‘We moeten vooruit’. Acht jaar overzeese brieven tussen moeder en kind

Correspondentie Eduard Willem van Oosterzee met zijn ouders, 1900-1908. Aanvraagnummer: KW 1900 A 397-401, KW 1930 A 028

Tussen 1900 en 1908 schrijven Eddy van Oosterzee en zijn ouders elkaar brieven, hij vanuit Den Haag, zij vanuit Batavia. Tussen de opvoedkundige adviezen door is het wederzijds verlangen naar direct contact voelbaar.

In oktober 1900 reisden Jan Matthieu Henri van Oosterzee en zijn vrouw Gustavine Buijn met de boot vanuit Nederland terug naar Nederlands-Indië. Van Oosterzee was directeur van de Handelsmaatschappij v/h de Lange & Co., een firma uit Batavia die onder andere verantwoordelijk was voor het uitbaten van de Sabang zeehaven en het kolenstation aldaar. Ondanks deze functie bevond het gezin van Oosterzee zich in een penibele financiële situatie. Er waren schulden en er werd besloten de drie jongens - John, Louis en Eduard - uit huis te plaatsen. Dochter Mathilde (Tilly) mocht bij haar ouders blijven. 

Eddy in Den Haag

Eduard (Eddy) was met elf jaar de jongste. Hij bleef in Nederland achter. Dit was gangbaar bij koloniale gezinnen. In hun tienerperiode werden jongens naar Nederland gestuurd, zodat ze daar een gedegen opleiding konden krijgen. In de volgende acht jaar zou Eddy ongeveer om de twee weken per brief contact hebben met zijn ouders, voornamelijk met zijn moeder. Deze correspondentie werd later ingebonden in vijf dikke delen: twee roodleren banden met brieven van Eddy tussen 1900 en 1908 en drie halflinnen banden met brieven van zijn ouders tussen 1900 en 1906. Deze collectie van meer dan vierhonderd brieven bevat een schat aan informatie over de familie van Oosterzee en geeft een uitzonderlijk gedetailleerd inzicht in het leven van een jongen die opgroeide in Den Haag, terwijl zijn ouders in een overzeese kolonie woonden. 

De brieven zijn een uniek tijdsdocument. De lezer leert hoe de jonge Eddy zijn weg vindt in Den Haag. Hij woont er bij de 45-jarige weduwe Steup-de Wit, die in afwezigheid van zijn ouders voor hem zorgt. Hij lijkt het daar naar zijn zin te hebben. Ze behandelt hem als een lieve zorgzame pleegmoeder, die mutsen voor hem breit of hem trakteert op Indisch snoepgoed. Ze let er ook op dat hij zijn tanden poetst en hij zijn persoonlijke hygiëne onderhoudt. In Eddy’s woorden aan zijn ouders: ‘Mevrouw zit er erg met de zweep achter’.[ii] Soms ondersteunt ze hem financieel, bijvoorbeeld als hij een bijzondere blokkendoos wil kopen met zijn sinterklaasgeld. In haar huis, aan de Waldeck-Pyrmontkade 123 in Den Haag, zou Steup tussen 1900 en 1908 meerdere kinderen uit Nederlands-Indië onder haar hoede nemen. Als weduwe was dit mogelijk een manier om een vast inkomen te genereren.

In zijn brieven naar zijn moeder is Eddy enthousiast en bijzonder open. Hij schrijft over zijn schaatspartijtjes op de Haagse kanalen bij vriesweer, over de feestjes en bals die hij meemaakt (een spelletje ‘charade’ zorgt voor heel wat plezier), over de toneelstukken die hij ziet (‘Reis om de wereld in 80 dagen’) of over de publieke viering van het huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Daarnaast informeert Eddy zijn ouders over zijn vooruitgang op school. Zo stuurt hij al zijn rapporten mee en schrijft hij een Franse brief om zijn vaardigheden in die taal te etaleren. In de brieven schrijft Eddy ook over zijn pianospel (‘gaat zo goed, dat ik al gauw Beethoven mag beginnen’). Muziek speelde een belangrijke rol in zijn opvoeding. Niet verwonderlijk, de bekende pianiste Cornélie van Oosterzee (1863-1943) was een tante. In de brieven probeert Eddy verder steeds positief en dapper over te komen, dat is hem duidelijk ingeprent: ‘Jongens moeten flink zijn en niet denken over leelijke litteekens, jongens zijn van steen en meisjes van kraakporselein, zegt het spreekwoord’.

