De gedichten van Nisrine Mbarki Ben Ayad, 2022-heden

Omslag van Dubbel-leven

Dubbel-leven (2004)

De bloemlezing Dubbel-leven bevatte bijdragen van de winnaars van de jaarlijkse El Hizjra-Literatuurprijs 2004 voor auteurs met een Marokkaanse of Arabische achtergrond. Mbarki Ben Ayad kreeg de ‘Eerste prijs’ in de rubriek ‘poëzie 26 jaar en ouder’. Er werden vijf gedichten van haar opgenomen: ‘Gedichten zonder titel’. Ze gaan over bedrieglijke herinneringen van de ‘zoete smaak van vijgen’ op ‘deze gewone rijtjesdag’. Opvallend is dat het laatste gedicht letterlijk de tekst van het eerste herhaalt, als een mantra van rust en tijdloosheid waarin de klok niet meer tikt, boeken niet meer gelezen hoeven worden en de ruimte tussen de ik-persoon en de geliefde in bed groot genoeg is om een kind te laten spelen. 

In stijl verschillen deze gedichten hemelsbreed van wat haar handelsmerk zou worden: hier geen meertaligheid of barokke beeldspraak, al proeft de lezer wel al iets van onrust, van een drang naar onafhankelijkheid, bijvoorbeeld in de regels:

Ik wil niet meer
meer weten wat De boeken zeggen
hoe grote mannen vinden dat alles hoort te zijn
(p. 51)

 

Omslag van Oeverloos

Oeverloos (2022)

Na publicaties in bloemlezingen en tijdschriften verscheen in 2022 de eerste gedichtenbundel van Nisrine Mbarki Ben Ayad, Oeverloos (uitgeverij Pluim). Daarin valt onafhankelijkheid op als haar belangrijkste thema – ook de titel geeft dat aan. In een interview sprak ze zich erover uit dat ze als schrijver en mens gesteld is op vrijheid en dat ze niet in een hokje wil worden geplaatst. In de bundel komt het thema in verschillende vormen voor: het kind wil onafhankelijk zijn van de ouders, het meisje wil vrij worden en een jongen zijn, de vrouw wil onafhankelijk van iedereen zijn, onder andere van echtgenoot, gezin en familie.

Verschillende gedichten gaan over ouders en Mbarki Ben Ayad wees erop dat de personages in haar gedichten niet samenvallen met de werkelijkheid: ze schrijft over vaders en moeders in het algemeen, niet specifiek over haar eigen vader of moeder. Een portret van ouders die van verliefden opgroeien tot een stel, tot gescheiden en uiteindelijk dementerende ouders eindigt met de regels:

zij zal hem nog altijd
koppig vervloeken
hij zal zich afvragen waarom hij ooit bij haar bleef
zij zullen niet meer met een partner durven leven
ik zal verwonderd naar deze twee mensen kijken
(p. 12)

De gedichten spelen zich afwisselend af in Nederland en in Marokko, in een stad en in een klein dorp en in een van de gedichten wordt een Marokkaanse grootmoeder opgevoerd die iets zegt over onafhankelijkheid:

mijn grootmoeder zegt dat vrouwen pas na hun zeventigste vrij zijn
dan zijn ze overbodig.
(p. 15)

Dat wakkert bij een meisje de wens aan om een jongen te worden:

mijn hele jeugd wenste ik dat ik een jongen was
de wereld draait om mannen
(p. 18)

De hang naar vrijheid spreekt ook uit de regel:

relaties zijn overrated
(p. 20)

De ware vrijheid is oeverloos, zonder beperkingen:

oevers zijn niet voor dromers
[…]
wezens zullen
vrij zwemmen
(p. 28)

Het gedicht ‘game over’ gaat over een vrouw die alleen met haar zoon woont:

een gebarsten houten god huilt in een hoek van de keuken achter 
de broodtrommel
de roeispanen van vandaag zijn verloren in mijn digitale agenda
ik ben opgehouden met het willen zijn
van en van
in het glazen raam zie ik de weerspiegeling van een vrouw
(p. 57)

