Psalter van Eleonora van Aquitanië

Donorportret, Eleonora van Aquitanië

Een van de oudste middeleeuwse handschriften in de KB is een zeer fraai geïllustreerd gebedenboek uit de twaalfde eeuw (1185). Recent onderzoek wijst erop dat het is gemaakt voor Eleonora van Aquitanië, de machtigste vrouw in twaalfde-eeuws Europa.

Psalter

Een psalter is een gebedenboek met de 150 psalmen uit het Oude Testament. Deze liederen worden toegeschreven aan koning David. Het psalter is in de middeleeuwen het belangrijkste gebedenboek voor leken. Hoogadellijke kinderen, zowel meisjes als jongens, leerden eruit lezen; in het Latijn natuurlijk.

De heiligenkalender

Aan de 150 psalmen werden vaak andere elementen toegevoegd, zoals een kalender. Die geeft aan op welke dagen bepaalde heiligen zijn gestorven. Op die dagen werd er speciaal voor hen en tot hen gebeden.

De kalender wordt afgewisseld met de ‘werken van de maand’ – afbeeldingen van verschillende bezigheden die passen bij de maanden van het jaar.

De maanden april en mei tonen geen landarbeiders maar adellijke figuren. Dat is duidelijk te zien aan hun kleding én aan hun adellijke gezichtstrekken.

Kleine afbeeldingen in de kalender

In de kalender zelf vinden we kleine afbeeldingen met de tekens van de dierenriem en maar liefst 24 afbeeldingen van mensen die een aderlating ondergaan. Aderlatingen werden in de middeleeuwen ingezet tegen allerlei ziektes. De afbeeldingen in dit handschrift zijn uniek, we komen ze nergens anders tegen.

Waar en wanneer is het psalter gemaakt?

Over de datering en de lokalisering van dit psalter is onder deskundigen nogal wat te doen geweest. Volgens David van der Kellen (1827-1895), directeur van het Nederlands Museum voor Geschiedenis en Kunst in Amsterdam, dateert de kleding van de in het boek afgebeelde personen uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Naar inzicht van KB-directeur Willem G.C. Byvanck (1848-1925) is het psalter geschreven en verlucht omstreeks het jaar 1200. De meeste moderne onderzoekers sluiten zich daarbij aan en dateren het boek tegen het eind van de twaalfde eeuw. Het moet in elk geval ná 1173 zijn geschreven, want in de heiligenkalender staat aartsbisschop Thomas Becket vermeld die in 1173 heilig is verklaard.

Fragment kalender januari, op de bovenste regel de vermelding van St. Waning, op de onderste zijn 'octaaf'. KW 76 F 13, fol. 002r

KB-bibliothecaris Byvanck was de eerste die wees naar Fécamp aan de Normandische kust als plaats van ontstaan van het psalter. Ook die conclusie ontleent hij aan de heiligenkalender. Waning, een heilige uit de zevende eeuw die in andere kalenders niet voorkomt, staat hier vermeld op 9 januari en nogmaals een week later, bij zijn ‘octaaf’ (dat is de datum tot wanneer een viering gerekt kon worden). Die dubbele vermelding wijst op een bijzondere verering van deze heilige op de plek waar het boek is ontstaan, of waar de opdrachtgever vandaan kwam. Waning was de stichter van de abdij van Fécamp.

De kunsthistoricus Walter Cahn bracht in 1996 naar voren dat de relieken van Waning in de negende eeuw zijn terechtgekomen in Ham in Picardië, meer dan tweehonderd kilometer ten oosten van Fécamp. Daarom wordt ook Ham wel genoemd als mogelijke geboorteplaats van ons handschrift. Cahn heeft weinig navolging gekregen in zijn datering.

Een paar jaar geleden is een lans gebroken voor een nieuwe datering en lokalisering. Stilistisch onderzoek leidde in 2012 tot de conclusie dat het aannemelijk is dat het psalter rond 1200-1210 in Parijs is vervaardigd. Overeind blijft dat de opdrachtgever van het boek een speciale band moet hebben gehad met enkele Normandische heiligen, die vooral zijn verbonden met Rouen en Fécamp.

Is de opdrachtgeefster Eleonora van Aquitanië?

De opening met de opdrachtgeefster links en het begin van de psalmen rechts, KW 76 F 13, fol. 28v, 29r

Over één ding zijn de onderzoekers het wel eens. Het boek moet zijn gemaakt voor een zeer rijke adellijke dame. We zien haar afgebeeld op fol. 28v, met de handen geheven geknield voor David die in de beginletter van de eerste psalm (‘Beatus vir’) op het tegenoverliggende blad is afgebeeld. Tot tien jaar geleden werd aan de identificatie van de opdrachtgeefster geen aandacht besteed, maar onderzoek uit 2016 wijst in de richting van Eleonora van Aquitanië. Daarvoor zijn verscheidene argumenten.

Zo zijn er overeenkomsten tussen de kleding van de opdrachtgeefster van het psalter en die van Eleonora en haar familie, zoals afgebeeld op een fresco in een kapel in Chinon, een dorp vlakbij Fontevraud. De beschermheilige van die kapel, Radegundis, komt uitsluitend voor in de kalender van het psalter, niet in daarmee vergelijkbare kalenders uit dezelfde tijd. Opvallend is ook dat de edelman afgebeeld op fol. 4v in hetzelfde kledingmotief gehuld gaat, en dat hij en de edelman te paard met valk op fol. 5v beiden een met hermelijn gevoerde mantel dragen, wat duidt op koninklijk bloed.