Gustavine in Nederlands Indië

De brieven van Gustavine aan haar zoon zijn anders van aard. Hoewel ze probeert positief te blijven en veel schrijft over de dagelijkse gebeurtenissen in Batavia (vuurwerk van de Chinees bij Nieuwjaar, een schokkende moord in de buurt, gepleegd door een Indonesiër, de verbouwingen aan het huis), weerklinkt in de brieven het verdriet van een moeder die haar kind (‘haar blondekop’) heeft moeten achterlaten. In de eerste paar jaar spelen ook Gustavine’s zorgen over de financiën van het gezin mee. Ze vertelt over het geld dat haar man Henri heeft verloren en dat het lang zal duren vooraleer hij het weer goed heeft gemaakt. Feestdagen zoals Sinterklaas worden dan ook niet gevierd. In januari 1901 schrijft ze stellig: ‘we moeten nu héél héél zuinigjes leven en mogen niets extra’s doen. Je moet ook heel netjes op je boeken, kleeren zijn’. Een verzoek van Eddy om een viool kan dan ook niet worden ingewilligd. De ouders kijken wel vooruit, naar de toekomst. In de weinige brieven die vader Henri schrijft, drukt hij zijn zoon steeds op het hart dat hij altijd zijn plicht moet doen, ‘zoo op school als thuis en spreek altijd de waarheid, dan zul je ons gelukkig maken en ons verdriet je niet meer bij ons te hebben verzachten!’ Het is voor hem vooral belangrijk dat Eddy zich gedraagt. In zijn eerste brief uit 1901 (op 17 mei) kan hij het bijvoorbeeld niet laten de volledige brief (drie kantjes!) uitsluitend te wijden aan Eddy’s matige handschrift. Ook zijn moeder benadrukt dat hij goed moet luisteren en zijn best moet doen op school, zodat hij later geen zorgen zal hebben. 

Eddy’s brieven vrolijken hen wel op en Gustavine sluit regelmatig haar brieven af met de wens om elkaar weer fysiek aan te kunnen raken. Andere keren vreest ze dat dat ‘nu misschien nooit meer [zal] gebeuren’. Haar angst was ten onrechte. In 1905 reisde Gustavine voor een eerste keer terug naar Nederland en zag ze haar zoon weer. Ondanks een moeizame schooltijd groeide Eddy op tot een beloftevolle jongeman. In 1908 keerde hij terug naar Batavia. Daar volgde hij in zijn vaders voetsporen en werd directeur van de firma De Lange en co. In 1922 trouwde hij met Sophia Karolina de Vries. Zeven jaar later sloeg echter het noodlot toe. Eddy werd plotseling ziek en stierf op 6 september 1929, twee dagen voor zijn veertigste verjaardag. 

Bewaard unicum

Waarom de correspondentie tussen Eddy en zijn ouders uiteindelijk gebonden werd, is niet helemaal duidelijk. De brieven van Eddy naar zijn ouders zijn van een band voorzien door de binderij F.B. Smits in Batavia, in alle waarschijnlijkheid voor zijn vroegtijdige dood. De delen met de correspondentie van zijn ouders zijn in Amsterdam gebonden. Hiervan ontbreekt het laatste deel uit de jaren 1907-1908, voor Eddy achttien werd. Doordat de brieven gebonden werden, doorstonden ze goed de tand des tijds, hetgeen uitzonderlijk is. Ze geven inzicht in het maatschappelijk en cultureel gedachtegoed van de familie. In 2023 werden de gebundelde brieven aangekocht door de KB bij antiquariaat Imagerie in Den Haag, samen met enkele foto’s en wat losse brieven tussen Eddy’s vrouw Sophia en zijn Indische familie over het overlijden.

De correspondentie van de familie van Oosterzee bestaat uit het volgende: twee banden met de brieven van Eduard Willem van Oosterzee aan zijn ouders (KW 1900 A 397 en KW 1900 A 398), drie banden met de brieven van Gustavine Buijn en Jan Matthieu Henri van Oosterzee aan hun zoon Eduard (KW 1900 A 399, KW 1900 A 400 en KW 1900 A 401), drie mappen met correspondentie rond de dood van Eduard (KW 1920 A 281, KW 1920 A 282 en KW 1920 A 283 en een map met foto’s (KW 1930 A 028).

Literatuur

  • L. Turksma, Nederlanders in Nederlands-Indië. Sociologische interpretatie van een verleden tijd. Amersfoort/Leuven: Acco, 1987, p. 84-85
  • Ulbe Bosma en Remco Raben, De oude Indische wereld 1500-1920. Amsterdam: Bert Bakker, 2003, p. 204-205.
  • Brieven van Eduard (Eddy) Willem van Oosterzee, geschreven aan zijn ouders (1900-1906), Aanvraagnummer: KW 1900 A 397
  • Brieven van Jean Mattieu Henri van Oosterzee en Gustavine Buijn, geschreven aan hun zoon Eduard (Eddy) Willem van Oosterzee, Aanvraagnummer: KW 1900 A 399