De onafhankelijkheid wordt nog het diepst ervaren in een bos of in een woud, in de vrije natuur:

de lokroep van het bos blijft op je huid kleven
kruipt en grijpt zich vast aan je oor
ruist tussen hamer en aambeeld
(p. 15)

Dat bos blijft roepen, blijkt ook uit een ander gedicht:

alles mag blijven zoals het is
ik
dit wezen
kent nog steeds de weg naar het woud
(p. 49)

Alleen in een bos, vertelde Mbarik Ben Ayad in een interview, beleeft zij het gevoel ergens geheel in op te kunnen gaan, maar toch een apart levend wezen te zijn, in samenhang met de omgeving. De natuur en het dagelijks leven vormen een onlosmakelijk geheel in het gedicht ‘rewilding’, waarin eksters een nest bouwen vlakbij een moskee waar gebeden wordt voor een ‘in wit gewikkeld lijk’. Terwijl de ik-persoon het balkon bekijkt en hoort welke familieleden moeten worden gecondoleerd of terwijl ze in de tandartsstoel wordt behandeld of op een ander moment in de keuken een konijn vilt, memoreert ze de herintroductie van de lynx, de wolf en de otter in een gemechaniseerde maatschappij – alsof de natuur maakbaar is, maar:

bomen zijn niet lief gras is niet schattig haver is een graan
(p. 71)

Tegenover onafhankelijkheid en de hang naar vrijheid staan angsten en het lichaam dat als een wapen kan zijn:

in mijn lichaam ontploffen nog steeds landmijnen
op onverwachte momenten
misschien moet ik een mijnenruimer huren
of mijn lichaam inklinken
wij zijn experts
of eruit snijden
(p. 74)

Angsten openen een gedicht over de lente:

ben jarenlang bang geweest om in mijn slaap te sterven
bang dat mijn kind met een koude moeder naast zich wakker wordt
(p. 20)

Maar ook in de buurt sluipt de dood permanent rond:

mijn buren en ik leven gestapeld belicht en verwarmd achter glas
onze nieren en levers raken verstopt door nanoplastics
[…]
dit is een oefening in sterven
(p. 31)

Al gaat niet iedereen op dezelfde manier om met die angsten:

papa is bang voor de dood maar praat erover alsof het koffiemelk is
(p. 44)

De mond als angstoproepend wapen wordt vooral geassocieerd met moeders, zoals in het gedicht ‘ma mère’:

mama heeft mitrailleurs achter haar kiezen
en een atoombom aan haar huig hangen
[…]
mijn moeder is vuur en baart as
(p. 46-47)

In verschillende gedichten worden portretten geschetst van ouders die in Marokko geboren zijn en naar Nederland verhuizen en in alle gedichten komen herinneringen voor aan Marokko, zoals bijvoorbeeld de huisgors en de schorpioen (p. 21). De landschappen van beide landen lopen in de realiteit niet in elkaar over – dat gebeurt wel in het geheugen en in de taal van de dichter. Het gedicht ‘ondergronds’ geeft de scheiding helder aan als de ik-persoon in de Amsterdamse metro een vrouw met hoofddoek ziet en ze zich voorstelt haar allerlei vragen te stellen:

ik wil vragen of zij ook van Baazia houdt
ik wil zeggen dat ik naar de Hortus ga om stiekem bepaalde planten aan te raken
[…]
dat mijn vader mij leerde fietsen op een dakterras
en banden leerde plakken
(p. 38)

Het hoogteverschil tussen de ondergrondse metrotunnel in Amsterdam en het dakterras in Marokko geeft een indicatie van de schijnbare onverenigbaarheid van de landschappen, al  zijn de herinneringen daaraan sterk en lijkt het verlangen daarnaar groot. De landschappen op zich zijn bovendien op zichzelf niet eenduidig. De metrotunnel valt samen met:

