Leren boekbanden

Leren boekbanden in het magazijn van de KB

In de KB-magazijnen liggen de resten van duizenden dieren. Voor ca. 1830 werden de meeste boeken ongebonden verkocht, met als gevolg dat de eerste eigenaar op zoek moest naar een binder. Afhankelijk van zijn wensen en financiële middelen werd het boek gebonden, bijvoorbeeld in een band van leer of perkament. Zo'n huid moest grondig bewerkt worden om bruikbaar te worden: hij werd eerst van haar- en vleesresten ontdaan en onderging daarna een reeks bewerkingen waardoor hij flexibel bleef en niet bedierf. 

Het is hoogst uitzonderlijk als de huid met haar en al wordt verwerkt tot boekband. En voorbeeld is KW 1771 A 113: deze band is rond 1945 gemaakt van ongelooid koeienleer. Niet alle dierenhuiden zijn even geschikt om een boekband van te maken. Bijvoorbeeld schapenleer is matig van kwaliteit: de opperhuid laat snel los en het verven geeft problemen.

Ontwikkeling

Band van met zilver bestempeld blank perkament, 1651. Aanvraagnummer: KW 1762 G 117

In de vroege middeleeuwen werden banden ook wel bekleed met huiden van wilde dieren zoals herten of gemzen. De nerf van het leer is als gevolg van het looien vaak verdwenen, zodat de herkomst niet altijd eenduidig is. Daarom wordt zo'n boekband in catalogi meestal omschreven met de algemene term 'wildleer'. Een voorbeeld daarvan is KW 1795 E 001 uit de 14e eeuw.

In de middeleeuwen werd geschreven op perkament, dat werd gemaakt door de huid van dieren als kalveren, geiten en schapen niet te looien, maar op te spannen, af te schrapen en te bewerken met puimsteen. Afhankelijk van de dikte is het uitstekend schrijfmateriaal en ook bruikbaar als een zeer sterke, maar lastig te verwerken bandbekleding.

Al snel werd ook de huid van runderen, en dan vooral van kalveren, een veel gebruikt bekledingsmateriaal. Het bruine leer werd versierd met stempels en later ook met gebruik van bladgoud. KW 73 J 2, KW 131 A 9 en KW 145 B 9 zijn voorbeelden van kalfsleren banden met blindstempeling en goudstempeling. 

In de vijftiende en zestiende eeuw werden boeken in Duitsland en omstreken vooral in varkensleer gebonden: robuust wit leer met een kenmerkende, vaak nog zichtbare haarinplant van drie bijeen staande puntjes. De banden werden versierd met rol- en plaatstempels, meestal zonder gebruik van bladgoud. 

Vanuit de Islamitische wereld werd ‘marokijn’ geïntroduceerd. De bijzonder fijne huid van geiten (oorspronkelijk uit Marokko) bleek sterker dan andere leersoorten en het liet zich makkelijker verven. Ook moderne binders maken nog graag gebruik van dit materiaal. KW 74 G 39, KW 1754 E 107-109 en KW 1771 A 10 zijn voorbeelden van boekbanden van marokijn uit verschillende periodes.

Haaien en andere exoten

In het nietsontziende streven naar exclusiviteit en luxe bleken ook minder voor de hand liggende diersoorten bruikbaar voor boekbanden. De huid van paarden en ezels wordt ingenieus geprepareerd tot een leersoort die tijdenlang ten onrechte haaienleer werd genoemd. Een echte haai werd in 1984 verwerkt door Germaine de Coster en ook de rog ontsnapte niet aan de artistieke dadendrang. Met exoten als schildpadden, hagedissen en slangen bleken boekbinders zeer opmerkelijke stukken te kunnen maken. Tenslotte gebruikten ze ook delen van botten en tanden (ivoor), maar hoofdzakelijk als decoratieve elementen.

De ondergrond van boekband KW 1770 C 18 is gemaakt van bruin geitenleer. De band is deels voorzien van een ruitjespatroon en heeft een versiering van opgelegde stukken reptielenhuid die zijn verwerkt tot leer. De suggestieve vorm verbeeldt een slang. De band werd in 1982 gemaakt door de Engelse boekbinder Jenni Grey (nu Jenn Belfield). De inhoud is een bestiarium, een boek over dieren, dat bestaat uit een serie houtsneden en etsen gemaakt door studenten van Brighton Polytechnic in Engeland. De slang ontbreekt in het bestiarium, die staat op de band.