De edelman op fol. 4v draagt bovendien in zijn rechterhand een bloem die wel zeer grote gelijkenis vertoont met de bloem die Eleonora zelf draagt in het zegel dat van haar is overgeleverd:

Er is verder maar één psalter bekend waarin een vrouwenportret is geplaatst tegenover Psalm 1: het Psalter van Helmarshausen (nu bewaard in Baltimore, Walters Art Gallery, ms. W.10). Dat is in of kort na 1185 gemaakt voor Mathilde, hertogin van Saksen († 1189). Mathilde was de oudste dochter van Eleonora en Hendrik II van Engeland. Zij en haar echtgenoot bevonden zich in 1182-1184 in ballingschap in Normandië, waar zij met zekerheid haar moeder heeft ontmoet. Misschien is Mathilda toen ook geïnspireerd geraakt door het psalmboek dat haar moeder zojuist had laten maken.

Wie was Eleonora van Aquitanië?

Eleonora werd geboren in 1122-24 als erfdochter van de machtige hertog Willem van Aquitanië. Haar rijkdom, intelligentie en schoonheid zijn beroemd. Zij was dan ook een felbegeerde bruid. Een huwelijk met de Franse kroonprins maakte haar koningin van Frankrijk. Een tweede huwelijk, met hertog Hendrik van Normandië, bracht haar op de Engelse troon. Eleonora stierf na een lang een rumoerig leven op 1 april 1204. Zij ligt begraven in de abdij van Fontevraud. Op het grafmonument ligt haar levensgrote beeltenis met in de handen een opengeslagen boek. Het is de vroegste afbeelding van een niet-geestelijke lezende vrouw. Het beeld verbindt het vergankelijke leven met het eeuwige lezen. Geen boek was daar beter voor geschikt dan het psalter. 

Latere lotgevallen van het psalter

Rond het midden van de dertiende eeuw bevond het psalter zich in het grensgebied tussen Henegouwen en Vlaanderen. Dat blijkt uit allerlei toevoegingen in de kalender. Daarin vinden we onder meer de sterfdata van Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen en Henegouwen († 1244), van Willem van Dampierre († 1231), diens dochter Johanna, gravin van Bar († 1246), zoon Willem, graaf van Vlaanderen († 1251), zoon Jan, heer van Dampierre († 1258), en schoondochter Machteld van Béthune († 1263), maar ook die van een bisschop van Doornik, een abt van Anchin, een proost van Mons en een scholaster van Kamerijk. De overlijdensberichten zijn genoteerd door verschillende handen, kort na de gebeurtenissen zelf.

Een eeuw later circuleerde het boek nog steeds in diezelfde omgeving. In een notariële akte achterin het boek (fol. 187v) staat beschreven dat Gérard de Dainville dit psalter op 13 juni 1369 in gebruik gaf aan zijn verwante Jeanne des Plancques, non in het klooster van Étrun in het bisdom Atrecht. Gérard was van 1361 tot 1368 bisschop geweest van Atrecht, en bekleedde diezelfde waardigheid sinds kort in Terwaan (1368-1371) en later in Kamerijk (1371-1378). Hij was verre familie van de graaf van Vlaanderen, maar hoe de relatie precies in elkaar steekt, is niet duidelijk.

Vijf jaar later, in februari 1374, gaf dezelfde bisschop opnieuw een psalter aan diezelfde non – en ook dat rijk versierde boek is bewaard gebleven: het is omstreeks 1270-1280 gemaakt in de Zuidelijke Nederlanden en ligt tegenwoordig in New York (The Pierpont Morgen Library, ms. M.72). In beide gevallen liet de eigenaar vastleggen dat de boeken naar hem moesten terugkeren indien hij Jeanne zou overleven. Dat gebeurde niet. De Dainville sloot zijn ogen voorgoed in 1378, Jeanne overleed een paar jaar later als abdis van Étrun. Het tweede psalter bleef naar het schijnt in haar abdij tot 1800. Of ook het Haagse handschrift zo lang in Étrun is gebleven, is niet bekend.

Pas diep in de achttiende eeuw duikt het boek weer op. Het is dan in handen van Georges-Joseph Gérard (1734-1814), een gedreven ambtenaar aan het hof in Brussel met een passie voor boeken. Hij bemachtigde het psalter nog voordat hij in 1769 werd benoemd tot secretaris van de Sociéte Littéraire, de voorloper van de Academie der Wetenschappen en Letteren. Hij plaatste zijn naam voorin het boek, met het jaartal 1767 (fol. 1r). In de daarop volgende jaren bracht Gérard een grote verzameling boeken bijeen, waaronder ongeveer honderd middeleeuwse handschriften. Het psalter kreeg de signatuur ‘A 1’, wat iets zegt over het belang dat de nieuwe eigenaar aan het boek hechtte. Vier jaar na Gérards dood kwam zijn collectie grotendeels terecht in het Rijksarchief. In 1832 werden de handschriften overgebracht naar de KB.

Disclaimer

Is het psalter in de KB werkelijk gemaakt voor koningin Eleonora? Misschien kunnen we de vraag beter anders stellen. Voor wie, anders dan voor Eleonora van Aquitanië, kan het Haagse psalter zijn gemaakt? Wie het weet mag het zeggen.

 

Literatuur