Een Surinaamse brief uit 1720

Brief van Anne Marie Du Faij, geschreven aan haar neef Jerome von der Lhar en haar zus, 29 maart 1720. p. 1. Aanvraagnummer: KW 1920 A 190.

In 2022 kon de KB, met steun van de Vrienden van de KB, een bijzondere brief uit 1720 verwerven. De brief is geschreven door Anne Marie Du Faij, geboren Roosen, die in 1719 samen met haar gezin vanuit Den Haag naar Suriname vertrok. Haar man, Frederick Du Faij, was benoemd tot commissaris bij de West-Indische Compagnie (WIC). In die functie hield hij zich bezig met de keuring en verkoop van tot slaaf gemaakte Afrikaanse mensen die naar Suriname werden gebracht om op de plantages te werken.

De zestien kantjes tellende brief geeft een levendig beeld van Anne Maries reis naar Suriname en haar eerste maanden in de kolonie. Op 17 augustus 1719 vertrok het schip van Texel. Tijdens de overtocht noteerde ze onder meer haar verwondering over dolfijnen, haaien en vliegende vissen, maar ook de ontberingen aan boord. Eenmaal aangekomen in Suriname beschreef ze haar indrukken van Paramaribo, het tropische klimaat, de bevolking en het dagelijks leven.

Suriname als paradijs

Aankomst van schepen in Paramaribo. Gravure uit: J.D. Heerlien, Beschryvinge van de Volk-plantinge Zuriname. Leeuwarden: Meindert Injema, 1718, p. 46. Aanvraagnummer: KW 443 C 22.

Anne Marie was duidelijk onder de indruk van haar nieuwe omgeving. Bij het opvaren van de Surinamerivier zag zij aan weerszijden uitgestrekte bossen en hoorde zij het gezang van talloze vogels en andere dieren. Het landschap deed haar denken aan het paradijs: ‘Je zou zeggen in het paradijs beland te zijn, maar u weet goed dat daar ook een slang was.’

Ook de Surinaamse planten en dieren trokken haar aandacht. Ze schrijft over vruchten als citroenen, sinaasappels, pompelmoezen, ananassen en watermeloenen en beschrijft hun uiterlijk, smaak en eigenschappen. Daarnaast noemt ze uiteenlopende dieren en insecten. De veelheid en schoonheid van de vlinders maakt indruk op haar, terwijl muggen, bedwantsen en andere insecten haar juist tot last zijn. Haar interesse in lokale flora en fauna was mogelijk geïnspireerd door het werk van Maria Sibylla Merian, die enkele jaren eerder in Suriname onderzoek had gedaan naar de lokale flora en fauna. 

Een kolonie gebouwd op slavernij

Watermeloen. Gravure door P. Sluyter naar tekening van Maria Sibylla Merian, uit: Maria Sibylla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium, ofte verandering der Surinaamsche insecten. Amsterdam: Gerhard Valck, 1705, plaat 15

De brief bevat daarnaast een indringend verslag van de slavernij in Suriname. Anne Marie beschrijft hoe slavenschepen in Paramaribo aankomen en hoe de tot slaaf gemaakte Afrikanen worden overgebracht naar het WIC-magazijn. Haar man was als commissaris betrokken bij de keuring en inventarisatie van de mensen die vervolgens werden verkocht. Ze schrijft ook over hun dagelijks leven, gebruiken en de lijfstraffen die zij ondergingen.

Deze passages maken duidelijk dat Anne Marie niet alleen toeschouwer was van de koloniale samenleving, maar dat haar eigen huishouden en dat van haar man direct verbonden waren met het systeem van slavernij. Daarmee biedt de brief niet alleen een persoonlijk reisverslag, maar ook een zeldzame getuigenis van de koloniale samenleving en de rol van Europese kolonisten daarin.