al, schettert 
voorzichtig, speelt wat met vuurballen,

kleine granaten. Een voorproef.
(p. 10)

Een van de gedichten herdenkt een meisje dat kort na de geboorte in een afvalcontainer werd gegooid, maar het gaat voornamelijk over de reactie daarop:

Verschrikt en woedend klemmen ze 
hun kaarsen in de vuist, alsof zij nooit 
bezocht zijn door de baby in het vriesvak, 
kinderwagens op de rails, verzoeking 
om één stap over die grens te doen.
(p. 12)

Sommige gedichten concentreren zich op het leven in Amsterdam waar Enquist in 2014 en 2015 stadsdichter was, andere proberen het internationale leven te bevatten:

We verlaten verward de vertrouwde schaduw van oorlog 
voor de fuik van verplichting: we leven.
(p.14)

Haar aandacht voor voetbal eindigt in een gebed:

smeken: bescherm Dick Kuyt,
spaar de knieband van Robben,
zegen de pezen van Van Persie.
(p. 22)

In een gedicht over het monument voor de uit Amsterdam weggevoerde Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog schrijft Enquist:

Hoor de bedenkers bekvechten, stampen. Schaar 
je daartussen en schreeuw de namen, schreeuw 
alle namen, telkens weer, tot kwijtrakens toe.
De bedoelingen zijn de beste, de beitels gescherpt.
(p. 43)

En Amsterdam wordt bekeken door de ogen van een van de bewoners:

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel 
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift 
een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte 
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog, 
hij en ik, door de takken van de plataan.
(p. 59)

En over de lagen waarin de stad is opgebouwd in de loop der jaren schrijft de dichter:

Wat wij wegsmijten en doorleven wordt een fris 
tapijt waaronder, in diep donker, de geschiedenis.
(p. 65)

Berichten van het front (2020)

Omslag van Berichten van het front

Na het dodelijk ongeluk van haar dochter is dit de eerste bundel van Enquist die geheel in het teken staat van de zoektocht naar het loslaten van die dochter en het tegelijk terugvinden van wie zij werkelijk was, maar ook van zichzelf. Vier reeksen van tien gedichten worden omsloten door een ‘Oudjaarstoespraak’ en een ‘Afscheidsgroet’. In het laatste gedicht schrijft ze: ‘Wantrouw de woorden’ (p. 59). Het eerste gedicht is een cynische tekst ‘namens de werkgroep gedupeerde dichters’, dat wil zeggen, dichters die een kind verloren. Voorbeelden daarvan zijn P.F. Thomése en Margaret Drabble. Enquist zegt dat de lezer die ‘sombere kost’ kan laten staan, maar het moet nu eenmaal geschreven worden:

Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.
(p. 7)

De godin Demeter eiste haar kind terug uit de onderwereld en dat lukte voor driekwart van de tijd, als tegenprestatie zou er het vierde kwartaal niets groeien: dat was de winter. Over deze vorm van wraak schrijft Enquist:

Ik vind dat geen reden voor bijval. Kortzichtige wraak.
(p. 11)

De zoektocht naar het kind in dat koude kwartaal is vergeefs:

Ze rukt aan de tralies. Krommer en grijzer 
van dag tot versleten dag. Kijk hoe ze 
nooit ontsnapt, nooit iets vindt.
(p. 12)

Want:

Kind, het kind, haar kind, blijft kwijt.
(p. 13)

Huisraad, kleding en kinderspul wordt weggedaan, maar alles lijkt ook te blijven.

Zij heeft zichzelf een karig universum 
toegestaan. Wat zich voordoet aan haar 
is wat het is, niet meer.
(p. 18)

Het is een ‘eenduidige wereld’, waarin ze zich overigens op niets kan concentreren:

Waar ze maar zit, knielt of staat vliegt 
de afwezige aan, overmant haar en neemt 
in beslag wat er is aan bloemknoppen, 
nageslacht, wolkenlucht. Het ontbrekende 
kind is zo heftig aanwezig maar kijkt 
haar niet aan, zegt niets terug.
(p. 19)

In de tweede reeks reist zij naar een berglandschap, ‘de hoogste hoogten’, waar niets groeit. De reden daarvoor is psychologisch:

Gevoel moet stromen, zeggen ze – o ja?
Ik heb het liever vastgelegd, bevroren 
in een onbeweeglijk en steriel patroon.
(p. 25)

Zij wil niets voelen, ze wil terug en niet zijn waar de dochter niet is. Maar dat is zonder effect: ‘Wat houd je weg met je regels?’, vraagt zij de dichter.