[…] rioolcatacomben en tunnelstelsels,
schuilkelders geschilderde gangen en waterlopen
(p. 37)

In dit gedicht demonstreert Mbarki Ben Ayad haar eigen veeltaligheid door Nederlands en Arabisch door elkaar te gebruiken. Omdat zij, geboren in Tilburg, een deel van jeugd in Nederland en een ander deel bij haar grootmoeder in Marokko doorbracht, leerde zij Nederlands, Arabisch, Frans, Tamazight en Engels en woorden uit al deze talen hebben hun plaats in de bundel Oeverloos gekregen. 

De meertaligheid is overigens niet een thema op zich, het is een middel. Woorden hebben in verschillende talen afwijkende betekenissen en representeren andere situaties en werkelijkheden die in deze gedichten naast elkaar kunnen bestaan, waardoor de realiteit in het gedicht rijker en gelaagd wordt. Realisme in de literatuur vindt zij een karig fenomeen; haar voorkeur gaat uit naar het fantasierijke werk van Julio Cortázar. Het gaat haar om een meervoudig perspectief. De talen – zij beschouwt ze allemaal als haar moedertaal – zijn daarbij sleutels voor diverse wereldbeelden. In het gedicht ‘tong’ beschrijft zij dit proces:

in mijn kinderkeel werd een genadeloos pact gesloten
een overeenkomst zoals die van gescheiden families
omwille van het kind
(p. 69)

De talen zijn ingedronken als moedermelk en nu vindt ‘op mijn tong [..] een orgie plaats’ (p. 70). De Arabische taal is bloemrijker dan de Nederlandse en Mbarki Ben Ayad combineert daarmee barokke en strakke uitdrukkingen en woorden in haar gedichten. Sommige regels zijn feitelijk, andere eerder beeldend, sommige zinnen zijn langer dan een gemiddelde dichtregel, andere veel en veel korter, sommige pagina’s zijn van boven tot onder gevuld, andere bevatten slechts een enkele regel (p. 40, 63, 64).

Voorbeelden van beeldende zinnen zijn:

ik nestel me in het warme binnenste van de stad
als een boon in een wattige schil
(p. 20)

mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
(p. 27)

Hierin wordt een psychische stoornis bovendien beschreven als een natuurverschijnsel. Een  ander barok beeld komt voor in het gedicht ‘hortensia’:

in roze theekopjes 
drink ik heen en weer koffie tussen tuin en voordeur
waar de tijd op naaldhakken danst
(p. 55)

 

Achterzijde van de omslag van Oeverloos

Het overvloeien van de ene taal in de andere wordt benadrukt doordat er geen hoofdletters worden gebruikt (behalve voor eigennamen) en geen leestekens zoals punten en komma’s. Het zijn vrije verzen. Ook de omslagillustratie van Janine Hendriks speelt met dit oeverloze: land- en zeekaarten zijn over elkaar heen gelegd, waardoor Nederland en Marokko lijken samen te vallen als in een buitenwerkelijke atlas. Mbarki Ben Ayad laat in haar gedichten mythe en realiteit ook zo door elkaar lopen en laat de woorden zelf in elkaar over gaan door vaak alliteratie te gebruiken:

bedelen is voor iedereen een gedoogde gewoonte
of een plagende plicht
(p. 34)

De bundel bestaat uit vijf afdelingen die een zekere, maar niet vaste, structuur geven. Ze benoemen wel verschillende vraagstukken, zoals ‘geografie’, ‘archief’ en ‘polyfonie’. Het laatste gedicht heet ‘diaspora’ en heeft de vorm van een toneelstuk met als sprekers: ‘grote moeder’, ‘moeder’ (samen ‘zij’) en ‘ik’. De ‘ik’ zegt veranderd te zijn, maar de moeders beslissen dat zij niet anders kan worden dan zij: ‘jij bent en je blijft van ons’.