Nieuwjaarsbrieven uit de 18e en 19e eeuw
Wensbrieven
In wensbrieven beschreef een kind een wens aan familie en vrienden ter gelegenheid van een hoogtijdag als Kerstmis, Nieuwjaarsdag, Pasen en Pinksteren. Zo’n dag bood bij uitstek de mogelijkheid om elkaar iets toe te wensen. Het waren belangrijke dagen die slechts eenmaal per jaar voorkwamen en waarbij de hele familie bijeen was. Bovendien gold de wensbrief voor het kind als ultieme schrijfproef waarin het kind zijn schrijfvaardigheid kon tonen die hij op school of via thuisonderwijs had opgedaan. De andere familieleden konden tijdens de gelegenheid de progressie van het kind evalueren. De brieven circuleerden dus enkel in relationele sfeer en daarbij paste mogelijk een wat informelere aanspraak.
De brieven zijn ingekaderd door een prent die nauwelijks een relatie heeft met de inhoud van de brief. De nieuwjaarsbrief van Maria Kraan bijvoorbeeld staat in teken van de vier seizoenen, met afbeeldingen van een schaatstafereel, een visser, een jager en een verliefd paar. Aan geen van allen wordt gerefereerd in de brieftekst. Dat kwam doordat de vroegmoderne ouder of schoolmeester zijn prenten inkocht bij de lokale boekhandelaar en zijn kind of leerling daarbinnen een wens liet schrijven. De KB bezit een groot aantal wensbrieven. De meeste brieven (94) werden in 2013 overgenomen van emeritus hoogleraar Oude Nederlandse letterkunde en boekwetenschap Piet Buijnsters en zijn vrouw, oud-kunsthistorica Leontine Buijnsters-Smets. In 2016 schonken centsprentenliefhebbers en -onderzoekers Aernout Borms en Leny Borms-Koop nog eens 65 wensbrieven aan de KB.
Jeugdig perspectief
Aan het voordragen van een wensbrief zoals Maria Kraan dat deed op nieuwjaarsdag 1832 gingen een aantal stappen vooraf. Allereerst dus het kiezen van een prent. Een volgende stap was veelal het uitzoeken van een briefvoorbeeld. Kinderen schreven namelijk in wensbrieven bijna altijd briefteksten over uit briefvoorbeeldboeken. Die boeken maakten schoolmeesters speciaal voor de wensbriefpraktijk. Ondanks het gebruik van formats van volwassenen, laten de wensbrieven zien dat kinderen zich niet altijd even ondergeschikt ten opzichte van hun ouders verhouden. Want in de brieven treedt het kind nadrukkelijk naar voren als degene die wenst. In de brief (KW 1940 A 58) schrijft Johan Pieter Bourjé bijvoorbeeld aan zijn ‘waarde en beminde vader en moeder’:
‘Met dit pas aangevangen Jaar
Daar wij nu wederom in treeden
Wensch ik dat de Opperwezenaar
U schenken wil veel zaligheeden.’
Tegelijkertijd reflecteren de briefformats ook de tijdgeest. De ideeën van de Verlichting en de Romantiek stempelen de brieven. Denk bijvoorbeeld aan de Verlichte benaming van God als Opperwezen in het zojuist genoemde voorbeeld. Meer in het kader van de liefde tussen ouder en kind past het feit dat C.G. Dutil in bijvoorbeeld de wensbrief (KW Borms 2127) refereert aan de opvoeding door de ouders en hen daarvoor bedankt:
‘O dierbaare Ouders
En onophoudelijke vlijdt,
Voor mij ten nut weet aan te leggen,
Vergunt mij nu het eerste licht,
Des Jaars verschijnt U met een dicht,
Mijn hartelijken dank te zeggen’.
Daaruit blijkt dat de opvoeding gezien wordt als onmisbaar voor het kind in de ontwikkeling tot volwassene.
Uit liefde? Of plichtsbesef?
De liefde tussen ouder en kind vanuit jeugdig perspectief in de wensbrieven balanceert uiteindelijk tussen kinderliefde en kinderplicht. Veel kinderen echoën een soortgelijke frase als A. Snoep doet in de wensbrief uit 1815 (KW Borms 2113) en H. Hardijzer in de brief uit 1801 (KW Borms 2130):
‘De kinderlijke liefde en plicht
Verbind mij om dit kort gedicht
Mijn ouders op te dragen’.
Deze wijze van kinderliefde en kinderplicht samen gebruiken wijst op een nederige houding ten opzichte van de ouders.
Een onbekende afzender in de brief uit 1806 (KW Borms 2107) grijpt de nieuwjaarswensplicht echter aan om niet de eenzijdige liefde van kind tot ouder maar de wederkerige liefde tussen ouder en kind te benadrukken:
‘Waardige Ouders! Jaars verwisling
Spoort mij aan tot mijnen pligt
Om, met een erkentlijk gedicht
Door dit kinderlijk gedicht
U te toonen, dat k Uw zorgen
Moede en kosten, hoog waardeer
En, voor al die liefdeblijken
U opregt bemin en eer.’
Ook dan blijft die afzender een kind dat dankbaar tegen de ouders op moet kijken.
Willem Hardijzer beschouwt kinderliefde zelfs als zijn eerste plicht ten opzichte van zijn ouders in zijn brief uit 1822 (KW 1940 A 10):
‘Liefde de eerste aller pligten,
Kinderliefde spoort mij aan,
Om tot God dien goeden Vader,
Biddend voor U op te gaan.’
Blijkbaar volgt uit een horizontale en gelijkwaardige liefde tussen ouder en kind een verticale afhankelijkheidsrelatie met God. Dat wil zeggen: omdat een kind als Willem Hardijzer van zijn ouders houdt, vraagt hij God in de hemel om zijn wensen voor zijn ouders te vervullen.
In de 20e eeuw verdween de wensbrievenpraktijk in Nederland. In Vlaanderen worden wensbrieven nog altijd geschreven en voorgedragen.