Alles zwart op wit en beeldspraak van steen.
Door de gordijnkier grijnst wanhoop je aan 
als je klaar bent. Daar moet je heen.
(p. 32)

In de volgende reeks gedichten gaat de reis daarom naar de bodem, het gras, de aarde:

Liggen, niet op je rug met die hemel voor ogen 

maar tegen de grond, mond en neus in de aarde. Voel 
nu eindelijk eens wat hier stierf, hier bestond.
(p. 35)

In deze gedichten dwingt de dichter zich om niet meer achterom te kijken, bijvoorbeeld door oude foto’s door de handen te laten gaan:

Vervang die lieflijkheid door wat er is, wat 
het geval is – wreed, een leegte, een gemis – 
en wees daarop belust. Heb eerbied voor 
verdriet en laat het kind met rust.
(p. 37)

In de beelden van het tuinieren, met wilgroei en kap, blijft ‘het halsstarrig wachten’ en de overtuiging dat de gestorvene zomaar voor je kan staan. Maar ook is daar, na een hittegolf en een verfrissende regenbui ineens ‘verkoeling, troost’ (p. 42-43).

In de laatste reeks vraagt ze zich af hoe je met die rouw verder moet, als de adviezen van anderen niet werken:

                                   Hoe moet het dán? Geen 
afleiding is het begin. Vervolgens met getergde 
ruggengraat rechtop staan en het slagveld overzien.

Dan kieper je – geen angst, geen afgunst – heel dat 
reservoir van kennis en herinnering de afgrond in.
(p. 51)

Intussen wordt zij zelf ouder en komt haar eigen dood dichterbij.

Geef je tenslotte over aan een kalmte, koel 
als oude steen, die alles overdekt wat je niet 
hebben kan: woede, teloorgang, machtsverlies.
Gemis. Dit was les één.
(p. 55)

De onderkant (2025)

Omslag van De onderkant

Een groot aantal gedichten in deze bundel werd geschreven op verzoek van orkesten of musea en hebben een muziekstuk of schilderij als oorsprong. Andere ontstonden in samenspraak met een componist (Diderik Wagenaar of Martijn Padding) en ook werden enkele gedichten geschreven bij het afscheid van directeuren van literaire instellingen. De derde afdeling ‘Klank’ gaat in zijn geheel over muziek.

Het laatste onderdeel van de bundel is een (quasi-)dialoog, ‘Bevraging’ over het schrijven van gedichten. Enquist wordt gevraagd hoeveel gedichten ze gemaakt heeft (‘Vijfhonderd, zoiets?’) – dit is haar tiende dichtbundel. Ze zegt dat haar gedichten gaan over ‘Voorwerpen. Muziek. Gebeurtenisjes’, maar dan met name ‘de wereld daaronder’, ofwel ‘de onderkant’, omdat die vaak ‘eng en wreed’ is: ‘Onthutsende gedachten. Die moeten op papier’ (p. 55). Ook elders in de bundel staan gedichten die eerder ‘Conversaties’ zijn, zoals de titel al aangeeft. Ze gaan over een enthousiaste oudere tuinman, het groeten bij de kassa, euthenasie en de virtuositeit van de componist Haydn.

De eerste gedichten in De onderkant gaan over de zintuigen. Ze werden geschreven bij prenten van Cees Andriessen en eerder gepubliceerd door de Atalanta Pers. Ze gaan eigenlijk ook allemaal over ouder worden (‘De jaren gaan je dwingen tot een ingedikt verhaal’, p. 9).

Ja, alle luiken sluiten zich zodra het laatste 
jaar begint. Je ruikt alleen nog spek 
en stront, je ziet de schijnwerpers en niet 
de maan, voedsel zwerft naamloos door je mond.

Ben je dan woedend, droevig, onberoerd?
Helpt niets want overwonnen raak je toch.
(p. 14)

In het gedicht ‘Ruimte’ zit iemand binnen, eenzaam, zonder drama:

’s Nachts komt het bezoek. Die je hielpen 
of jij hen, die je verliet of zij jou, die lief 
voor je waren of gewoon er waren. 
[…]
Prijs jezelf gelukkig met dat bataljon 
troosters. Ze hebben het goed met je voor.
(p. 16)

Met de ouderdom komen thema’s in de gedichten zoals jeugdherinneringen die aan kleinkinderen worden doorgegeven, paniek over inlogcodes en wachtwoorden als de protagonist ‘met klevende vingers’ blijft zitten voor ‘een schiftend scherm’ (p. 20) en over de toekomst en de dreiging van oorlog (‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’, p. 21). En ook het besef dat veel ongeschreven is gebleven en dat dit niet anders dan zo kan zijn:

Wat over zal blijven staat niet geschreven 
maar doemt op in gedachten, in geuren en 
lichtval.
(p. 27)

Vijf gedichten ontstonden naar aanleiding van het ‘Requium’ van Mozart. Net als in de andere muziekgedichten probeert Enquist de muziek te benaderen via landschappen of weersgesteldheden, maar ook door gedragingen van bijvoorbeeld kinderen: ‘een kind, zich overschreeuwend’ maar dat zich tegelijk ‘bevend’ verstopt, ‘al stampt hij stevig met zijn laarzen op de vloer’ (p. 48). In ‘Mozart kan niet slapen’ wordt de componist zelf beschreven:

Waar komt die angst vandaan? In hel 
gelooft hij niet en hemel heeft hij elke dag 
binnen bereik. Verlies van alles wat hij weet 
en voelt? De zwarte leegte? Waar hij voor 
siddert is vernietiging. De scherpste pijn.
(p. 49)