Het verzameld werk van botanicus Carolus Clusius
Verzamelband
De KB bewaart veel van Clusius’ boeken, maar één springt eruit: een circa 30 centimeter hoge perkamenten band met zijn verzameld werk over de natuur. Daarin staan onder meer Rariorum plantarum historia (“Beschrijving van zeldzame planten”) uit 1601 en Exoticorum libri decem (“Tien boeken over exotica”) uit 1605. Ook bevat het nog zijn nagelaten aantekeningen die postuum werden uitgegeven als Curae posteriores (1611). Tezamen vormen ze het verzameld werk van de productieve botanicus. Al bladerend door het dikke werk kunnen we Clusius volgen op zijn levenslange ontdekkingsreis door het plantenrijk.
Deze dikke verzamelband was onderdeel van de schenking van meer dan 464 natuurhistorische boeken door G.A. Six aan de KB in 1896. Het moet een van zijn pronkstukken geweest zijn en is volledig geannoteerd in een zeventiende-eeuwse hand.
Botaniserend door Europa
Clusius werd geboren in het Vlaamse Atrecht (nu Arras, in Noord-Frankrijk). Na studies in klassieke talen, rechten en geneeskunde legde hij zich fulltime toe op het onderzoek naar planten. Daarmee toonde hij zich een kind van de zogenaamde “botanische renaissance”, een heropleving van de wetenschappelijke belangstelling voor planten. Artsen, apothekers en andere geleerden wilden hun kennis van geneeskrachtige kruiden verbeteren, door klassieke teksten te vergelijken met wat zij zelf in het wild aantroffen.
Clusius leende hun kritische blik en empirische methodes, maar ging ook een stap verder: hij was niet alleen geïnteresseerd in geneeskrachtige kruiden, maar in álle planten. In een door godsdienststrijd en oorlogen verscheurd Europa ging Clusius op zoek naar nog onbekende planten. Alles wilde hij in kaart brengen. Zo reisde hij te paard naar Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal om wilde kruiden te beschrijven. Ook beklom hij de hoogste toppen in Oostenrijk om bergplanten te bestuderen. Vlak bij de grens met het Ottomaanse Rijk deed hij onderzoek naar paddenstoelen, terwijl Habsburgse soldaten hem beschermden. Zijn waarnemingen uit het veld publiceerde hij in rijk geïllustreerde boeken op handzaam formaat. Ze zijn de voorlopers van de moderne flora’s, met beschrijvingen van wilde planten uit een bepaald gebied.
Tijdens zijn reizen door Europa maakte Clusius ook kennis met de vele exotische plantensoorten die handelaars, diplomaten en soldaten mee terug namen van hun overzeese reizen. Zo kwam hij in Spanje en Portugal in aanraking met onbekende planten uit de koloniën in Zuid-Amerika en Azië, zoals de vijfcactus, tabaksplant en pepers en jasmijn. En in Wenen zag hij in de keizerlijke siertuinen kleurige tulpen, hyacinten en keizerskronen uit het Ottomaanse Rijk bloeien. Clusius was erg succesvol in het vermeerderen van dit zeldzame plantenmateriaal in zijn eigen tuinen, waardoor hij nieuwe beschrijvingen kon publiceren. Zijn onderzoek en boeken maakten hem beroemd. Rijke tuineigenaren vroegen hem om hun tuinen te verfraaien met exotische bloemen, kruiden en fruitgewassen.
Exotica in Leiden
Toen Clusius in 1593 eindelijk (op 67-jarige leeftijd) een vaste aanstelling kreeg aan de Leidse universiteit, brak een gelukkige tijd voor hem aan. Hij was er verantwoordelijk voor de eerste botanische tuin van Nederland en gaf onderwijs aan studenten over planten. Ook kreeg hij de rust en de middelen om aan nieuwe publicaties te werken. Zo publiceerde hij in 1601 het eerste deel van zijn verzameld werk over planten, Rariorum plantarum historia, op groot formaat en met honderden houtsneden en een prachtig gegraveerd frontispice. Het bevatte al zijn eerder gepubliceerde en vele nieuwe plantbeschrijvingen en een appendix over paddenstoelen.
Maar Leiden bood hem nog iets anders: toegang tot nieuwe soorten. De jonge Republiek begaf zich in die tijd net op het wereldtoneel en probeerde een plek te veroveren tussen de zeevarende, handeldrijvende, rovende en oorlogvoerende mogendheden. Toen de schepen van de Eerste Schipvaart in 1597 terugkwamen van hun reis naar Indië, stond de oude botanicus op de kade om de bemanning uit te horen. En toen in 1602 de VOC werd opgericht, stuurde hij instructies mee aan de opvarenden over het verzamelen en bewaren van planten. Het leverde hem een schat aan nieuwe informatie op.
In 1605 verscheen het tweede deel van zijn magnum opus, een dik boek over honderden exotische planten en dieren: Exoticorum libri decem. Het bevatte al zijn kennis van niet-Europese flora en fauna die hij tijdens zijn vele reizen, maar vooral tijdens zijn tijd in Leiden had opgedaan. We vinden hier de eerste wetenschappelijke beschrijvingen en afbeeldingen van Zuid-Amerikaanse plantensoorten als aardappel en tabak, maar ook gordeldieren, pinguïns en luiaards.
Voorbeeld voor anderen
Clusius werkte strikt volgens de regels van de empirische onderzoeksmethode: hij noteerde alleen wat hij zelf zag of wat ooggetuigen hem vertelden. Nooit verzon hij er iets bij. Daarom liet hij de bonen en peulen van onbekende bonensoorten uit Afrika en Amerika afbeelden zoals de zeelieden hem toonden, zonder er een plant of bloem bij te verzinnen. En hij nam een illustratie op van een paradijsvogel uit Indonesië zonder poten, omdat die er altijd werden afgesneden door de lokale jagers die de vogels met hun prachtige verenkleed verhandelden aan de Hollanders. Zijn werkwijze leverde vaak onvolledige informatie op, maar al sprokkelend verzamelde Clusius de puzzelstukken waarop latere botanici zouden voortbouwen.
Literatuur
- Dit artikel verscheen eerder in Bibliotheekblad 5, mei / juni 2026.
- Kasper van Ommen (red.), The exotic world of Carolus Clusius (1526-1609). Leiden: Leiden University Library, 2009.
- Esther van Gelder, Tussen hof en keizerskroon. Carolus Clusius en de ontwikkeling van de botanie aan Midden-Europese hoven, 1573-1593. Leiden: Leiden University Press, 2011.